ECLI:NL:RBDHA:2026:26222

ECLI:NL:RBDHA:2026:26222

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 07-09-2026
Datum publicatie 10-09-2026
Zaaknummer NL26.41635
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Utrecht

Samenvatting

AMBV - aanvraag na 12 juni. ISV Kroatië, waaronder betoog dat als gevolg van het niet horen eiser niet alle feiten en omstandigheden in dat kader naar voren heeft kunnen brengen. Grond slaagt niet. Beroep artikel 35 AMBV. Rechterlijke toetsing niet beperkt door artikel 43 AMBV, omdat een besluit om van de discretionaire bevoegdheid gebruik te maken naar het oordeel van de rechtbank niet gelijk te stellen is met een overdrachtsbesluit. Daarbij verwijst de rechtbank onder andere naar het arrest AHY. Inhoudelijk is de toets wel beperkt. De bevoegdheid om van de discretionaire bevoegdheid gebruik te maken is niet aan enige specifieke voorwaarde gebonden. Deze vrijheid heeft de minister in beleid ingevuld; van de bevoegdheid wordt alleen om proceseconomische redenen gebruik gemaakt. Eiser hierover niets aangevoerd. Grond slaagt niet.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

de minister van Asiel en Migratie

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.41635

(gemachtigde: mr. B.A. Palm),

en

(gemachtigde: mr. B. Beekers).

Procesverloop

1. Eiser heeft op 23 juli 2026 een asielaanvraag als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 ingediend. Hij stelt van Syrische nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 2002. De minister heeft met het bestreden besluit van 16 juli 2026 deze aanvraag niet in behandeling genomen omdat Kroatië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

De rechtbank heeft het beroep op 11 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van de minister deelgenomen. Eiser en zijn gemachtigde hebben zich afgemeld voor de zitting.

Beoordeling

Totstandkoming van het besluit

2. De Europese Unie heeft gezamenlijke regels over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die stonden in de Dublinverordening. Vanaf 12 juni 2026 geldt niet meer de Dublinverordening maar de Asiel- en migratiebeheerverordening(AMBV). In deze zaak dateren de aanvraag en het bestreden besluit van na 12 juni 2026 en heeft de minister dit besluit dus ook genomen met toepassing van de AMBV. Dit betekent dat de rechtbank bij de beoordeling ook acht zal slaan op artikel 43, eerste lid, van de AMBV.

In dit geval heeft Nederland bij Kroatië een verzoek om kennisgeving inzake terugname gedaan. Kroatië heeft de kennisgeving bevestigd.

Artikel 4 van het Handvest

3. Eiser stelt zich op het standpunt dat hij te vrezen heeft voor een situatie als bedoeld in artikel 4 van het Handvest wanneer hij wordt teruggestuurd naar Kroatië. Volgens eiser voldoen de asielprocedure en de opvang niet aan de daaraan te stellen eisen zodat ten aanzien van Kroatië niet kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Volgens eiser is er ook informatie waaruit blijkt dat dit het geval is. Eiser wijst daarbij op het arrest Y.K waarin wordt overwogen dat de betreffende asielzoeker geen effective remedy had om zijn uitzetting aan te vechten. Dat eiser in het kader van de AMBV gereguleerd kan worden overgedragen aan de Kroatische autoriteiten doet daaraan niet af volgens eiser. Daarbij wijst eiser er ook op dat de minister er ten onrechte voor heeft gekozen om eiser niet te horen, terwijl eiser daar gelet op artikel 22 van de AMBV in beginsel wel recht op heeft. Naar de mening van eiser heeft de minister zich daarom geen voldoende op de persoonlijke situatie van eiser toegespitst oordeel kunnen vormen.

