Rechtbank DEN HAAG
Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummers: 09/042631-25 en 09/084601-25 (ttz. gev.)
Datum uitspraak: 12 februari 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[de verdachte] ,
geboren op [geboortedatum 1] 2003 te [geboorteplaats] ,
op dit moment gedetineerd in de penitentiaire inrichting [plaats] ,
locatie [locatie] .
1. Het onderzoek ter terechtzitting
Het onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 11 augustus 2025 (pro forma), 3 november 2025 (pro forma) en 29 januari 2026 (inhoudelijke behandeling).
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie
mr. N. Bakker en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsvrouw mr. J.A.J. Brahm naar voren is gebracht.
2. De tenlastelegging
Aan de verdachte is - na wijziging - ten laste gelegd dat:
Dagvaarding I (09/042631-25)
1.
primair
hij op of omstreeks 28 januari 2025 te Den Haag, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om [benadeelde 1] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven te beroven
- naar Den Haag en/of Garage Zuiderpark zijn/is gereden en/of zich heeft/hebben laten rijden en/of alwaar (een van) de mededader(s)
- een wapen heeft getrokken en/of
- dit wapen heeft gericht op het hoofd althans het lichaam van die [benadeelde 1] en/of (daarbij) meerdere malen de trekker heeft overgehaald en/of
- [benadeelde 1] (meerdere malen) in het been heeft geschoten,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden
een of meer onbekend gebleven perso(o)(en) en/of [medeverdachte 1] op of omstreeks 28 januari 2025 te Den Haag, in elk geval in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door hen/hem voorgenomen misdrijf om
[benadeelde 1] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven te beroven
- naar Den Haag en/of Garage Zuiderpark zijn/is gereden en/of zich hebben/heeft
laten rijden en/of alwaar een van de onbekend gebleven daders en/of [medeverdachte 1]
- een wapen heeft getrokken en/of
- dit wapen heeft gericht op het hoofd althans het lichaam van die [benadeelde 1] en/of (daarbij) meerdere malen de trekker heeft overgehaald en/of
- [benadeelde 1] (meerdere malen) in het been heeft geschoten,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid
tot en/of bij het plegen van voornoemd misdrijf verdachte in of omstreeks de
periode van 27 januari 2025 tot en met 28 januari 2025 te Den Haag, in elk geval in
Nederland opzettelijk behulpzaam is geweest en gelegenheid en/of middelen heeft
verschaft, door
- zijn, verdachtes auto ter beschikking te stellen en/of
- deze op 27 januari 2025 te (laten) gebruiken voor een voorverkenning en/of
- daarmee op 28 januari 2025 als chauffeur de schutter naar Den Haag te brengen en/of
- ( vervolgens) daar op hem te wachten en/of
- hem ( vervolgens) na de schietpartij te helpen vluchten althans hem als chauffeur
na de schietpartij weer weg te brengen;
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden
hij op of omstreeks 28 januari 2025 te Den Haag, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade zwaar lichamelijk letsel, te weten een schotwond en/of (gecompliceerde) beenbreuk (met als gevolg een of meer operatie(s) waarbij onder andere een schroef/plaatfixatie noodzakelijk was) heeft toegebracht aan [benadeelde 1] , immers heeft hij, verdachte en/of zijn mededader meerdere malen althans eenmaal in de richting van genoemde [benadeelde 1] geschoten, waardoor/waarbij [benadeelde 1] in het been is geraakt;
meest subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden
een of meer onbekend gebleven perso(o)(en) en/of [medeverdachte 1] op of omstreeks 28 januari 2025 te Den Haag, in elk geval in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade zwaar lichamelijk letsel, te weten een schotwond en/of (gecompliceerde) beenbreuk (met als gevolg een of meer operatie(s) waarbij onder andere een schroef/plaatfixatie noodzakelijk was) heeft toegebracht aan [benadeelde 1] , immers heeft een van de onbekend gebleven daders en/of
[medeverdachte 1] meerdere malen althans eenmaal in de richting van genoemde [benadeelde 1] geschoten, waardoor/waarbij [benadeelde 1] in het been is geraakt;
tot en/of bij het plegen van voornoemd misdrijf verdachte in of omstreeks de
periode van 27 januari 2025 tot en met 28 januari 2025 te Den Haag, in elk geval in
Nederland opzettelijk behulpzaam is geweest en gelegenheid en/of middelen heeft
verschaft, door
- zijn, verdachtes auto ter beschikking te stellen en/of
- deze op 27 januari 2025 te (laten) gebruiken voor een voorverkenning en/of
- daarmee op 28 januari 2025 als chauffeur de schutter naar Den Haag te brengen en/of
- ( vervolgens) daar op hem te wachten en/of
- hem ( vervolgens) na de schietpartij te helpen vluchten althans hem als chauffeur
na de schietpartij weer weg te brengen;
2.
primair
hij in of omstreeks de periode van 26 januari 2025 tot en met 28 januari 2025 te Den Haag, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen
ter voorbereiding van een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van 8 jaren of meer is gesteld, te weten (een poging tot) het opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven beroven (artikel 289 Wetboek van Strafrecht) en/of het opzettelijk en met voorbedachten rade zwaar mishandelen (artikel 302 en 303 Wetboek van Strafrecht) van [benadeelde 2] ,
opzettelijk voorwerpen, stoffen, informatiedragers, ruimten en/of vervoermiddelen, te weten
bestemd tot het begaan van dat misdrijf heeft verworven, vervaardigd, ingevoerd, doorgevoerd, uitgevoerd en/of voorhanden heeft gehad;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden
een of meer onbekend gebleven perso(o)(en) en/of [medeverdachte 1] in of omstreeks de periode van 26 januari 2025 tot en met 28 januari 2025 te Den Haag, in elk geval in Nederland
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter voorbereiding van een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van 8 jaren of meer is gesteld, te weten (een poging tot) het opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven beroven (artikel 289 Wetboek van Strafrecht) en/of het opzettelijk en met voorbedachten rade zwaar mishandelen (artikel 302 en 303 Wetboek van Strafrecht) van [benadeelde 2] ,
opzettelijk voorwerpen, stoffen, informatiedragers, ruimten en/of vervoermiddelen, te weten
bestemd tot het begaan van dat misdrijf heeft verworven, vervaardigd, ingevoerd, doorgevoerd, uitgevoerd en/of voorhanden heeft gehad;
tot en/of bij het plegen van voornoemd misdrijf verdachte in of omstreeks de periode van
26 januari 2025 tot en met 28 januari 2025 te Den Haag, in elk geval in Nederland opzettelijk behulpzaam is geweest en gelegenheid en/of middelen heeft verschaft, door
- zijn, verdachtes auto ter beschikking te stellen en/of
- deze op 27 januari 2025 te (laten) gebruiken voor een voorverkenning en/of
- daarmee op 28 januari 2025 als chauffeur de schutter naar Den Haag te brengen en/of
- hem/hen een foto van genoemde [benadeelde 2] te geven en/of
- ( vervolgens) daar op hem te wachten en/of
- hem ( vervolgens) na de schietpartij te helpen vluchten althans hem als chauffeur
na de schietpartij weer weg te brengen;
Dagvaarding II (09/084601-25)
[medeverdachte 2] op of omstreeks 18 maart 2025 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter voorbereiding van het te plegen misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, te weten het teweegbrengen van een ontploffing en/of brandstichting (een misdrijf genoemd in artikel 157 ahf/sub 1 en ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht), opzettelijk (een) voorwerp(en) en/of (een) informatiedrager(s), bestemd tot het in vereniging, althans alleen, begaan van genoemd misdrijf, te weten- een telefoon en/of- een explosief en/of- een aansteker en/of- een flesje met benzine, althans een brandbaar materiaal,kennelijk bestemd tot het in vereniging, althans alleen, begaan van dat misdrijf, heeft verworven en/of vervaardigd en/of voorhanden heeft gehad, bij welk misdrijf hij, verdachte, toen en daar, opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk middelen heeft verschaft door die [medeverdachte 2] naar de (nabije) omgeving van de Wingerd te vervoeren en/of hem het explosief te verstrekken en/of overhandigen.
