RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[verzoeker] , V-nummer: [V-nummer] , verzoeker
de minister van Asiel en Migratie,
Samenvatting
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.41482
(gemachtigde: mr. G.J. Dijkman),
en
(gemachtigde: Y.E.C. Thole).
1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de afwijzing van de aanvraag van verzoeker. Verzoeker is het hier niet mee eens. Hij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter treft in deze uitspraak een voorlopige voorziening die inhoudt dat verzoeker per 1 oktober 2026 dient te worden behandeld als ware hij in het bezit van een geldige mvv, als de minister niet uiterlijk op 30 september 2026 op het bezwaar van verzoeker heeft beslist. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Verzoeker heeft op 24 februari 2025 een aanvraag ingediend voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) met als verblijfsdoel ‘verblijf als familie- of gezinslid bij [referent] (referent). De minister heeft de aanvraag van verzoeker met het besluit van 11 juni 2026 afgewezen. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 26 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: referent, J.M. van Noord als waarnemer van de gemachtigde van verzoeker, M. Gure als tolk en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Totstandkoming van het besluit
3. Verzoeker, geboren op [geboortedatum] 2009, heeft samen met zijn stiefmoeder, halfbroers en halfzus een aanvraag ingediend voor een mvv met als verblijfsdoel ‘verblijf als familie- of gezinslid bij [referent] (referent). Referent is de halfbroer van verzoeker en is in het bezit van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag van de stiefmoeder, halfbroers en halfzus ingewilligd.
De minister heeft de aanvraag van verzoeker afgewezen omdat er geen sprake is van hechte persoonlijke banden tussen verzoeker en referent en de andere halfbroers en halfzus. Verzoeker en referent hebben namelijk nooit samengewoond en andere feiten en omstandigheden die kunnen duiden op hechte persoonlijke banden zijn ook niet gebleken. Verzoeker heeft wel sinds begin 2024 met zijn andere halfbroers en halfzus samengewoond, maar de enkele samenwoning is onvoldoende voor het aannemen van hechte persoonlijke banden. Ook hier is niet gebleken van feiten en of omstandigheden die de gebruikelijke rol tussen (half)broers en zussen overstijgt. Ten aanzien van de band tussen verzoeker en zijn stiefmoeder, stelt de minister dat ook tussen hen geen sprake is van hechte persoonlijke banden. De enkele samenwoning sinds begin 2024 is, volgens de minister onvoldoende. Er is niet gebleken dat verzoeker afhankelijk was van de dagelijkse zorg van zijn stiefmoeder. En ook andere feiten en omstandigheden die duiden op hechte persoonlijke banden zijn niet gebleken. Omdat de minister er gezien het voorgaande vanuit gaat dat er geen familie- of gezinsleven bestaat, heeft hij geen belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM gemaakt.
Het verzoek
4. Verzoeker vraagt de voorzieningenrechter primair om te bepalen dat de minister hem dient te behandelen als ware hij in het bezit van een mvv. Subsidiair vraagt hij de voorzieningenrechter om te bepalen dat de minister op zeer korte termijn op zijn bezwaar beslist. Ter zitting heeft verzoeker verduidelijkt dat hij met zijn subsidiaire verzoek beoogt dat de minister hem dient te behandelen als ware hij in het bezit van een mvv indien de minister niet op 30 september 2026 op zijn bezwaar zal hebben beslist. Verzoeker heeft daarbij aangevoerd dat er sprake is van een spoedeisend belang. Zijn stiefmoeder, halfbroers en halfzus hebben wel een mvv toegekend gekregen en hebben deze inmiddels opgehaald. Zij kunnen vanwege de medische situatie van (stief)moeder niet (lang) wachten om naar Nederland af te reizen, zodat zij de voor haar noodzakelijke zorg kan ontvangen. Verzoeker dreigt als minderjarige alleen achter te blijven in [plaats 2] .