4. De rechtbank stelt voorop dat wat eiser heeft aangevoerd ook betrekking heeft op artikel 22 van de AMBV en de daarin gestelde regels over het persoonlijk onderhoud. Artikel 22 van de AMBV is niet opgenomen in artikel 43, eerste lid, van de AMBV, welk artikel de draagwijdte van het beroep beperkt tot een beoordeling van drie aspecten. De vraag of de overdracht voor eiser een reëel risico op onmenselijke of vernederende behandeling zou inhouden in de zin van artikel 4 van het Handvest is wel een van die drie aspecten. De rechtbank begrijpt dat eiser met hetgeen hij hierover heeft aangevoerd, beoogt te betogen dat hij informatie over dat aspect naar voren had kunnen brengen, indien hij wel door de minister overeenkomstig het bepaalde in artikel 22 van de AMBV was gehoord. De rechtbank zal daarom hetgeen eiser heeft aangevoerd over artikel 22 van de AMBV in het kader van de beoordeling van dat element betrekken.

5. De rechtbank stelt verder dat de minister in zijn algemeenheid ten aanzien van de lidstaten mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft dit voor Kroatië bevestigd in de uitspraken van 9 oktober 2024 en 10 december 2024. Dit betekent dat de minister in beginsel ervan uit mag gaan dat Kroatië zijn internationale verplichtingen tegenover eiser zal nakomen.

6. De rechtbank ziet in wat eiser heeft aangevoerd geen aanleiding om af te wijken van het oordeel van de Afdeling in voornoemde uitspraken dat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgegaan kan worden. Eisers verwijzing naar het arrest Y.K. verandert niets aan dit oordeel. Dit arrest gaat over een vreemdeling die illegaal inreisde en niet over een gereguleerde overdracht in het kader van de AMBV, zoals hier het geval is. Eiser heeft niet op een andere manier gesteld of aangetoond dat ten aanzien van Kroatië sprake zou zijn van ernstige, structurele tekortkomingen. Als eiser toch problemen ondervindt, mag van hem worden verwacht dat hij klaagt bij de Kroatische autoriteiten. Er is niet gebleken dat eiser dit heeft geprobeerd of dat dit voor hem niet mogelijk zal zijn.

7. Verder is niet gebleken van feiten en omstandigheden die de minister bij de beoordeling van de gestelde strijd met artikel 4 van het Handvest heeft miskend, als gevolg van de omstandigheid dat de minister eiser niet heeft gehoord. Daartoe overweegt de rechtbank het volgende. Op grond van artikel 22, tweede lid, onder c, van de AMBV kan de minister afzien van een persoonlijk onderhoud als de verzoeker, na de in artikel 19 van de AMBV bedoelde informatie te hebben ontvangen, reeds met andere middelen de informatie heeft verstrekt die relevant is om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is. De minister moet de vreemdeling dan wel in de gelegenheid stellen om alle verdere informatie te verstrekken die relevant is om op correcte wijze de verantwoordelijke lidstaat te bepalen, waaronder redenen om alsnog een persoonlijk onderhoud te overwegen. Bij brief van 26 juni 2026 heeft de minister eiser geïnformeerd dat Kroatië mogelijk verantwoordelijk is voor de aanvraag en dat eiser niet zal worden gehoord. Hij heeft eiser er hierbij op gewezen dat hij kan reageren en stukken kan opsturen. Eiser heeft van deze mogelijkheid geen gebruik gemaakt. Ook in beroep maakt eiser niet concreet welke informatie hij in relatie tot de gestelde vrees voor een situatie als bedoeld in artikel 4 van het Handvest naar voren had willen brengen.

8. De beroepsgrond slaagt niet.

Artikel 35 van de AMBV

Standpunt eiser

9. Eiser wijst op de mogelijkheid voor de minister om op grond van artikel 35 van de AMBV de aanvraag onverplicht aan zich te trekken. De minister heeft nagelaten in het besluit te motiveren waarom daar geen gebruik van is gemaakt. Eiser verwijst hierbij naar een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam, van 30 januari 2026.Rechterlijke toetsing niet beperkt door artikel 43 van de AMBV