3. De bewijsbeslissing
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het bij dagvaarding I met parketnummer 09/042631-25 onder 1 primair en 2 primair tenlastegelegde en van het bij dagvaarding II met parketnummer 09/084601-25 tenlastegelegde.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft namens de verdachte integrale vrijspraak bepleit van het bij dagvaarding I met parketnummer 09/042631-25 onder 1 en 2 tenlastegelegde en van het bij dagvaarding II met parketnummer 09/084601-25 tenlastegelegde.
Gebruikte bewijsmiddelen
De rechtbank heeft hierna opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.
Dagvaarding I (09/042631-25)
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2025029418, onderzoek 30FORTUNA, van de politie eenheid Districtsrecherche Den Haag-Zuid, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 618).
1. Het proces-verbaal van aangifte van [benadeelde 1] , opgemaakt op 28 januari 2025,
voor zover inhoudende (p. 41-43):
Op 28 januari 2025
Zoals altijd ben ik vandaag om 09:00 uur naar mijn werk gegaan. Ik ben werkzaam als automonteur bij de Zuiderpark garage te 's-Gravenhage. Ik open de zaak altijd, omdat de baas later komt. Mij baas is [benadeelde 2] .
Omstreeks 10:00 uur, was ik bezig met een auto, met mijn rug richting de ingang van de garage. Toen hoorde ik iemand binnen komen. Ik zag dat het een man was die binnen was gekomen. Ik zag dat de man richting het kantoor van mijn baas liep.
Ik kan de man als volgt omschrijven:
- Een noord Afrikaans uiterlijk;
- tussen de 25 en 35 jaar oud;
- dun, pezig postuur;
- 170 tot 175 cm, ongeveer mijn lengte;
- zwarte jas met capuchon;
- de capuchon op zijn hoofd;
- schoudertas, donker van kleur
Ik zei "hé vriend, hè vriend". Ik hoorde dat hij zijn excuus maakte. Ik hoorde hem zeggen "sorry bro" en ik zag dat hij de garage uitliep.
Diezelfde dag, ongeveer een uur later stond dezelfde man opeens achter me. Ik was in een gebogen positie aan het werk. Ik merkte dat de man achter mij stond doordat ik gereedschap pakte en een schoen zag. Toen ik merkte dat de man achter mij stond, draaide ik mij om. Ik zag dat de man een mat zwart pistool in zijn rechterhand had.
Ik hoorde dat de man iets mompelde in een taal die ik niet verstond, het klonk boos. Ik zag en hoorde dat de man het pistool doorlaade. Daarna zag ik dat de man het pistool op mij richtte. Ik hoorde en zag dat de man kogels af vuurde. Ik denk dat dit ongeveer 3 schoten waren.
Ik tilde mijn benen 1 voor 1 op om de kogels te ontwijken.
Tijdens het schieten zag ik dat het pistool van de man vast liep. Op dat moment rende ik richting de uitgang van de garage om te ontkomen aan de man.
Ik was bij de uitgang van de garage. Ik ben hier gevallen. Ik zag dat de man het pistool richting mijn hoofd richten. Het pistool liep vast terwijl de man meerdere keren de trekker over probeerde te halen. Ik zag dat de man de trekker over haalde. Ik zag dat het pistool was gericht op mijn hoofd en bovenlichaam. Ik heb het idee dat ik de dood van dichtbij heb gezien.
Ik riep "chef, hierachter" in een poging om de man af te leiden. Ik schreeuwde om hulp. Toen zag ik dat de man weg rende via de rechterkant van de winkel.
Ik heb het volgende letsel:
- Rechteronderbeen gebroken;
- Rechterknie gebroken;
- Ik moet geopereerd worden.
Ik heb 1 schotwond met een ingang en uitgang in mijn rechterbeen.
2. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 27 januari 2025, voor zover inhoudende (p. 63-65):
Op 29 januari 2025 waren wij in het HMC Westeinde ziekenhuis om te spreken met het slachtoffer van de schietpartij, [benadeelde 1] .
A: Toen een uur later zag ik dus voeten, en ben ik omgedraaid, en toen ik me omdraaide heeft hij in mijn voet geschoten. Ik zag dat zijn pistool vast kwam te zitten, en dat heb ik als mogelijkheid gezien om naar buiten te vluchten, toen schoot hij nog eens, toen kwam ik op de grond terecht, wilde hij op mijn borst en gezicht schieten maar gelukkig kwam het pistool vast te zitten. Hij heeft op mij gericht en op mijn borst gericht, maar hij kon de trekker toen niet overhalen.
3. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 2 maart 2025, voor zover inhoudende (p. 370):
Interpretatie van bevindingenOp basis van de camerabeelden en de aangetroffen hulzen is er vermoedelijk drie keer geschoten, waarvan twee keer in de garage en één keer buiten de garage. Mogelijk heeft de dader in de garage een patroon uit het vuurwapen geworpen omdat het wapen blokkeerde/weigerde of deze doorgeladen terwijl de het wapen al geladen was. Er zijn in totaal twee mogelijke schotbeschadigingen aangetroffen, één op de garagevloer en door het karton en één op de tegels buiten de garage. In de garage zijn een zilverkleurig fragment en meerdere kleine messingkleurige fragmenten, mogelijk afkomstig van projectielen, aangetroffen. Aangezien het lijkt op de camerabeelden dat het slachtoffer strompelend naar buiten kwam, mogelijk door een verwoning, is het mogelijk dat het slachtoffer binnen in de garage geraakt werd, en vervolgens buiten terwijl hij op de grond lag op de tegels bloed heeft achtergelaten.
4. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 15 mei 2025, voor zover inhoudende (p. 178-179):
Deze beeldrapportage heeft betrekking op 28 januari 2025, de dag van het schietincident.
(…)
In het beeldverslag is kort en bondig samengevat te zien dat:
(…)
- NN1 via de Werkhovenstraat, Lopikstraat terugloopt in de richting van de zwarte Seat en dat het portier van de bijrijder opent en sluit om 10:27 uur;
- na 11 minuten het portier van de bijrijder weer opent en sluit en dat NN1 daarbij uitstapt, de Veenendaalkade op in de richting van de Soestdijksekade;
- NN1 om 10.43 uur weer bij de garage te zien is;
- NN1 kort de garage in- en uitloopt;
- NN1 om 10.44 uur weer naar binnen loopt en dat te zijn is dat hij een vuurwapen op het latere slachtoffer richt;
- NN1 buiten de garage het vuurwapen in de richting van de ingang van de garage wijst met zijn rechterhand en dat hij in zijn linkerhand een telefoon heeft;
- het slachtoffer ten val komt en dat NN1 het vuurwapen op het slachtoffer richt.
5. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 30 januari 2025, voor zover inhoudende (p. 119-135)
Uit het beeldonderzoek is gebleken dat de verdachte uit een geparkeerde auto stapt. Deze auto is herkend als van het merk SEAT. De auto is getraceerd op de beelden, en er is te zien dat deze aan komt rijden over de Veenendaalkade vanaf de Soestdijksekade om 10:08 uur, waarna de auto uiteindelijk parkeert op de T-splitsing tussen Lopikerstraat en de Veenendaalkade.Uit camerabeelden blijkt dat de verdachte om 10:12 uur uit de geparkeerde auto stapt en vervolgens via de Lopikerstraat en de Werkhovenstraat richting de garage toe loopt, waar hij arriveert om 10:15 uur.Na het eerste bezoek van de garage verlaat de verdachte de garage in de richting van de Leersumstraat, waar hij ter hoogte van 85 omkeert en terug loopt naar de garage waar hij arriveert om 10:25 uur.Hierna is de verdachte de garage uit gegaan, kwam hij niet langs de camera op de Werkhovenstraat en voor het eerst weer langs de camera van het Tuincentrum op de Lopikerstraat 23, waarop te zien is dat de verdachte weer instapt in de auto waarin hij gekomen is. Vervolgens is te zien dat de verdachte langs de Veenendaalkade en langs de Driebergenstraat de hoek om loopt, om vervolgens wederom te arriveren bij de garage om 10:44 uur.Om 10:44 na het schieten rent de verdachte weg in de richting van de geparkeerde auto over de Werkhovenstraat, Lopikerstraat en vervolgens stapt hij in de auto op de kruising met de Veenendaalkade. De auto begint al uit te parkeren voordat de verdachte bij de auto is, en rijdt vervolgens weg over de Veenendaalkade in de richting van de Soesterdijksekade.
6. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 15 oktober 2025, voor zover inhoudende (p. 561-565)
Op camerabeelden is te zien dat de Seat een paar meter de weg op reed, terwijl [medeverdachte 1] nog aan het rennen was. [medeverdachte 1] stapt in, terwijl de Seat al midden op de rijbaan staat.
Vervolgens reed de Seat over de Veenendaal kade weg in de richting van het Soestdijkseplein. Na een paar honderd meter is op camerabeelden van de Veenendaalkade 58 te zien dat een andere auto achteruit vanuit parkeerstand de weg op reed. Te zien is dat de Seat deze auto naderde. Te zien is dat de Seat even stopte. Op het moment dat de andere auto weer vooruit wil rijden, haalde de Seat de andere auto aan de rechterzijde in. De Seat reed vervolgens hard door in de richting van het Soestdijkseplein.
7. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 30 januari 2025, voor zover
inhoudende (230-231)
ANPR gegevens zwarte Seat Ibiza, kenteken [kenteken]
Het viel op dat het voertuig in de opgevraagde periode twee maal vervoersbewegingen had in de richting van Den Haag en terug richting Amsterdam, namelijk op maandag 27 januari 2025 en dinsdag 28 januari 2025, respectievelijk één dag vóór het schietincident en de dag van het schietincident.
8. Het proces-verbaal van verhoor van verdachte [medeverdachte 1] , opgemaakt op 10 september 2025, voor zover inhoudende (p. 481-483, 485):
A: Ik moest de meneer in de benen schieten en ik hoorde achteraf dat ik de verkeerde persoon had geraakt. De avond ervoor moest het eigenlijk gebeuren. Er zou maar 1 persoon werken, avond ervoor ging ik erlangs, ik liep de wijk in en toen terug naar huis gegaan.
V: De avond ervoor, waarom toen niet?
A: Ik wilde het eigenlijk niet doen, ik ben die persoon niet tegengekomen. De dag erna werd er meer druk gezet dat ik het moest doen, toen was het in de ochtend.
V: De opdracht, hoe wist je wie je moest hebben, een foto/bericht?
A: Ik had een foto en een omschrijving. Maar het slachtoffer leek wel op de foto.
V: En twijfelde je of je de goede had?
A: Nee eigenlijk niet, ik dacht wel dat hij het moest zijn
V: Je zei net dat je een bericht en foto had ontvangen?
A: Nee niet ontvangen, die werd mij laten zien.
V: Waar?
A: Dat was in de auto
V: Was er nog iets besproken met een derde persoon? Tussen de 2e en 3e keer zat best wat tijd. Waarom nam je de keuze om het wel te doen?
A: Ik zei eerst er is niemand, toen was ik terug en zei ik er was niemand en toen moest ik wel. Ik ben toen de 3e keer gegaan en toen was het incident.
V: Dus als ik het goed begrijp had je dus wel een externe motivatie, je kon het niet-niet doen?
A: Ja
V: Terug naar het schieten zelf, heb je zelf nog in je hoofd hoe het ging, ik moest op zijn benen schieten hoe ging dat?
A: Ik moest op zijn benen schieten, maar het wapen werkte niet, want hij was niet doorgeladen. Dit was allemaal binnen. Toen buiten lag hij op de grond. Ik had buiten de garage had ik twee keer geschoten. Toen had ik niet het idee dat ik hem geraakt had.
V: Heb je vaker vuurwapens in je handen gehad?
A: Nee
V: Heb je wel eens eerder geschoten?
A: Nee
V: Hoe heb je het dan duidelijker gekregen?
A: Verder niks. Het eerste moment was het al wazige foto. De 1e dag beschrijving man met een baard
V: En de 2e dag?
A: Niks veranderd. Turkse man met baard.
V: Maar die mannen lijken niet op elkaar?
A: De foto was wazig, ze leken daardoor best wel op elkaar
9. De verklaring van de verdachte [de verdachte] , afgelegd op de terechtzitting van 29 januari 2026, voor zover inhoudende:
U, de voorzitter, houdt mij voor dat uit het dossier is af te leiden dat de schutter is gebracht en opgehaald met een Seat Ibiza eindigend op SJ. U houdt mij voor dat die auto op mijn naam staat, dat die auto op 27 januari en 28 januari 2025 dezelfde reisbeweging naar Den Haag maakte en dat ik de bestuurder was. Dat klopt.
Ja, we zaten met twee personen in de auto, er was niemand anders bij.
10. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 15 mei 2025, voor zover inhoudende (p. 136-137):
Uit de analyse bleek onder andere dat op 27 januari 2025:- Om 16.16 uur waren [de verdachte] en de schutter aanwezig bij de Shell De Hackelaar in Muiden. [de verdachte] was de bestuurder van de Seat Ibiza met kenteken [kenteken] .- Om 16.57 uur reed de voornoemde Seat Ibiza de verzorgingsplaats Den Ruygen Hoek op, waarbij [de verdachte] en de schutter zich in het voertuig bevonden.- Om 17.03 uur had de schutter een korte ontmoeting met de bestuurder van een grijze Opel Corsa.- Om 17.53 uur reed de voornoemde Seat Ibiza over de Driebergenstraat in Den Haag. De schutter deed een verkenning te voet in de omgeving van de plaats delict, waarbij hij om 18.36 uur langs de plaats delict liep.- Om 20.39 uur was [de verdachte] bij het tankstation Avia in Zaandam als bestuurder van de voornoemde Seat Ibiza. De schutter was niet op deze beelden te zien.
11. Het proces-verbaal van bevindingen van de Rijksrecherche , opgemaakt op 15 mei 2025, voor zover inhoudende (p. 2-3):
Uit rechtens verkregen gegevens van de Kamer van Koophandel ex art. 126nd Sv blijkt dat er op zondag 26 januari om 21:53u onder gebruikmaking van de username [gebruikersnaam 1] in het Handelsregister KVK een raadpleeging plaatsvond van 'Garagebedrijf Zuiderpark' is geraadpleegd, met als vestiging adres Driebergenstraat 158 in Den Haag. Binnen het onderzoek 28Ukelele is vastgesteld dat genoemde username wordt gebruikt door meerdere ambtenaren van de afdeling waar [medeverdachte 3] werkzaam is, maar is verdachte [medeverdachte 3] in dit specifieke geval meer dan vermoedelijk degene was die de bevraging verrichtte. Dat komt omdat de KVK bevraging binnen een paar minuten werd gevolgd door een reeks bevragingen in een systeem van de gemeente Amsterdam genaamd Makelaar Suite (MKS). Dit betreft een applicatie van de gemeente Amsterdam waarmee een koppeling wordt gemaakt met de GBA-V of BRP-V. Deze module bevat persoonsgegevens van Nederlandse ingezetenen wordt beheerd door de Rijksdienst voor Identiteitsgegevens (RvIG).
Uit rechtens verkregen logfiles van het MKS systeem van de gemeente Amsterdam over de periode tussen 2 maart 2020 en 3 april 2025 ex art. 126nd Sv blijkt dat er op onder gebruikmaking van de username [gebruikersnaam 2] op 26 januari 2025 meerdere bevragingen zijn verricht, waarbij de eerste bevraging plaatsvond middels een zoekvraag op de naam [benadeelde 2] en geboortedatum [geboortedatum 2] . De gebruikersnaam [gebruikersnaam 2] is door de gemeente Amsterdam toegekend aan verdachte [medeverdachte 3] en betreft tevens een verwijzing naar zijn achternaam, waardoor aangenomen kan worden dat [medeverdachte 3] de enige gebruiker is geweest van dit account.
[afbeelding verwijderd i.v.m. privacygevoelige informatie]
Nadere duiding bewijsmiddelen
De rechtbank heeft de bewijsmiddelen 1 tot en met 10 gebruikt voor de bewezenverklaring van feit 1 en de bewijsmiddelen 1 tot en met 11 voor de bewezenverklaring van feit 2.
Dagvaarding II (09/084601-25)
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2025088296 (onderzoek 30Triton), van de politie eenheid Districtsrecherche Den Haag-Zuid, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 361).
1. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 18 maart 2025, voor zover inhoudende (p. 12-13):
Op 18 maart 2025, omstreeks 00.15 uur, was ik, verbalisant [verbalisant 1] , werkzaam in het werkgebied van de eenheid Den Haag.
Aldaar is een van de adressen te weten: Wingerd in Den Haag, welke valt onder de adressen van het verscherpt rijdend toezicht.
Omstreeks 00.25 uur, reden wij over de Wingerd in de richting van de Laan van Kans. Ik zag ter hoogte van Laan van Kans 2 een voertuig stapvoets rijden. Ik zag dat het voertuig bijna tot stilstand kwam. Ik zei direct tegen collega [verbalisant 2] dat het voertuig opviel door zijn snelheid en het voertuig leek te reageren op onze aanwezigheid.
Ik zag dat het voertuig voorzien was van kenteken [kenteken] . Ik zag dat dit een zwarte Seat betrof. Ik zag dat het voertuig weg reed over de Laan van Kans in de richting van de Laan van Hoornwijck. Ik zag dat het voertuig bij het uitrijden van de wijk hard over de verkeersdrempel reed. Ik zei direct tegen collega [verbalisant 2] dat het voertuig vermoedelijk geen kennis had van deze wijk. Dit omdat hij anders zou weten dat deze verkeersdrempel vrij hoog is waardoor de bumper van iemands voertuig daar hard over heen schaaft bij een bepaalde snelheid. Ik zag dat collega [verbalisant 2] het kenteken bevroeg in de voor ons beschikbare politie-systemen. Ik hoorde dat collega [verbalisant 2] zei dat de ten naam gestelde van het voertuig ingeschreven stond in Amsterdam. Ik hoorde dat collega [verbalisant 2] zei dat de ten naam gestelde bekend was in de politie-systemen met betrekking tot strafbare feiten. Hierop reden wij achter het voertuig aan over de Laan van Hoornwijck in de richting van de Laan van Zuid Hoorn. Ik gaf vervolgens een stopteken middels het rodetransparant "stop politie" waarmee ons politievoertuig is uitgerust. Ik zag dat het voertuig stopte bij de bushalte Laan van 's-Gravenmade aan de Laan van Hoornwijck.Ik zag dat de bestuurder de enige inzittende van het voertuig was. Ten tijden van het volgen van het voertuig is niemand in of uitgestapt. Ik zag dat collega [verbalisant 2] mij op enig moment mij de telefoon van de bestuurder liet zien. Ik zag dat de navigatie op de telefoon stond geopend. Ik zag dat de meest recente zoekopdracht van de navigatie het adres [adres] te Den Haag stond.
De bestuurder en tevens verdachte bleek later te zijn:
[de verdachte] , geboren op [geboortedatum 1] 2003 te [geboorteplaats] .
2. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 18 maart 2025, voor zover inhoudende (p. 49-51)
Verdachte
Achternaam: [medeverdachte 2]
Voornamen: [voornamen medeverdachte 2]
Op 18 maart 2025, omstreeks 00:30 uur, bevond ik, verbalisant [verbalisant 3] , mij op de Laan van Hoornwijck te 's-Gravenhage.
Ik zag dat er links van de Laan van Kans een school was gelegen. Ik zag dat de bij de school horende fietsenstalling was omheind met een stenen muur van ongeveer 80 centimeter hoog.
Ik, verbalisant [verbalisant 3] , hoorde collega [verbalisant 4] zeggen dat hij aan de linkerzijde van ons, dit betrof de Laan van Kans een persoon zag staan. Wij zijn naar de man toegereden. Ik zag dat de man een flesje met een blauwe dop in de prullenbak gooide. Ik zag dat de man langzaam van ons wegliep.
Ik zag dat de persoon er als volgt uit zag:- man;- licht getint;- 1.85 meter;- tussen de 18 en 20 jaar oud;- zwarte jas aan met capuchon op;- zwarte trainingsbroek;- turquoise broek onder zijn trainingsbroek;- zwarte sneaker.
Ik zag dat voordat de man zijn handen op het dienstvoertuig legde iets in zijn broek stopte ter hoogte van zijn middel bij zijn touwtjes van zijn trainigsbroek.
Ik zag in de prullenbak een flesje liggen met een blauwe dop en op het etiquette stond Spa. Ik trok latex handschoenen aan en haalde het flesje uit de prullenbak.
Hierna ben ik verder doorgelopen achter het muurtje en zag ik een kartonnen doos staan. Ik herkende deze doos als een doos waarin lachgas flessen zitten. Ik zag dat er in de doos een voorwerp met duct tape zat. Ik zag dat er uit het voorwerp met duct tape een witte aansteeklont kwam.
3. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 20 maart 2025, voor zover inhoudende (p. 106):
Op 18 maart 2025 omstreeks 01:45 uur
In de direct omgeving van het flesje, op circa 30 centimeter afstand, rook ik benzine. Verder weg van het flesje nam ik deze geur niet waar.
4. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 18 maart 2025, voor zover inhoudende (p. 110)
Op dinsdag 18 maart 2025 omstreeks 01:00
Tijdens deze fouillering voelde ik dat verdachte een aansteker in zijn onderbroek had.
Ik verbalisant haalde ook daadwerkelijk een aansteker uit de onderbroek van verdachte.
Achternaam: [medeverdachte 2]
5. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 18 maart 2025, voor zover inhoudende (p. 112-113):
Op 18 maart 2025, werd een explosief aangetroffen.
Soort explosief IED (Improvised explosive device) in de vorm van een fascialading.
Uit onderzoek is gebleken dat het explosief een voorwerp is bestemd voor het treffen van personen of zaken door middel van een ontploffing.
Dit voorwerp is een wapen in de zin van artikel 2, lid 1, categorie II sub 7 van de Wet wapens en munitie.
6. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 19 maart 2025, voor zover inhoudende (p. 115):
Op 7 maart en 9 maart 2025 vonden er 2 explosies plaats in de woonwijk Bosweide te Den Haag. Daarnaast zijn er meerdere verdachte situaties geweest en werden meerdere verdachten aangehouden met explosieven in de buurt van het beoogde doelwit. Uit het onderzoek bleek dat het doelwit de woning gelegen aan de [adres] betrof.
7. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 16 juni 2025, voor zover inhoudende (p. 247-248 ):
In onderzoek 30Fortuna werden de telefoongesprekken gevoerd over het TULP-nummer 3011746939, op vordering van de officier van justitie in onderhavig onderzoek en met machtiging van een rechter-commissaris, opgenomen en uitgeluisterd. Een TULP-nummer wordt aan een verdachte die gedetineerd zit toegewezen. Het TULP-nummer 3011746939 behoorde toe aan verdachte [de verdachte] , geboren op [geboortedatum 1] 2003.
(…)
1e Gesprek op 27-4-2025 om 15:24:23 uur
Beller 3011746939 ( [de verdachte] ) - gebelde [telefoonnummer] (tnv [naam] )
In dit gesprek zegt verdachte [de verdachte] onder andere:
- dat hij voor iets doms “geveegd” is. (“Geveegd’ betekend in straattaal aangehouden);
- dat hij een chappie had afgezet, maar dat die “chappie" een explosief had (“chappie" betekend in straattaal maat/vriend/jongen);
- dat ze die “adje" in zijn kaart zagen (“adje" betekend in straattaal adres);
- dat hij de “nawie” nog open had (“nawie" betekend vermoedelijk navigatie);
- dat hij niet samen met hem “geveegd’ is (vermoedelijk bedoelt [de verdachte] dat hij niet samen met hem is aangehouden).
2e gesprek op 27-4-2025 om 15:28:24 uur
Beller 301174629 ( [de verdachte] ) - gebelde [telefoonnummer] (tnv [naam] )
In dit gesprek zegt [de verdachte] onder andere:
- dat die ding was al drie keer gegeven, die “osso” (“Osso” betekend huis in straattaal);
- dat de “scotoe” hem ziet, in zijn auto staande en dat hij zijn “naffie" nog open had met die “adje” (“scotoe" betekend politie in straattaal, “naffie/navvie" betekend vermoedelijk navigatie en “adje" betekend adres in straattaal).
8. Het proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 2] , opgemaakt op 9 april 2025, voor zover inhoudende (p. 226 - 228)
A: Ik werd die avond opgehaald met de auto. In ben ingestapt. Ik kreeg het verzoek om een pakketje ergens af te leveren. Ik zag dat er een adres stond op een telefoon. Het adres was in Den Haag. Toen zijn we naar Den Haag toegereden.
V: Hoe kwam je aan het pakketje?
A: Ik kreeg dat pakketje van hem in de avond, toen ik in de auto zat.
V: Wie was er nog meer bij?
A: Allen die jongen, die aan mij vroeg om dat pakketje af te geven.
V: Waar kreeg je in de avond dat pakketje?
A: Toen we bijna op de locatie waren die in zijn telefoon stond.
V: Voor onze beeldvorming, de jongen die aan jou vroeg om een pakketje af te geven aan een jongen is dezelfde jongen die samen met jou naar Den Haag is gereden en gekomen op locatie het pakketje aan je heeft gegeven?
A: Ja.
V: Terwijl jij daar op de hoek stond te wachten met dat pakketje, waar is die jongen met zijn auto naar toegegaan dan?
A: Toen ik was uitgestapt, toen kwam de politie aanrijden en toen is die jongen met zijn auto weggereden en ik ben daar blijven staan op de hoek.
V: Medeverdachte [de verdachte] heeft verklaard dat hij jou alleen maar moest afzetten en dat hij dan weer naar huis moest rijden.
A: Tegen mij heeft hij gezegd dat hij zou blijven wachten op het plekje waar hij stond. Dat was vlak in de buurt daar waar ik stond te wachten.
Bewijsoverwegingen
Dagvaarding I (09/042631-25)
Dat sprake was van een vooropgezet plan om te schieten op [benadeelde 2] kan op grond van de bewijsmiddelen als vaststaand worden beschouwd. Dit heeft op de terechtzitting niet ter discussie gestaan en kan zonder nadere motivering dienen als vertrekpunt voor de overige beoordeling van de bewijsvragen. De rechtbank zal later terugkomen op de vraag hoe dit vooropgezette plan om op [benadeelde 2] te schieten moet worden gekwalificeerd en welke rol de verdachte hierbij heeft gehad.
Feit 1: medeplegen van/medeplichtigheid aan poging tot moord c.q. doodslag/zware mishandeling met voorbedachte raad
De verdediging heeft primair vrijspraak bepleit voor de poging tot moord c.q. doodslag omdat de verdachte geen wetenschap zou hebben gehad van het voorgenomen plan om iemand te beschieten. Subsidiair stelt de verdediging zich op het standpunt dat geen sprake is geweest van opzet op de dood, ook niet in voorwaardelijke zin, omdat de schutter gericht op de benen van [benadeelde 1] heeft geschoten.
Poging tot moord c.q. doodslag of zware mishandeling met voorbedachte raad
Voor bewezenverklaring van een poging tot moord c.q. doodslag moet vast komen te staan dat de verdachte (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op de dood. Voorwaardelijk opzet (de lichtste opzetvariant) op een bepaald gevolg is aanwezig als de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat een bepaald gevolg zal intreden. Voor de vraag of sprake is van bewuste aanvaarding van zo’n kans heeft te gelden dat uit de enkele omstandigheid dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, niet zonder meer kan volgen dat hij de aanmerkelijke kans op het gevolg bewust heeft aanvaard, omdat ook sprake kan zijn van bewuste schuld. Bepaalde gedragingen kunnen echter naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer gericht op een bepaald gevolg dat het – behoudens contra-indicaties – niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het betreffende gevolg bewust heeft aanvaard.
Uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting leidt de rechtbank met betrekking tot het incident het volgende af.
Op 28 januari 2025 heeft de medeverdachte [medeverdachte 1] (hierna: de schutter) in Den Haag met een vuurwapen meermalen op [benadeelde 1] geschoten. De schutter heeft in de garage, waar de eerste schoten zijn gelost, op de buik en borst van het slachtoffer gericht. Uit het onderzoek is gebleken dat het vuurwapen daar heeft geweigerd. De schutter heeft uiteindelijk meerdere schoten gelost in de richting van het lichaam van [benadeelde 1] , waarbij [benadeelde 1] heeft moeten wegspringen om niet geraakt te worden en hij dus ook in beweging was. Buiten de garage heeft de schutter ook nog geschoten, terwijl [benadeelde 1] daar bewegend op de grond lag en terwijl de verdachte een telefoon in zijn hand had. De aangever is in zijn been geraakt en heeft daardoor onder meer een schotverwoning in de rechterknie met een beenbreuk opgelopen.
De rechtbank is van oordeel dat de gedragingen van de schutter, in het bijzonder gelet op het feit dat deze een ongeoefende schutter is, dat hij meerdere keren heeft geschoten terwijl hij in zijn linkerhand een telefoon had en [benadeelde 1] op de grond lag en bewoog, naar hun uiterlijke verschijningsvorm kunnen worden aangemerkt als zozeer op de dood van [benadeelde 1] gericht te zijn dat het niet anders kan zijn geweest dan dat de schutter de aanmerkelijke kans op het betreffende gevolg bewust heeft aanvaard. Anders dan de verdediging ziet de rechtbank de verklaring van de schutter dat hij de opdracht had om op de benen te schieten, daarom niet als een contra-indicatie voor opzet op de dood. Hierbij betrekt zij dat zich in de benen beenslagaders bevinden. Wanneer een kogel zo een slagader doorboort, kan dit al snel leiden tot levensgevaarlijke verwondingen.
Het tenlastegelegde opzet op de dood is daarmee wettig en overtuigend bewezen.
Medeplegen
De verdediging stelt zich op het standpunt dat de verdachte geen wetenschap heeft gehad van het voorgenomen plan. Er was geen gezamenlijk plan en geen gezamenlijke uitvoering. Van medeplegen was daarom geen sprake. De verdachte heeft de schutter wel twee dagen achter elkaar naar Den Haag gebracht, maar hij deed dit in het kader van zijn werkzaamheden als snorder, aldus nog steeds de verdediging.
De rechtbank stelt voorop dat de betrokkenheid bij een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezenverklaard wanneer is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking.
Ook wanneer het tenlastegelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering tijdens het begaan van het strafbare feit, maar uit gedragingen die doorgaans met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht (zoals het verstrekken van inlichtingen, op de uitkijk staan, helpen bij de vlucht), kan sprake zijn van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking. De materiële en/of intellectuele bijdrage van de verdachte aan het strafbare feit zal dan van voldoende gewicht moeten zijn.
Bij de beoordeling of daaraan is voldaan kan rekening worden gehouden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip.
De bijdrage van de medepleger kan in uitzonderlijke gevallen in hoofdzaak vóór of ná het strafbare feit zijn geleverd. Een geringe rol of het ontbreken van enige rol in de uitvoering van het delict zal in dergelijke gevallen moeten worden gecompenseerd, bijvoorbeeld door een grote(re) rol in de voorbereiding.
Uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting leidt de rechtbank met betrekking tot de betrokkenheid van verdachte bij het tenlastegelegde het volgende af.
Op basis van de bewijsmiddelen en de verklaring van de verdachte ter zitting stelt de rechtbank vast dat de verdachte de schutter op 27 januari 2025 en op 28 januari 2025 van Almere naar Den Haag heen en terug heeft gereden. De schutter heeft bij de politie verklaard dat hij wist wie het doelwit was, omdat hij een beschrijving van de man had gekregen: een ‘Turkse man met baard’. Daarnaast is hem in de auto een foto van het doelwit getoond. Hij heeft daarbij expliciet aangegeven dat hij de foto niet zelf eerder had ontvangen, maar dat iemand deze aan hem heeft laten zien. De schutter en de verdachte hebben beiden verklaard dat er verder niemand bij hen in de auto heeft gezeten. Het kan dus niet anders zijn dan dat de verdachte hem die foto heeft laten zien. De schutter heeft als getuige op de terechtzitting verklaard dat hem een foto is gestuurd en niet getoond. De rechtbank acht deze verklaring onaannemelijk, nu in de verklaring op zitting nieuwe elementen naar voren zijn gekomen en zijn verklaring daarmee tegenstrijdigheden bevat ten opzichte van zijn eerdere verklaring. Daarnaast heeft de schutter op cruciale vragen over de rol van de bestuurder van de auto geen antwoord willen geven.