Verzoeker is het niet eens met de afwijzing. Hij stelt zich, onder verwijzing naar artikel B7/3.8.1 van de Vreemdelingencirculaire (Vc), op het standpunt dat de minister ten onrechte heeft beoordeeld of tussen verzoekers en zijn halfbroertjes en zusje sprake is van hechte persoonlijke banden. De minister betwist niet dat zij bloedverwanten zijn, dat verzoeker en halfbroer [naam] sinds 2017 samen bij opa verbleven en dat verzoeker daarna begin 2024 is opgenomen in het gezin van stiefmoeder en overige halfbroertjes en zusje. In dat geval neemt de minister op grond van eigen beleid aan dat sprake is van familie- of gezinsleven als bedoeld in artikel 8 EVRM. De minister dient daarom een belangenafweging te maken, hetgeen hij in het primaire besluit ten onrechte heeft nagelaten. Ten aanzien van de band met zijn stiefmoeder stelt verzoeker zich op het standpunt dat de minister ten onrechte heeft gesteld dat hij als 16-jarige niet afhankelijk is van haar zorg. Verzoeker is emotioneel en praktisch afhankelijk van zijn stiefmoeder. De noodzakelijke zorg kan noch in [plaats 2] noch in Somalië door iemand anders worden verleend aangezien zijn moeder en opa zijn overleden en zijn vader vermist is. De stiefmoeder van verzoeker vervult de dagelijkse verzorgings- en opvoedingsrol. Verzoeker heeft tevens verklaard dat zijn stiefmoeder voor eten en kleding zorgt, zij kleding wast en dat hij financieel afhankelijk van haar is. Daarnaast wijst verzoeker op het beleid van de minister zoals opgenomen in artikel B7/3.7.2 van de Vc. Verzoeker stelt dat hierin is bepaald dat als een pleegkind minimaal één jaar in het land van herkomst is verzorgd en opgevoed door de pleegouders omdat de eigen ouders zijn overleden, sprake is van gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM. Volgens verzoeker wordt aan deze voorwaarde voldaan.
Beoordeling van het verzoek
5. Ter onderbouwing van de medische situatie van zijn stiefmoeder heeft verzoeker stukken overgelegd het [ziekenhuis] in [plaats 1] , Somalië. Daaruit komt naar voren dat sprake is van een ernstige medische aandoening waarvoor spoedige behandeling noodzakelijk is, welke behandeling in Somalië niet beschikbaar is. De voorzieningenrechter heeft verzocht om met stukken te onderbouwen dat de stiefmoeder van verzoeker in [plaats 2] , waar het gezin op dit moment verblijft, niet de nodige zorg kan ontvangen en zij de bezwaarprocedure niet kan afwachten. Verzoeker heeft de voorzieningenrechter laten weten dat dergelijke stukken er niet zijn en dat de stiefmoeder niet de zorg krijgt die zij nodig heeft. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om te denken dat de situatie van stiefmoeder is verbeterd. Referent heeft ter zitting zelfs verklaard dat de situatie is verslechterd en dat zij dagelijks veel pijn heeft. Daarnaast heeft de minister in de medische situatie van stiefmoeder aanleiding gezien om zowel haar aanvraag als het bezwaar van verzoeker met voorrang te behandelen zodat de stiefmoeder niet onnodig lang hoeft te wachten voor zij naar Nederland kan reizen.
Ter zitting is bevestigd dat de mvv-stickers op 6 augustus 2026 zijn opgehaald, zodat de stiefmoeder en de halfbroers en halfzus van verzoekers uiterlijk op 4 november 2026 moeten inreizen.