10. Artikel 43 van de AMBV beperkt de draagwijdte van het beroep dat is gericht tegen het overdrachtsbesluit. Dat is een besluit als bedoeld in artikel 42 van de AMBV. Het gaat dan om een besluit, volgend op een aanvaarding van een overnameverzoek of een kennisgeving inzake terugname door de lidstaat die op basis van de in AMBV gestelde bindende criteria verantwoordelijk is voor de verzoeker. Artikel 35 van de AMBV gaat over de mogelijkheid voor een lidstaat om van deze verantwoordelijkheidscriteria af te wijken en om een verzoek om internationale bescherming te behandelen, ook al is die lidstaat volgens de bindende criteria van de AMBV niet verantwoordelijk voor de behandeling. De minister heeft in het beleid C2/3.6 uiteengezet dat in de regel geen gebruik wordt gemaakt van deze discretionaire bevoegdheid, tenzij dit naar het oordeel van de minister vanwege proceseconomische redenen aangewezen is.

11. De rechtbank constateert dat artikel 35 van de AMBV niet in artikel 43 van de AMBV is opgenomen. De rechtbank ziet zich daarom voor de vraag gesteld of artikel 43 van de AMBV met zich brengt dat de toepassing van artikel 35 van de AMBV is uitgesloten van rechterlijke toetsing. De rechtbank is van oordeel dat dit niet het geval is, en overweegt daartoe het volgende.

12. Een besluit om al dan niet van de in artikel 35 van de AMBV geboden mogelijkheid gebruik te maken en de keuze van de minister om zijn daartoe gestelde beleid al dan niet toe te passen, is een besluit dat naar het oordeel van de rechtbank niet met een overdrachtsbesluit gelijk kan worden gesteld. De rechtbank vindt steun voor dit standpunt in de arresten AHY en M.A. Deze arresten gaan over de artikelen 17 en 27 van de Dublinverordening (Dvo), de voorganger van de AMBV.

13. Artikel 17, eerste lid, van de Dvo is nagenoeg gelijkluidend aan artikel 35, eerste lid, van de AMBV. Artikel 27 van de Dvo gaat in op de rechtsmiddelen die een vreemdeling kan instellen tegen een overdrachtsbesluit. Zo volgt uit artikel 27 van de Dvo dat de persoon die om internationale bescherming verzoekt, het recht heeft om tegen het overdrachtsbesluit bij een rechterlijke instantie een daadwerkelijk rechtsmiddel in te stellen in de vorm van een beroep of een bezwaar ten aanzien van de feiten en het recht. De arresten M.A. en AHY gaan over de reikwijdte van dit in artikel 27 van de Dvo opgenomen recht. In arrest M.A. is overwogen dat artikel 27 van de Dvo niet uitdrukkelijk voorziet in een rechtsmiddel tegen het besluit om geen gebruik te maken van de mogelijkheid die wordt geboden in artikel 17 van de Dvo. In arrest AHY overweegt het Hof dat een besluit van een lidstaat om al dan niet de bevoegdheid opgenomen in artikel 17, eerste lid, van de Dvo uit te oefenen, een discretionair besluit is dat niet is gebaseerd op de bindende criteria waaraan die lidstaat overeenkomstig die verordening moet voldoen. Daaruit volgt volgens het Hof dat een dergelijk besluit niet kan worden gelijkgesteld met een overdrachtsbesluit in de zin van artikel 27, eerste lid, van die verordening. Ook overweegt het Hof in arrest AHY dat artikel 27 van de Dvo de lidstaten niet verplicht om te voorzien in een specifiek rechtsmiddel tegen de weigering om de door artikel 17 van die verordening toegekende discretionaire bevoegdheid uit te oefenen. Daarom kan de mogelijkheid om tegelijk met het beroep tegen het overdrachtsbesluit ook tegen die weigering op te komen alleen op het nationale recht worden gebaseerd. Tot slot wijst de rechtbank erop dat het Hof in arrest AHY ook overweegt dat een lidstaat niet kan worden verplicht om artikel 17 van de Dvo toe te passen. Als gevolg daarvan heeft een persoon die om internationale bescherming verzoekt geen enkel krachtens het Unierecht gewaarborgd recht dat een lidstaat gebiedt gebruik te maken van de discretionaire bevoegdheid die deze bepaling aan een lidstaat verleent.