De rechtbank neemt verder in het bijzonder in overweging dat de schutter heeft verklaard dat het schieten al eerder had moeten gebeuren, op 27 januari 2025 en tijdens zijn twee eerdere bezoeken aan de garage op 28 januari 2025. Volgens de schutter heeft hij na zijn eerste twee inspanningen teruggekoppeld dat er niemand was, maar ‘moest’ hij het doen van zijn opdrachtgever. Uit de bewijsmiddelen volgt verder dat de schutter tussen de tweede en derde ‘poging’ op 28 januari 2028 gedurende elf minuten bij de verdachte in de auto heeft gezeten, alvorens hij tot zijn uiteindelijke daad is gekomen. Hierover hebben zowel de verdachte als de schutter geen uitleg willen geven. In elk geval heeft de schutter niet verklaard dat de verdachte, zoals hij stelt, alleen als (illegale) snorder had opgetreden. De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat de verdachte in de auto druk heeft uitgeoefend op de schutter.
Gezien het voorgaande schuift de rechtbank het standpunt van de verdediging, dat de verdachte geen wetenschap heeft gehad van het vooropgezette plan, terzijde. Dat de verdachte wetenschap moet hebben gehad, volgt ook uit de door de politie uitgekeken camerabeelden waarop het opmerkelijke rijgedrag van de verdachte kort na het schietincident is te zien, te weten dat de verdachte met de auto een paar meter de weg op is gereden terwijl de schutter nog aan het rennen was, dat hij direct daarna met de schutter is weggereden en vervolgens een inparkerende auto rechts heeft ingehaald. Het kan mede gelet hierop niet anders zijn dan dat de verdachte op de hoogte was van hetgeen zich even daarvoor had afgespeeld en hem er alles aan gelegen was om zo snel mogelijk weg te komen.
Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de voor medeplegen vereiste voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en de medeverdachte (de schutter) is komen vast te staan. Hoewel geen sprake is van een gezamenlijke uitvoering van het schieten zelf, is de bijdrage van verdachte aan het tenlastegelegde naar het oordeel van de rechtbank van zodanig gewicht dat deze kan worden aangemerkt als medeplegen. Daarmee acht de rechtbank het tenlastegelegde medeplegen bewezen.
Persoonsverwisseling
Uit de bewijsmiddelen volgt dat sprake is geweest van een persoonsverwisseling ten aanzien van het doelwit. Het initiële plan was niet om [benadeelde 1] , maar [benadeelde 2] te beschieten. Dit blijkt onder meer uit de verklaring van de schutter, de verklaring van [benadeelde 1] en de voorbereidingen die zijn getroffen. Zo is door een van ‘lekken’ verdachte Amsterdamse ambtenaar twee dagen voor het schietincident meermalen gezocht naar gegevens over [benadeelde 2] . De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of dit iets afdoet aan het opzet en de voorbedachte raad van de verdachte ten aanzien van het schieten op [benadeelde 1]. Uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting stelt de rechtbank met betrekking daartoe het volgende vast.
De schutter wist wie zijn doelwit was op basis van een algemene omschrijving (een ‘Turkse man met baard’) en een wazige foto die door de verdachte aan de schutter is getoond. De schutter heeft verklaard dat hij op 27 januari 2025 één keer en op 28 januari 2025 twee keer heeft teruggekoppeld dat er niemand bij de garage aanwezig was, maar dat hij het ‘moest’ doen.
Bij een juiste instructie en zonder de op de schutter uitgeoefende druk zou, zo neemt de rechtbank aan, de schutter niet geschoten hebben op [benadeelde 1] . Hij was immers niet het doelwit. De verdachte – en mogelijk zijn onbekend gebleven medeverdachte(n) – heeft, door te handelen zoals hij heeft gedaan en door geen voorzorgsmaatregelen te nemen die de vergissing redelijkerwijze hadden kunnen voorkomen, naar algemene ervaringsregels de aanmerkelijke kans in het leven geroepen dat de schutter een ander dan [benadeelde 2] zou neerschieten. De rechtbank is van oordeel dat de hiervoor omschreven gedragingen naar hun uiterlijke verschijningsvorm zozeer gericht zijn op de reële, geenszins onwaarschijnlijke mogelijkheid dat een ander dan [benadeelde 2] zou worden beschoten, dat het – behoudens contra-indicaties (waarvan niet is gebleken) – niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans hierop bewust heeft aanvaard. De verdachte heeft daarmee voorwaardelijk opzet gehad op het beschieten van [benadeelde 1] .
Dat heeft ook te gelden voor de vraag of sprake was van voorbedachte raad. Zoals hiervoor is overwogen was er een reeds langer bestaand plan om op [benadeelde 2] te schieten en zijn hiertoe ook voorbereidingen getroffen. Het is echter [benadeelde 1] die het uiteindelijke slachtoffer van dit vooropgezette plan is geworden. Nu de aanmerkelijke kans op het beschieten en daarmee de mogelijke dood van een ander dan [benadeelde 2] gelet op het voorgedane in het plan was inbegrepen, strekt de voorbedachte raad zich ook uit tot het uiteindelijke slachtoffer waar het plan niet op was gericht.
Op grond van het hiervoor overwogene en de onder 3.4.1. genoemde bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat de verdachte, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, heeft geprobeerd om [benadeelde 1] te vermoorden. De rechtbank komt daarmee tot een bewezenverklaring van het onder 1 ten laste gelegde, zoals onder 3.6 omschreven.
Feit 2: voorbereiden (poging tot) moord/zware mishandeling met voorbedachte raad
Zoals eerder overwogen staat voor de rechtbank op basis van de bewijsmiddelen en het verhandelde ter zitting vast dat er sprake was van een vooropgezet plan om te schieten op [benadeelde 2] . Uiteindelijk is echter door een persoonsverwisseling niet [benadeelde 2] maar [benadeelde 1] beschoten. Uit deze feiten en omstandigheden leidt de rechtbank af dat er voorbereidingen zijn getroffen om [benadeelde 2] te beschieten. Dat de daartoe voorhanden middelen bestemd waren tot het begaan van het misdrijf en dat de verdachten een misdadig doel voor ogen hadden, staat, gezien het schietincident op 28 januari 2025, buiten kijf. Uit hetgeen onder de beoordeling van feit 1 is overwogen volgt eveneens dat de verdachte daar wetenschap van heeft gehad en daar ook actief aan heeft bijgedragen.
Op grond van het hiervoor en onder feit 1 overwogene en de onder 3.4.1. genoemde bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat de verdachte, tezamen en in verenging met een of meer anderen, voorbereidingen heeft getroffen om [benadeelde 2] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven te beroven of zwaar te mishandelen. De rechtbank komt daarmee tot een bewezenverklaring van het onder 2 ten laste gelegde, zoals onder 3.5. omschreven.
Dagvaarding II (09/084601-25)
De verdediging bepleit vrijspraak voor de voorbereidingshandelingen, omdat volgens haar niet bewezen kan worden dat de verdachte wetenschap had van enig explosief, noch dat hij opzettelijk heeft bijgedragen aan de voorbereiding van het teweegbrengen van een ontploffing en/of brandstichting.
Beoordelingskader
De rechtbank stelt voorop dat bij de beantwoording van de vraag of het feit is bewezen, moet komen vast te staan dat de in de tenlastelegging omschreven voorwerpen of stoffen bestemd waren tot het begaan van het opzettelijk teweegbrengen van een ontploffing en/of het stichten van brand. Daartoe dient te worden beoordeeld of die voorwerpen of stoffen afzonderlijk dan wel gezamenlijk, naar hun uiterlijke verschijningsvorm ten tijde van het handelen dienstig konden zijn voor het misdadige doel dat de verdachte met het gebruik daarvan voor ogen had (vgl. HR 20 februari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ0213 en HR 9 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1503).
Bij de strafbare voorbereiding van het opzettelijk teweegbrengen van een ontploffing en/of het stichten van brand dient het opzet van de voorbereider niet alleen te zijn gericht op het teweegbrengen van een ontploffing dan wel brandstichting, maar moet zijn opzet tevens zijn gericht op het in art. 157 Sr omschreven gevaar, in die zin dat dit opzet betrekking moet hebben op het naar algemene ervaringsregels voorzienbare gevaar van bedoelde voorwerpen en/of stoffen voor de door art. 157 Sr beschermde rechtsgoederen (vgl. HR 5 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW4230).
Feiten en omstandigheden
Uit het procesdossier en het verhandelde op de zitting leidt de rechtbank de volgende feiten en omstandigheden af.
De politie heeft de zwarte Seat Ibiza van de verdachte langzaam over de Laan van Kans richting de Wingerd zien rijden. Het voertuig viel op door het rijgedrag. Nadat de politie de bestuurder, verdachte, staande had gehouden, zag een verbalisant op een telefoon in de auto de navigatie aan staan, ingesteld op het adres [adres] te Den Haag. Uit politieonderzoek is gebleken dat [adres] mogelijk een actueel en beoogd doelwit was voor een explosie. Even later zag de politie dat een andere persoon (hierna: de medeverdachte) een flesje met – wat later bleek – benzine weggooide. Deze medeverdachte is ook door de politie staande gehouden. Tijdens de fouillering van de medeverdachte is een aansteker gevonden. De politie vond vervolgens in de nabije omgeving, achter een muurtje, een doos met daarin een explosief. Uit het onderzoek van de Explosieven Opruimingsdienst Defensie (EODD) blijkt dat het om een zogeheten ‘improvised explosive device’ gaat, een explosief, bestemd voor het treffen van personen of zaken door middel van een ontploffing.
Voorbereidingshandelingen
Het explosief, de aansteker en het flesje met benzine zijn, afzonderlijk en in onderlinge samenhang bezien, naar hun uiterlijke verschijningsvorm bestemd tot het teweegbrengen van een ontploffing.
Medeplichtigheid
De rechtbank stelt voorop dat voor de bewezenverklaring van medeplichtigheid aan een misdrijf is vereist dat niet alleen wordt bewezen dat het opzet van de verdachte was gericht op zijn handelingen als medeplichtige als bedoeld in art. 48, aanhef en onder 1° of 2º Sr, maar ook dat zijn opzet, al dan niet in voorwaardelijke vorm, was gericht op het door de dader gepleegde misdrijf (het gronddelict). Bij de bewezenverklaring en kwalificatie van de medeplichtigheid moet worden uitgegaan van de door de dader verrichte handelingen, ook als het opzet van de medeplichtige slechts was gericht op een deel daarvan. Het opzet van de medeplichtige behoeft niet te zijn gericht op de precieze wijze waarop het gronddelict wordt begaan. Onder die precieze wijze waarop het gronddelict wordt begaan, is ook begrepen of het gronddelict al dan niet in deelneming wordt begaan; op die deelnemingsvorm behoeft het opzet van de medeplichtige dus niet te zijn gericht.
Uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting leidt de rechtbank met betrekking tot de betrokkenheid van verdachte bij het tenlastegelegde het volgende af.
Zij stelt vast dat de verdachte samen met de medeverdachte naar het adres [adres] te Den Haag is gereden. Dit adres is door de verdachte in de navigatie van zijn telefoon gezet. De verdachte heeft aan de medeverdachte gevraagd om het ‘pakketje’ ergens ‘af te geven’. Toen ze bijna bij de woning aankwamen heeft de verdachte het ‘pakketje’ aan zijn medeverdachte gegeven en zou verdachte in de auto blijven wachten. In dit pakketje zat – zo bleek later – het explosief.
Tot slot heeft de verdachte later, toen hij eenmaal vast zat, telefonisch contact gehad met derden vanuit de penitentiaire inrichting, uit welke gesprekken volgt dat hij weldegelijk wetenschap had van, én een bijdrage heeft geleverd aan het tenlastegelegde.
Dat de verdachte en zijn medeverdachte een misdadig doel voor ogen hadden, volgt uit het feit dat de middelen naar hun uiterlijke verschijningsvorm bestemd zijn tot het teweegbrengen van een ontploffing, in samenhang bezien met de omstandigheid dat het adres waar de verdachten naar navigeerden een vermoedelijk doelwit was voor een explosie.
Op grond hiervan is de rechtbank van oordeel dat de verdachte zowel opzet heeft gehad op het behulpzaam zijn bij het voorbereiden van een ontploffing en het verschaffen van middelen en inlichtingen daartoe, als opzet op het gronddelict, te weten het opzettelijk teweegbrengen van een ontploffing.
De rechtbank komt daarmee tot een bewezenverklaring van het bij dagvaarding II ten laste gelegde zoals omschreven onder 3.5.
De bewezenverklaring
De rechtbank is met betrekking tot het bij dagvaarding I met parketnummer 09/042631-25 onder 1 en 2 primair tenlastegelegde en het bij dagvaarding II met parketnummer 09/084601-25 tenlastegelegde van oordeel dat deze feiten wettig en overtuigend zijn bewezen.
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
Dagvaarding I (09/042631-25)
1.
hij op 28 januari 2025 te Den Haag,, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om [benadeelde 1] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven te beroven
- naar Den Haag en Garage Zuiderpark is gereden en zich heeft laten rijden alwaar (een mededader
- een wapen heeft getrokken en
- dit wapen heeft gericht op het hoofd althans het lichaam van die [benadeelde 1] en daarbij meerdere malen de trekker heeft overgehaald en
- [benadeelde 1] meerdere malen in het been heeft geschoten,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2.
hij in de periode van 26 januari 2025 tot en met 28 januari 2025 te Den Haag, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, ter voorbereiding van een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van 8 jaren of meer is gesteld, te weten het opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven beroven (artikel 289 Wetboek van Strafrecht) of het opzettelijk en met voorbedachten rade zwaar mishandelen (artikel 302 en 303 Wetboek van Strafrecht) van [benadeelde 2] ,
opzettelijk voorwerpen, informatiedragers, en een vervoermiddel, te weten
een geladen vuurwapen en
een (personen)auto voor het doen van een voorverkenning en het vervoeren van hem, verdachte, naar de plaats waar voornoemde [benadeelde 2] zich bevond en
(een) telefoon(s) met daarop informatie over de verblijfplaats van [benadeelde 2] en verschillende familieleden van die [benadeelde 2] en
een foto van die [benadeelde 2]
bestemd tot het begaan van dat misdrijf voorhanden heeft gehad;
Dagvaarding II (09/084601-25)
[medeverdachte 2] op 18 maart 2025 te 's-Gravenhage, ter voorbereiding van het te plegen misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, te weten het teweegbrengen van een ontploffing (een misdrijf genoemd in artikel 157 ahf/sub 1 en ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht), opzettelijk voorwerpen en een informatiedrager, bestemd tot het , begaan van genoemd misdrijf, te weten- een telefoon en- een explosief en- een aansteker en- een flesje met benzine,kennelijk bestemd tot het begaan van dat misdrijf voorhanden heeft gehad, bij welk misdrijf hij, verdachte, toen en daar, opzettelijk behulpzaam is geweest en opzettelijk middelen heeft verschaft door die [medeverdachte 2] naar de (nabije) omgeving van de Wingerd te vervoeren en hem het explosief te verstrekken en overhandigen
Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.
4. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.
5. De strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.
6. De strafoplegging
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf jaar, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft vrijspraak bepleit en geen strafmaatverweer gevoerd.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken.
De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van een poging moord, aan het medeplegen van voorbereiding van moord of zware mishandeling met voorbedachte raad en aan medeplichtigheid aan voorbereiding van het teweegbrengen van een ontploffing. Voor de poging tot moord en het voorbereiden van de aanslag op [benadeelde 2] heeft te gelden dat uiteindelijk mede door het handelen van de verdachte de verkeerde persoon, [benadeelde 1] , ernstig gewond is geraakt. De verdachte heeft met zijn handelen ervan blijk gegeven geen enkel respect te hebben voor het leven van het beoogde en het daadwerkelijke slachtoffer. Dit soort incidenten zorgen voor grote onrust en een gevoel van onveiligheid in de samenleving. De poging moord heeft plaatsgevonden op klaarlichte dag en is door veel omstanders gehoord en gezien. Dit alles rekent de rechtbank de verdachte zwaar aan.
Daarnaast is het plegen van aanslagen met explosieven in zijn algemeenheid een groot en toenemend maatschappelijk probleem dat leidt tot gevoelens van angst en grote onveiligheid in de samenleving en in het bijzonder voor de bewoners van de woning waarvoor een explosief wordt neergelegd.