Daarnaast neemt de voorzieningenrechter voorlopig aan dat verzoeker alleen zou achterblijven wanneer de stiefmoeder naar Nederland zou reizen. Het is naar het oordeel van de voorzieningenrechter onvoldoende duidelijk of verzoeker vervolgens voldoende zelfredzaam is om zich gedurende langere tijd zelfstandig te handhaven. Gezien zijn leeftijd en zijn verklaring gaat de voorzieningenrechter daar niet op voorhand vanuit. De stelling van de minister ter zitting dat verzoeker eerder ook ‘door boeren uit het dorp’ werd geholpen (toen hij bij zijn inmiddels overleden opa in Somalië woonde), vindt de voorzieningenrechter volstrekt onvoldoende om ervan uit te gaan dat verzoeker beschikt over een vangnet of steunnetwerk nu hij in [plaats 2] verblijft. Ook anderszins blijkt daarvan niet uit het dossier. De rechtbank neemt daarom aan dat verzoeker een spoedeisend belang heeft.
6. De voorzieningenrechter overweegt dat de primair gevraagde voorziening geen voorlopig karakter heeft. De feitelijke gevolgen van het uitgangspunt dat verzoeker wordt behandeld alsof hij in het bezit is van een geldige mvv, komen er immers op neer dat het voor hem mogelijk wordt om naar Nederland te reizen, zonder dat de minister vooraf heeft kunnen toetsen of aan alle voorwaarden voor het beoogde verblijfsdoel wordt voldaan. De beoordeling hiervan is in eerste instantie aan de minister. Toewijzing van de gevraagde voorziening zou betekenen dat de minister voor een voldongen feit wordt gesteld. Voor zo’n vergaande beslissing is in beginsel alleen plaats wanneer een zwaarwegend spoedeisend belang daartoe dwingt en sterk getwijfeld moet worden aan de rechtmatigheid van het besluit.
7. De gemachtigde van de minister heeft ter zitting erkend dat er ten onrechte is getoetst of er hechte persoonlijke banden bestaan tussen verzoeker en zijn halfbroers en halfzus. Uit artikel B7/3.8.1 van de Vc vloeit namelijk voort dat er wordt aangenomen dat tussen verzoeker en de halfbroers en halfzus met wie hij samen heeft geleefd, sprake is van familie- of gezinsleven. De minister dient in de beslissing op bezwaar daarom alsnog een belangenafweging te maken in het kader van artikel 8 van het EVRM.
Ten aanzien van de band tussen verzoeker en zijn stiefmoeder overweegt de voorzieningenrechter, voorlopig oordelend, dat de minister in het besluit onvoldoende heeft gemotiveerd dat er geen sprake is van hechte persoonlijke banden. Uit de verklaringen van verzoeker blijkt dat hij in ieder geval financieel en emotioneel afhankelijk is van zijn stiefmoeder, nu zijn moeder is overleden en zijn vader vermist is. Daarnaast hebben zowel verzoeker als zijn stiefmoeder verklaard dat zij ook andere verzorgingstaken verricht. In het besluit is gerefereerd aan wat stiefmoeder verklaarde, namelijk dat de situatie van verzoeker hetzelfde als is die van zijn halfbroer [naam] , aan wie wel een mvv is toegekend. In het geval van [naam] is een andere beoordeling gemaakt, omdat hij een biologisch kind is van zijn moeder in tegenstelling tot verzoeker die een stiefkind is. Echter, de voorzieningenrechter acht de geschetste – gelijke – feitelijke situatie van [naam] en Ayub, in het kader van de beoordeling van de band tussen verzoeker en zijn stiefmoeder, wel relevant. Daarnaast is de omstandigheid dat verzoeker sinds begin 2024 bij zijn stiefmoeder woont een factor die ten onrechte niet in de beoordeling is betrokken. Verder is de omstandigheid dat verzoeker alleen (in [plaats 2] ) achter blijft een relevante factor bij de beoordeling of er sprake is van hechte persoonlijke banden. De stelling van de minister dat er mogelijk in Somalië nog mensen zijn die voor verzoeker kunnen zorgen is niet onderzocht en volgt niet direct uit het dossier zoals dat bij de voorzieningenrechter voorligt, zoals hiervoor al is geoordeeld. Het voorgaande leidt tot het oordeel dat sprake is van twijfel over de rechtmatigheid van het primaire besluit in het licht van artikel 8 van het EVRM.
8. De voorzieningenrechter acht het spoedeisend belang van verzoeker op dit moment nog niet zo zwaarwegend dat dit het treffen van de primair gevraagde voorziening rechtvaardigt. De gevraagde voorziening heeft geen voorlopig karakter en is verstrekkend. In de beslissing op bezwaar dient de minister een belangenafweging te maken in het kader van artikel 8 van het EVRM vanwege verzoekers familie- en gezinsleven met zijn halfbroers en halfzus. Daarnaast moet de minister opnieuw beoordelen of sprake is van familieleven tussen verzoeker en zijn stiefmoeder en voor zover daarvan sprake zou zijn, dient de minister ook in dat kader nog een belangenafweging te maken. De voorzieningenrechter kan in beginsel niet op deze beoordeling vooruit lopen. Ook blijkt niet uit de omstandigheden van verzoeker dat de nadelige gevolgen van de afwijzing van het verzoek van verzoeker in verhouding tot het belang van de minister bij handhaving van die afwijzing zo onevenredig zijn, dat het besluit op bezwaar niet nog enige tijd kan worden afgewacht. Hierbij speelt een rol dat de minister heeft toegezegd om, met het oog op de medische situatie van stiefmoeder, uiterlijk op 30 september 2026 een beslissing te nemen op het bezwaar van verzoeker. Referent heeft ter zitting verklaard dat de huur in ieder geval tot die datum betaald is. En hoewel de medische situatie zorgelijk is, is niet met medische stukken onderbouwd dat niet tot 30 september 2026 kan worden gewacht. De voorzieningenrechter ziet daarom geen aanleiding om het primaire verzoek toe te wijzen.
9. Ten aanzien van het subsidiaire verzoek overweegt de voorzieningenrechter als volgt. De minister heeft in zijn brief van 19 augustus 2026 meegedeeld dat verzoeker ‘mogelijk’ nog moet worden gehoord, maar ter zitting (met nog slechts vijf weken tot 30 september) nog niet kunnen verduidelijken of dat wel of niet gaat gebeuren. Niettemin gaat de minister ervan uit dat hij uiterlijk op 30 september 2026 kan beslissen op het bezwaar. De voorzieningenrechter ziet in dat door de stiefmoeder niet veel langer gewacht kan worden – zoals tussen partijen ook niet in geschil is. Gezien de onduidelijkheid over het horen van verzoeker, het voorlopig rechtmatigheidsoordeel en de spoedeisendheid die steeds groter wordt, acht de voorzieningenrechter het in dit geval passend om als stok achter de deur een voorlopige voorziening te treffen. Deze voorlopige voorziening treedt alleen in, als de minister niet uiterlijk op de door hem toegezegde datum van 30 september 2026 op het bezwaar van verzoeker zal hebben beslist. Als de minister niet uiterlijk op 30 september 2026 op het bezwaar zal hebben beslist, moet de minister verzoeker per 1 oktober 2026 behandelen als ware hij in het bezit is van een geldige mvv.
Conclusie en gevolgen
10. De voorzieningenrechter wijst het (subsidiaire) verzoek toe en treft de voorlopige voorziening zoals vermeld in overweging 9.
Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst moet de minister het griffierecht aan verzoeker vergoeden. Verzoeker krijgt ook een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt verzoeker een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft het verzoekschrift ingediend en aan de zitting deelgenomen. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 934,-. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.868,-.
Beslissing
De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe in die zin dat verzoeker per 1 oktober 2026 dient te worden behandeld als ware hij in het bezit van een geldige mvv, als de minister niet uiterlijk op 30 september 2026 op het bezwaar van verzoeker heeft beslist;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan verzoekster;
- draagt de minister op het door verzoeker betaalde griffierecht te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. O. Veldman, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. N.J. Biswane, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 8 september 2026.