14. Uit deze arresten kan naar het oordeel van de rechtbank worden opgemaakt dat er een onderscheid is tussen enerzijds een overdrachtsbesluit en anderzijds een besluit van een lidstaat om een verzoek op grond van de discretionaire bevoegdheid zelf in behandeling te nemen ook al is de lidstaat daar niet toe verplicht. Deze besluiten zijn niet met elkaar gelijk te stellen. Weliswaar is de keuze om gebruik te maken van de bevoegdheid van artikel 17 van de Dvo een “uitvoering van het Unierecht”, maar voor het overige kan uit de arresten worden opgemaakt dat de eventuele invulling en rechtsbescherming uitsluitend worden gereguleerd door het nationale recht.

15. De overwegingen van het Hof over de verhouding tussen de artikelen 27 en 17 van de Dvo en in het bijzonder over de vraag of het recht op een rechtsmiddel als verwoord in artikel 27 van de Dvo zich ook uitstrekt tot een besluit over het al dan niet toepassen van artikel 17 van de Dvo, zijn naar het oordeel van de rechtbank onverkort van toepassing op de AMBV en de verhouding tussen de artikelen 43 en 35 van de AMBV. Zoals hierboven al is opgemerkt, is artikel 35, eerste lid, van de AMBV vrijwel gelijkluidend aan artikel 17, eerste lid, van de Dvo. In artikel 43 van de AMBV is verder eenzelfde recht opgenomen als in artikel 27 van de Dvo. De tekst komt wat betreft het recht op een rechtsmiddel tegen het overdrachtsbesluit volledig overeen.

16. Het is vervolgens dát rechtsmiddel tegen het overdrachtsbesluit dat in draagwijdte wordt beperkt tot de in artikel 43, eerste lid, van de AMBV genoemde aspecten. Naar het oordeel van de rechtbank brengt het voorgaande met zich dat artikel 43 van de AMBV en de daarin opgenomen beperkingen van het rechtsmiddel alleen betrekking hebben op het overdrachtsbesluit en zich niet uitstrekken tot de rechterlijke toetsing van de toepassing van artikel 35 van de AMBV. Artikel 43 van de AMBV beperkt de rechterlijke toetsing van een besluit van de minister om al dan niet gebruik te maken van de in artikel 35 van de AMBV opgenomen discretionaire bevoegdheid naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet. Wel een inhoudelijk beperkte toets

17. In het verlengde hiervan merkt de rechtbank op dat uit het arrest AHY ook voortvloeit dat de discretionaire bevoegdheid om een verzoek in behandeling te nemen aan geen enkele specifieke voorwaarde is verbonden. De bevoegdheid biedt de mogelijkheid om zelfstandig – uit politieke, humanitaire of praktische overwegingen – te besluiten een verzoek om internationale bescherming te behandelen, ook al is de lidstaat daar niet toe verplicht. De minister heeft in het beleid C2/3.6 uiteengezet dat hier alleen gebruik van wordt gemaakt in geval proceseconomische redenen daar aanleiding toe geven. Gelet op de vrijheid van de minister om al dan niet voor de toepassing van artikel 35 van de AMBV te kiezen, staat het naar het oordeel van de rechtbank de minister ook vrij om die discretionaire bevoegdheid op deze manier in te vullen.

18. In het bestreden besluit heeft de minister naar dit beleid verwezen en zich op het standpunt gesteld dat in het voorliggende geval daarin geen aanleiding is gezien om artikel 35 van de AMBV toe te passen. In zoverre betoogt eiser ten onrechte dat het niet toepassen van artikel 35 van de AMBV niet is gemotiveerd. Eiser heeft verder in beroep niets aangevoerd over de onjuiste toepassing van artikel 35 van de AMBV en het in dat kader gevoerde beleid. De beroepsgrond slaagt dan ook niet.

Conclusie en gevolgen

19. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.J. Blok, rechter, in aanwezigheid van

S.N. Lekatompessij, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

07 september 2026

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen twee weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand