Rechtbank DEN HAAG
Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09/136528-21 (ontneming)
Datum uitspraak: 10 september 2026
Vonnis ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht
De rechtbank Den Haag heeft op de vordering van het openbaar ministerie en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak ten aanzien van de betrokkene:
[betrokkene],
geboren op [geboortedatum] 1979 te [geboorteplaats] ([geboorteland]),
BRP-adres: [adres], [woonplaats] ([land]).
1. Het onderzoek op de terechtzitting
Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 12 mei 2026 en 27 augustus 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van het standpunt dat de officier van justitie mr. F.A. Kuipers op de terechtzitting heeft ingenomen en van hetgeen door de betrokkene en zijn raadsvrouw mr. Ö. Saki op de terechtzitting naar voren is gebracht.
2. De inhoud van de vordering
De inleidende schriftelijke vordering van het Openbaar Ministerie strekt ertoe dat de rechtbank het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel zal schatten en vaststellen op een bedrag van € 75.065,00 en aan de betrokkene de verplichting oplegt tot betaling aan de Staat van dat bedrag.
3. De grondslag voor ontneming
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de grondslag voor ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ligt in het eerste lid van artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de grondslag niet kan liggen in het eerste lid van artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, vanwege de bepleite vrijspraak van het strafbare feit waarop de ontnemingsvordering is gebaseerd.
Oordeel van de rechtbank
De betrokkene is in de strafzaak vrijgesproken. Daarmee is er geen grondslag voor ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. De rechtbank zal daarom de vordering niet-ontvankelijk verklaren.
4. De beslissing
De rechtbank:
verklaart het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vordering ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
Dit vonnis is gewezen door
mr. R. Wieringa, voorzitter,
mr. C.M. Zandbergen, rechter,
mr. W.E. Povel, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. J.E. Stevers, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 10 september 2026.