RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
de minister van Asiel en Migratie,
Samenvatting
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.42278
(gemachtigde: mr. C.T.W. van Dijk),
en
(gemachtigde: mr. J.C. Ohrtman).
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het besluit van 6 augustus 2025 (het bestreden besluit). De minister heeft het bezwaar van eiser tegen de kennisgeving van de gewijzigde identiteitsgegevens kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. Eiser is het daar niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de niet-ontvankelijkverklaring.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is, Eiser krijgt dus geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft op 9 februari 2025 een asielaanvraag ingediend, waarbij hij als geboortedatum [geboortedatum 1] 2008 heeft opgegeven. Omdat bij de minister twijfel bestond over zijn minderjarige geboortedatum en eiser door Spanje is gereisd, heeft de minister onderzoek gedaan naar de registratie van eisers geboortedatum in Spanje. Uit het onderzoek blijkt dat eiser in Spanje geregistreerd staat met de geboortedatum [geboortedatum 2] 1999. Naar aanleiding hiervan heeft de minister met de kennisgeving wijziging leeftijdsgegevens (hierna: kennisgeving) van 21 mei 2025 aan eiser laten weten dat zijn geboortedatum is aangepast naar [geboortedatum 2] 1999.
Eiser heeft op 6 juni 2025 bezwaar gemaakt tegen de kennisgeving. De minister heeft het bezwaar van eiser met het bestreden besluit van 6 augustus 2025 kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.
Eiser heeft op 2 september 2025 beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Daarnaast heeft eiser verzocht om een voorlopige voorziening te treffen waarbij de voorzieningenrechter bepaalt dat eiser als minderjarige wordt aangemerkt.
De rechtbank heeft de behandeling van het beroep op 16 maart 2026 aangehouden, omdat er geen tolk beschikbaar was. De rechtbank heeft vervolgens op 20 mei 2026 het beroep samen met het verzoek om een voorlopige voorziening op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, E. Touray Sonko als tolk en de gemachtigde van de minister. Ook de voogd van eiser was aanwezig.
Beoordeling door de rechtbank
Verzoek om vrijstelling griffierecht
3. Eiser heeft verzocht om vrijstelling van het betalen van het griffierecht. De rechtbank ziet aanleiding om dit verzoek toe te wijzen. Eiser hoeft dus geen griffierecht te betalen.
Wat zijn de standpunten van partijen?
4. De minister stelt zich op het standpunt dat de kennisgeving geen appellabel besluit is, als bedoeld in artikel 6:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De minister verwijst daartoe naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 18 december 2024. Het bezwaar van eiser is daarom volgens de minister in het besluit van 6 augustus 2025 terecht kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.
5. Eiser voert aan dat de verwijzing van de minister naar de uitspraak van de Afdeling van 18 december 2024 niet opgaat, omdat de Afdeling slechts op een bepaald aantal gevolgen van de kennisgeving is ingegaan. Volgens eiser is hij rechtstreeks in zijn belangen getroffen door de kennisgeving die ertoe leidt dat hij als meerderjarige wordt beschouwd. Eiser stelt dat dat het geval is, omdat:
- Een minderjarige vreemdeling in een opvang voor minderjarigen kan verblijven;
- Een minderjarige vreemdeling recht heeft op onderwijs en een voogd vanuit Nidos krijgt;
- Een minderjarige vreemdeling extra procedurele waarborgen krijgt gedurende de asielprocedure;
- Een minderjarige vreemdeling een nareisprocedure kan opstarten.
Eiser wijst erop dat er tijdens de gehoren bijvoorbeeld rekening wordt gehouden met de wijze waarop vragen worden gesteld. Ook dient het belang van het kind voorop te staan bij elke beslissing die het kind aangaat. Dit wordt eiser allemaal onthouden, indien hij gedurende de asielprocedure wordt beschouwd als meerderjarige vanwege een onjuiste leeftijdsregistratie. Eiser meent dan ook, in tegenstelling tot de minister, dat niet gewacht kan worden tot er een besluit in de asielprocedure komt. Een rechtsmiddel achteraf kan de procedurele waarborgen die tijdens de asielprocedure hadden moeten worden toegepast niet compenseren.
Is er sprake van een appellabel besluit?
