RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam] , eiser,
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.51883
v-nummer: [v-nummer] ,
(gemachtigde: mr. M.H.K. van Middelkoop),
en
(gemachtigde: mr. D.J. Halbesma).
Procesverloop
1. De minister heeft op 15 juni 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw opgelegd. De maatregel duurt nog voort.
De minister heeft een kennisgeving voortduring bewaring aan de rechtbank verzonden. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep.
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hier op
7 september 2026 op gereageerd.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek op 7 september 2026 gesloten.
Overwegingen
2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 25 juni 2026 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom staat nu alleen ter beoordeling of de maatregel van bewaring rechtmatig is sinds het sluiten van dat onderzoek op 19 juni 2026.
3. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij het beroep op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
Standpunten eiser
4. Eiser stelt zich op het standpunt dat er geen zicht bestaat op uitzetting binnen een redelijke termijn. De laissez-passer aanvraag is op 19 juni 2026 ingediend bij de Algerijnse vertegenwoordiging. Vervolgens is op 20 augustus 2026 de nationaliteit van eiser bevestigd. Desondanks is er tot op heden geen laissez-passer afgegeven.
Beoordeling rechtbank
5. De rechtbank oordeelt dat zicht op uitzetting naar Algerije bestaat. Zoals ook in de vorige uitspraak is overwogen, ontbreekt zicht op uitzetting naar Algerije binnen een redelijke termijn in zijn algemeenheid niet. De rechtbank ziet geen aanleiding om in het geval van eiser anders te oordelen. Uit het voortgangsrapport blijkt dat eiseres nationaliteit op 20 augustus 2026 door de diplomatieke vertegenwoordiging van Algerije is bevestigd. Daarbij staat vermeld dat op verzoek van de consul eiser eerst gepresenteerd dient te worden alvorens zal worden overgegaan tot afgifte van een laissez-passer. De laissez-passer aanvraag is dus nog steeds in onderzoek en niet is gebleken dat de Algerijnse autoriteiten geen laissez-passer zullen verstrekken. Daar komt bij dat de minister afhankelijk is van de medewerking van de Algerijnse autoriteiten.
Verder is de rechtbank van oordeel dat de minister sinds het sluiten van het onderzoek in de vorige procedure voldoende voortvarend heeft gehandeld. Er hebben op
15 juli 2026 en 1 september 2026 vertrekgesprekken plaatsgevonden. Daarnaast stond op
25 augustus 2026 een vertrekgesprek gepland, maar dit kon (niet verwijtbaar) niet doorgaan. Ook is op 16 juli 2026, 30 juli 2026 en 20 augustus 2026 gerappelleerd bij de Algerijnse autoriteiten. Eisers nationaliteit is vervolgens op 20 augustus 2026 bevestigd door de Algerijnse autoriteiten. De rechtbank is van oordeel dat de minister daarmee voldoende voortvarend handelt.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser in onderhavige procedure geen omstandigheden aangevoerd die aanleiding geven om te oordelen dat een lichter middel zou kunnen volstaan of dat het voortzetten van de vreemdelingenbewaring niet langer gerechtvaardigd zou zijn.
De rechtbank ziet ook voor het overige geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring in de periode tussen het sluiten van het vorige onderzoek en het sluiten van het onderhavige onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.J. van der Veen, rechter, in aanwezigheid van
mr. N. Wetterauw, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.