Ten nadele van de verdachte weegt mee dat hij tot op heden geen enkele verantwoordelijkheid voor zijn daden heeft willen nemen.
De bewezenverklaarde feiten rechtvaardigen dan ook de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 29 januari 2026. De rechtbank constateert dat de verdachte niet eerder voor vergelijkbare feiten is veroordeeld en weegt dit noch in het voordeel, noch in het nadeel van de verdachte mee.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van een reclasseringsadvies over de verdachte van
16 juni 2025 dat is uitgebracht in de zaak met parketnummer 09/084601-25, waaruit volgt dat sprake is van problematiek op verschillende vlakken en van een gemiddeld recidiverisico.
Strafmodaliteit en strafmaat
Binnen de rechtspraak bestaan voor poging tot moord en voorbereidingshandelingen geen landelijke oriëntatiepunten. Hoewel zaken zich moeilijk laten vergelijken, heeft de rechtbank bij het bepalen van de straf ook gekeken naar vergelijkbare zaken.
De verdachte en zijn medeverdachte(n) hebben zich naast de poging tot moord op [benadeelde 1] ook nog schuldig gemaakt aan het voorbereiden van een aanslag op [benadeelde 2] . De rechtbank is in deze zaak echter van oordeel dat de twee strafbare feiten als voortgezette handeling van elkaar zijn gepleegd. In niet-juridische taal: de voorbereidingen voor de aanslag op [benadeelde 2] zijn overgevloeid in de poging tot moord op [benadeelde 1] . Die constatering betekent dat er maar één strafbepaling mag worden toegepast en wel die van het zwaarste feit.
Tot slot heeft de verdachte een medeverdachte in een andere zaak gefaciliteerd bij het ondernemen van voorbereidingshandelingen getroffen om een explosie teweeg te brengen. De rechtbank zal zich bij het bepalen van de hoogte van de op te leggen straf mede baseren op in soortgelijke zaken opgelegde straffen.
Strafoplegging
Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van na te melden duur met zich brengt.
Hoewel de reclassering een (deels) voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden adviseert, stelt de rechtbank vast dat de reclassering zich daarbij heeft gebaseerd op slechts één van de drie tenlastegelegde feiten. Gelet daarop en op de aard en de ernst van het tenlastegelegde en gegeven het feit dat een voorwaardelijk strafdeel alleen mogelijk is bij een gevangenisstraf tot en met vier jaren, gaat de rechtbank aan het advies van de reclassering voorbij.
De rechtbank zal alles overwegende aan de verdachte opleggen een gevangenisstraf voor de duur van twaalf jaar, met aftrek van het voorarrest.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.
Vrijheidsbeperkende maatregel 38v Sr
Door mr. J. Klein-Molekamp is namens [benadeelde 1] verzocht om een contactverbod op te leggen op grond van artikel 38v Sr. De rechtbank ziet hier geen mogelijkheid toe, omdat de op te leggen gevangenisstraf de maximale duur van een contactverbod (vijf jaren) te boven gaat.
7. De vordering van de benadeelde partij/de schadevergoedingsmaatregel
Mr. J. Klein-Molekamp heeft zich namens [benadeelde 1] als benadeelde partij gevoegd in het strafproces (09/042631-25) en vordert een schadevergoeding van € 82.590,41, te vermeerderen met de wettelijke rente en onder oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Dit bedrag bestaat uit € 25.340,41 aan materiële schade, te weten een ziekenhuisvergoeding, kosten voor medicatie en verlies van verdienvermogen. Het bedrag bestaat verder nog uit € 56.250,00 aan immateriële schade, op grond van lichamelijk letsel en geobjectiveerd psychisch letsel.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering volledig kan worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente, en heeft oplegging van de schadevergoedingsmaatregel gevorderd.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft de rechtbank verzocht primair verzocht om de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren, gezien de bepleite integrale vrijspraak. Subsidiair heeft de verdediging verzocht om de vordering af te wijzen, althans substantieel te matigen, vanwege de beperkte rol die aan de verdachte kan worden toegeschreven. Verder verzoekt de verdediging om de schadevergoedingsmaatregel niet op te leggen.
Het oordeel van de rechtbank
Artikel 6:166 Burgerlijk Wetboek (BW) bepaalt dat, indien één van tot een groep behorende personen onrechtmatig schade toebrengt en de kans op het aldus toebrengen van schade deze personen had behoren te weerhouden van hun gedragingen in groepsverband, zij hoofdelijk aansprakelijk zijn, indien deze gedragingen hun kunnen worden toegerekend.
Blijkens de wetsgeschiedenis voorziet deze bepaling in een individuele aansprakelijkheid van tot een groep behorende personen (deelnemers) voor onrechtmatig vanuit de groep toegebrachte schade. De mate van betrokkenheid van de afzonderlijke deelnemers bij het onrechtmatig handelen is, anders dan de verdediging kennelijk meent, niet van belang. Deze individuele aansprakelijkheid vindt haar rechtvaardiging in een ieders bijdrage aan het in het leven roepen van de kans dat zodanige schade zou ontstaan (vgl. Hoge Raad 3 november 2020, ECLI:NL:HR:2020:1726).
De rechtbank is van oordeel dat de verdachte zodanig heeft bijgedragen aan het gepleegde geweld dat hij op grond van artikel 6:166 BW met zijn mededader(s) naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde feit is toegebracht.
Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks materiële schade en immateriële schade heeft geleden door het bewezenverklaarde feit. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de benadeelde partij de hoogte van zijn vordering tegenover de (beperkte) betwisting door de verdachte voldoende onderbouwd op alle onderdelen. Dat betekent dat de vordering volledig zal worden toegewezen.
Hoofdelijke toewijzing en wettelijke rente
De rechtbank zal – gelet op het voorgaande – de vordering hoofdelijk toewijzen tot een bedrag van € 82.590,41. De rechtbank zal verder de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 28 januari 2025, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.
Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank zal aan de verdachte de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 82.590,41, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 28 januari 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [benadeelde 1]
8. De toepasselijke wetsartikelen
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:
- 36f, 45, 46, 47, 56, 57, 157, 289, 302, 303 van het Wetboek van Strafrecht;
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.
9. De beslissing
De rechtbank:
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de bij dagvaarding I met parketnummer 09/042631-25 onder 1 en 2 primair tenlastegelegde feiten en het bij dagvaarding II met parketnummer 09/084601-25 tenlastegelegde feit heeft begaan, zoals hierboven onder 3.5 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
dagvaarding I met parketnummer 09/042631-25
ten aanzien van feit 1 en feit 2:
de voortgezette handeling van
medeplegen van poging tot moord
en
medeplegen van voorbereiding van moord of zware mishandeling met voorbedachte raad
dagvaarding II met parketnummer 09/084601-25
ten aanzien van feit 1: medeplichtigheid aan voorbereiding van opzettelijk een ontploffing teweegbrengen
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van 12 (TWAALF) JAREN;
bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
de vordering van de benadeelde partij:
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe en veroordeelt de verdachte hoofdelijk tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde 1] , van bedrag van € 82.590,41, bestaande uit € 25.340,41 aan materiële schade en € 56.250,00 aan immateriële schade, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 28 januari 2025 tot aan de dag der algehele voldoening;
hoofdelijkheid:
bepaalt dat als een van de mededaders de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald de verdachte niet meer verplicht is om dat deel te betalen of te voldoen;
de schadevergoedingsmaatregel:
legt aan de verdachte de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van [benadeelde 1] , van een bedrag van € 82.590,41, bestaande uit € 25.340,41 aan materiële schade en € 56.250,00 aan immateriële schade, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 28 januari 2025 tot aan de dag der algehele voldoening;
bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 314 (driehonderdveertien) dagen; de toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op;
bepaalt dat de verdachte de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de
benadeelde partij heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel te betalen aan de
Staat en dat als de verdachte het toegewezen bedrag deels of geheel aan de Staat heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel aan de benadeelde partij te betalen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. M.L. Harmsen, voorzitter,
mr. E. Rabbie, rechter,
mr. M.M. Koers, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. L.E. Kramer, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 12 februari 2026.