ECLI:NL:RBDHA:2026:26221

ECLI:NL:RBDHA:2026:26221

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 07-09-2026
Datum publicatie 10-09-2026
Zaaknummer AWB 26.12396
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Middelburg

Samenvatting

Regulier, afwijzing aanvraag mvv, ontvankelijkheid, vaststelling identiteit, beroep ongegrond

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , eiseres

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB26/12396

V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. R.C. van den Berg),

en

(gemachtigden: mr. E. Varol en mr. A. Al-Edani).

Procesverloop

Bij besluit van 25 maart 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van eiseres tegen de afwijzing van haar aanvraag tot verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft het beroep op 27 augustus 2026 in Breda op zitting behandeld. Hierbij waren aanwezig: referente van eiseres, mevrouw [naam 1] , [naam 2] als tolk, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigden van de minister.

Overwegingen

1. Eiseres stelt te zijn geboren op [datum 1] 2001 en de Eritrese nationaliteit te hebben. Op 15 augustus 2022 heeft mevrouw [naam 1] , de moeder van eiseres en haar referente, een aanvraag voor eiseres ingediend voor een mvv voor het verblijfsdoel ‘familie- of gezinslid’.

2. Bij besluit van 1 november 2023 (het primaire besluit) heeft de minister de aanvraag afgewezen omdat de identiteit van eiseres niet is komen vast te staan en omdat zij niet heeft aangetoond dat het voor haar onmogelijk is om aan een paspoort te komen. De minister heeft in dit besluit doorgetoetst aan de voorwaarden voor familie- of gezinsleven zoals bedoeld in artikel 8 EVRM en geconcludeerd dat zij ook op inhoudelijke gronden niet voor een vergunning als jongvolwassene in aanmerking komt. In het bestreden besluit is de minister bij de afwijzing van de mvv-aanvraag gebleven. De minister onderbouwt in dit besluit waarom de ingebrachte bezwaren zijn conclusie over de identiteit van eiseres niet heeft veranderd; hij gaat niet in op de inhoudelijke bezwaren die door eiseres zijn ingebracht tegen de toetsing aan het jongvolwassenenbeleid.

3. Eiseres voert in beroep aan dat zij in bewijsnood verkeert ten aanzien van haar identiteit. Als vluchteling kan niet van haar worden verwacht dat zij zich wendt tot de autoriteiten van haar land van herkomst om een paspoort aan te vragen. Eiseres meent dat zij haar identiteit niettemin voldoende aannemelijk heeft gemaakt door overlegging van andere documenten en de consistente verklaringen daarover. Kleine afwijkingen in data en schrijfwijzen maken dat niet anders. De bloedverwantschap tussen moeder en dochter staat vast door het DNA onderzoek dat in juni 2020 (in een eerdere procedure) is overgelegd. In het kader van de integrale beoordeling had de minister eiseres het voordeel van de twijfel moeten gunnen. Het bestreden besluit is daarom onvoldoende gemotiveerd.

De rechtbank oordeelt als volgt.

Ontvankelijkheid

4. De rechtbank beoordeelt allereerst ambtshalve de ontvankelijkheid van het beroep. Op grond van artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bevat een beroepschrift de gronden van het beroep. Als niet is voldaan aan dit vereiste, kan het beroep op grond van artikel 6:6 van de Awb niet-ontvankelijk worden verklaard, mits de indiener de gelegenheid heeft gekregen om het verzuim te herstellen binnen een daartoe gestelde termijn.

5. Het bestreden besluit dateert van 25 maart 2025. De termijn voor het instellen van beroep bedroeg 4 weken na de datum van verzending van het besluit. De gemachtigde van eiseres heeft op 22 april 2025 pro forma beroep ingesteld. Dat was binnen de gestelde termijn. Omdat de gronden van het beroep ontbraken heeft de rechtbank op 22 april 2025 een bericht gestuurd aan de gemachtigde om dit verzuim te herstellen “binnen vier weken na de dag van verzending van dit bericht.” Deze termijn verliep derhalve op 23 mei 2025. Omdat er nog geen reactie was ontvangen heeft de rechtbank op 23 mei 2025 een bericht gestuurd waarin wordt gemeld dat er zich nog geen beroepsgronden in het dossier bevinden en dat de rechtbank graag binnen vijf werkdagen verneemt of hier een verschoonbare reden voor is. Diezelfde dag, op 23 mei 2025, heeft de gemachtigde van eiseres een brief met beroepsgronden aan het dossier toegevoegd. Op 25 mei 2025 heeft hij aanvullende gronden ingediend.

6. De rechtbank stelt vast dat het beroep tijdig is ingesteld en dat het verzuim binnen de door de rechtbank gestelde termijn is hersteld zodat er geen sprake is van een termijnoverschrijding. Voor zover partijen door het bericht van de rechtbank van 23 mei 2025 de indruk hebben gekregen dat op die dag de termijn voor herstel van het verzuim al was verstreken, berust dit op een misverstand. Het beroep is ontvankelijk.

