Coöperatie Mobilisation for the Environment U.A.,
Stichting Mobilisation for the Environment, beide uit Nijmegen,
samen: verzoeksters
(gemachtigde: mr. D. Delibes)
en
het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland, het college,
(gemachtigden: mr. I.W.A. Blom en mr. T. van Ooijen).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: Maatschap [vergunninghoudster] uit [vestigingsplaats], vergunninghoudster,
(gemachtigde: [gemachtigde]).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het verzoek van verzoeksters om een veroordeling van het college in de proceskosten. Verzoeksters hebben dit verzoek gedaan bij de intrekking van hun beroep tegen het besluit van het college van 3 mei 2024 (het bestreden besluit).
De rechtbank heeft het college in de gelegenheid gesteld te reageren op het verzoek om veroordeling in de proceskosten. Bij brief van 11 augustus 2026 heeft het college de rechtbank bericht dat het bestreden besluit op verzoek van vergunninghoudster is ingetrokken en dat het college zich refereert aan het oordeel van de rechtbank over het verzoek.
De rechtbank doet zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank wijst het verzoek om proceskostenveroordeling af. Zij legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
Wanneer wordt een bestuursorgaan in de proceskosten veroordeeld?
3. Als een beroep wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, kan de bestuursrechter op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten.
Is het college aan verzoeksters tegemoetgekomen?
4. Op 14 juni 2024 hebben verzoeksters beroep ingesteld tegen het bestreden besluit waarin aan vergunninghoudster een natuurvergunning is verleend. Met het besluit van 16 juni 2026 heeft het college het bestreden besluit ingetrokken. Daarmee is het door verzoeksters beoogde resultaat van de beroepsprocedure bereikt. Het intrekkingsbesluit is echter genomen op verzoek van vergunninghoudster en daarmee op andere gronden dan verzoeksters in beroep hebben aangevoerd. Hiermee is het college niet geheel of gedeeltelijk tegemoetgekomen aan het beroep van verzoeksters in de zin van artikel 8:75a van de Awb. De rechtbank wijst het verzoek daarom als kennelijk ongegrond af.
Beslissing
De rechtbank wijst het verzoek om vergoeding van de proceskosten af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C. de Winter, rechter, in aanwezigheid van mr. L.F.A. Bouwens-Bos, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 2 september 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.