6. De Afdeling heeft in de uitspraak van 18 december 2024 geoordeeld dat de kennisgeving weliswaar een besluit is, maar dat het dient ter voorbereiding van het besluit op de asielaanvraag en dat het daarom in beginsel geen appellabel besluit is. Dit is anders als een vreemdeling rechtstreeks in zijn belang wordt geraakt. De rechtbank oordeelt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij door de kennisgeving rechtstreeks in zijn belang wordt geraakt. De rechtbank licht dit als volgt toe.
Opvang
De Afdeling heeft in de uitspraak van 25 maart 2026 geoordeeld dat de overplaatsing naar een opvang voor meerderjarigen geen rechtstreeks gevolg is van de kennisgeving. Het Centraal Orgaan asielzoekers (COa) beslist namelijk uiteindelijk tot overplaatsing, en heeft daarbij een eigen verantwoordelijkheid. Deze overplaatsing is vatbaar voor bezwaar en beroep, en in die procedure kan aan de orde worden gesteld of het het COa uit mocht gaan van de door de minister vastgestelde leeftijd.
Onderwijs en voogd
Eiser heeft niet inzichtelijk gemaakt dat de kennisgeving gevolgen heeft gehad voor zijn toegang tot onderwijs. Verder is op de zitting gebleken dat eiser nog steeds een voogd heeft van stichting Nidos. De Afdeling heeft in de uitspraak van 18 december 2024 ook toegelicht dat de voogdijmaatregel niet van rechtswege vervalt door de kennisgeving.
Nareisprocedure opstarten
Op de zitting heeft eiser toegelicht dat er bij alleenstaande meerderjarige vreemdelingen (amv’ers) sneller op de asielaanvraag wordt beslist, en dat daarmee eerder een nareisprocedure kan worden opgestart. Eiser heeft deze stelling echter niet onderbouwd, en de minister heeft op de zitting betwist dat er bij amv’ers sneller wordt beslist. De rechtbank volgt eiser dus niet dat hier een belang in is gelegen.
Procedurele waarborgen
Anders dan de minister op zitting heeft gesteld, zijn er wel degelijk afzonderlijke procedurele waarborgen voor een minderjarige vreemdeling, die niet ingelezen kunnen worden in de algemene regel dat de minister rekening moet houden met het referentiekader. Waarborgen voor minderjarigen zijn bijvoorbeeld opgenomen in artikel 3.109d, vierde en vijfde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000. Ook de Procedurerichtlijn kent waarborgen voor (niet-begeleide) minderjarigen. Uit overweging 33 van de Preambule van de Procedurerichtlijn volgt dat het belang van het kind bij de toepassing van deze richtlijn een eerste overweging van de lidstaten moet zijn, overeenkomstig artikel 24 van het EU Handvest en artikel 3 van het IVRK. Op grond van artikel 15, derde lid, aanhef en onder e, van de Procedurerichtlijn moeten de lidstaten ervoor zorgen dat het gehoor in zodanige omstandigheden plaatsvindt dat de minderjarige vreemdeling zijn gronden uitvoerig uiteen kan zetten, en dat het gehoor met een minderjarige wordt afgenomen op een kindvriendelijke manier. Ook moeten de lidstaten er, op grond van artikel 25, derde lid, van de Procedurerichtlijn, voor zorgen dat een niet-begeleide minderjarige persoonlijk wordt gehoord door een persoon die de nodige kennis heeft van de bijzondere behoeften van minderjarigen, en dat een ambtenaar die beschikt over de nodige kennis van de bijzondere behoeften van minderjarigen de beslissing van de beslissingsautoriteit met betrekking tot het verzoek van een niet-begeleide minderjarige voorbereidt.
Dat de kennisgeving gevolgen kan hebben voor de asielprocedure, betekent echter nog niet dat sprake is van een appellabel besluit. Als de procedurele waarborgen niet in acht worden genomen, kan eiser daartegen opkomen als eenmaal een besluit op zijn asielaanvraag is genomen. Als eiser dan gevolgd wordt in zijn gestelde minderjarigheid, zal de minister opnieuw een besluit op de asielaanvraag moeten voorbereiden en nemen, waarbij hij rekening zal moeten houden met de minderjarigheid van eiser. De rechtbank is daarom van oordeel dat eiser ook op dit punt niet rechtstreeks in zijn belangen wordt geraakt.
Conclusie en gevolgen
7. Gelet op het voorgaande heeft de minister het bezwaar van eiser terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Loman, rechter, in aanwezigheid van mr. S.J. Valk, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op 22 juni 2026
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.