Vaststelling van de identiteit van eiseres

7. Eiseres heeft eerder een procedure gevoerd ter verkrijging van een mvv als familie- of gezinslid. Deze rechtbank en zittingsplaats heeft in het beroep in die procedure uitspraak gedaan op 6 juli 2020. In die uitspraak heeft de rechtbank overwogen dat, voordat kan worden beoordeeld of er sprake is van familieleven in de zin van artikel 8 van het EVRM, de identiteit en familierechtelijke relatie met referente moet worden aangetoond. De uitspraak kwam in die zaak tot de volgende conclusie (overweging 6): “Vast staat dat eiseres geen documenten heeft overgelegd ter onderbouwing van haar identiteit. De enkele stelling dat zij vanwege haar vlucht uit Eritrea niet in staat is om documenten te overleggen, is onvoldoende om aan te nemen dat eiseres niet in staat is om officiële documenten over te leggen. Van minderjarige Eritreeërs kan niet verwacht worden dat zij officiële documenten overleggen, maar verweerder heeft er terecht op gewezen dat er bij eiseres onduidelijkheid bestaat over haar leeftijd. Deze onduidelijkheid is in beroep niet weggenomen. Van bewijsnood is daarom geen sprake.” Omdat geen van de partijen tegen deze uitspraak in hoger beroep is gekomen is de uitspraak in rechte komen vast te staan. De rechtbank zal bij de huidige beoordeling uitgaan van de feiten en rechtsoverwegingen zoals in de eerdere uitspraak zijn vastgesteld.

8. In de voorgaande procedure heeft eiseres ter onderbouwing van haar identiteit een Soedanese arbeidskaart, met vertaling overgelegd. De rechtbank heeft dit document niet betrokken bij de beoordeling omdat het te laat was overgelegd, maar overweegt ten overvloede dat dit document niet tot een ander oordeel zou hebben geleid omdat er een andere naam op het document vermeld staat en het onduidelijk is op basis van welke gegevens dit document is opgemaakt.

9. Bij haar aanvraag heeft eiseres de uitkomsten van een verwantschapsonderzoek van 8 oktober 2021 overgelegd. Uit dit onderzoek is gebleken dat referente de biologische moeder is van de persoon geïdentificeerd als [naam 3], met geboortedatum [datum 1] 2000. In bezwaar heeft eiseres ter nadere onderbouwing van haar gestelde identiteit een brief van de UNHCR van 5 juni 2023 overgelegd, waaruit blijkt dat [persoon] met geboortedatum [datum 2] 2001, is geregistreerd als asielzoeker. In beroep wijst zij bovendien opnieuw op de Soedanese verblijfskaart die in de vorige procedure is overgelegd.

10. De rechtbank stelt vast dat in haar uitspraak van 6 juli 2020 is komen vast te staan dat eiseres haar identiteit niet heeft aangetoond en dat zij niet in bewijsnood verkeerde vanwege haar status als vluchteling. Uit de stukken blijkt dat vooral de leeftijd van eiseres ter discussie stond. Op basis van de in overweging 9 genoemde stukken oordeelt de rechtbank dat over de leeftijd van eiseres nog steeds geen duidelijkheid is gekomen. Het DNA onderzoek bevestigt de biologische band van eiseres met referente, maar niet haar identiteit, in het bijzonder haar leeftijd. De brief van de UNHCR vermeldt een naam die erg lijkt op de door eiseres in haar aanvraag opgegeven naam zodat sprake kan zijn van een verschrijving of een verschil in transliteratie. Er is echter ook een andere geboortedatum opgegeven, waarvoor, ook in het ambtelijke gehoor, geen verklaring is gegeven zodat dit document niet kan bijdragen aan de vaststelling van de identiteit (in het bijzonder de leeftijd) van eiseres. Voor wat betreft de Soedanese verblijfskaart verwijst de rechtbank naar haar overweging in de uitspraak van 6 juli 2020. Ten overstaan van de ambtelijke hoorcommissie heeft referente over deze verblijfskaart gezegd dat de foto op de kaart van haar dochter is, maar dat de naam die er op staat haar niets zegt. Ook in beroep is geen verklaring gekomen over deze discrepantie. Daarom kan ook dit document niet bijdragen aan de nadere onderbouwing van de identiteit en daarmee de leeftijd van eiseres.

11. De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de identiteit van eiseres niet is aangetoond of aannemelijk is gemaakt. Hij heeft daarom ook terecht overwogen dat hij niet gehouden was de aanvraag (verder) inhoudelijk te beoordelen. Het beroep slaagt niet.

Conclusie

8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiseres krijgt daarom het betaalde griffierecht niet terug en zij krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 7 september 2026 door mr. S.S. van der Velde, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S.J.I. Hendrickx, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De uitspraak is bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. S.S. van der Velde

Griffier

  • mr. A.S.J.I. Hendrickx

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand