Rechtbank den haag
Wrakingskamer
wrakingnummer 2026/53
zaak- /rekestnummer: C/09/710704 / KG RK 26-1184
Beslissing van 24 augustus 2026
van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van
[verzoeker] ,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
hierna te noemen: verzoeker,
advocaat mr. S. Kara te Rotterdam,
strekkende tot de wraking van
mr. C. Witteman,
rechter in deze rechtbank,
hierna te noemen: de rechter.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het proces-verbaal van de zitting van 7 augustus 2026, waarin het mondelinge wrakingsverzoek en de gronden daarvoor zijn vermeld;
- de schriftelijke reactie van de rechter van 13 augustus 2026;
- de op 21 augustus 2026 door de advocaat van verzoeker ingediende pleitnotities met producties 1 t/m 4.
Op 24 augustus 2026 is het verzoek tot wraking ter zitting behandeld. Hierbij zijn verschenen:
- verzoeker, bijgestaan door zijn advocaat mr. S. Kara;
- de rechter;
- [wederpartij in de hoofdzaak] , de wederpartij in de hoofdzaak, als toehoorder, bijgestaan door haar advocaat mr. J.J.A. Bosch.
De wrakingskamer heeft op 24 augustus 2026 mondeling uitspraak gedaan, zoals weergegeven in deze beslissing.
2. Het wrakingsverzoek
Het verzoek strekt tot wraking van de rechter in de zaak met nummer C/09/708894 / FA RK 26-7087 tussen verzoeker en mevrouw [wederpartij in de hoofdzaak] . In die zaak heeft mevrouw [wederpartij in de hoofdzaak] verzocht om vervangende toestemming voor inschrijving van de zoon van partijen op een andere school. Het verzoekschrift is behandeld op de zitting van 7 augustus 2026 om 10.00 uur. Op 6 augustus 2026 om 16.38 uur had verzoeker een verweerschrift met zelfstandige verzoeken en producties ingediend. De zelfstandige verzoeken strekken tot wijziging van het hoofdverblijf van de zoon en in geval van afwijzing van dat verzoek, wijziging van de omgangsregeling. De rechter heeft op de mondelinge behandeling beslist het verweerschrift buiten behandeling te laten.
Verzoeker heeft blijkens het proces-verbaal van de zitting, zoals toegelicht bij de mondelinge behandeling van de wrakingskamer, het volgende aan zijn verzoek ten grondslag gelegd. Uit de beslissing van de rechter om het verweerschrift buiten behandeling te laten blijkt de schijn van vooringenomenheid van de rechter. Daarbij de spelen volgens verzoeker de volgende omstandigheden een rol. Ten eerste is het verzoekschrift in behandeling genomen terwijl het dossier onvolledig was. Het F1-formulier, de geboorteakte en een uittreksel uit het gezagsregister ontbraken namelijk. Vervolgens is bij het plannen van de zitting geen rekening gehouden met de deugdelijk onderbouwde verhinderdata van verzoeker, terwijl de rechtbank wist dat verzoeker met de zoon van partijen op vakantie was. Verzoeker had daardoor onvoldoende voorbereidingstijd. De rechter heeft bij haar beslissing om het verweerschrift buiten behandeling te laten geen rekening gehouden met deze omstandigheden. Hierdoor heeft verzoeker geen effectieve mogelijkheid gekregen om schriftelijk en inhoudelijk te reageren op het verzoekschrift en is het beginsel van hoor en wederhoor geschonden. De hele gang van zaken heeft bij verzoeker de schijn van vooringenomenheid gewekt.
De rechter heeft laten weten niet in de wraking te berusten en heeft op het verzoek gereageerd. Die reactie wordt hierna voor zover nodig besproken.
3. De beoordeling
Een rechter kan alleen gewraakt worden als zich omstandigheden voordoen waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan is sprake als de rechter jegens een procesdeelnemer vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Daarbij is het uitgangspunt dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn omdat hij of zij als rechter is aangesteld. Voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid toch schade lijdt, bestaat alleen grond in geval van bijzondere omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van (de objectief gerechtvaardigde schijn van) partijdigheid.
De wrakingskamer stelt voorop dat de beslissing om het verweerschrift buiten behandeling te laten, een procedurele beslissing is. Uitgangspunt is dat een procedurele beslissing – ook als deze onjuist zou zijn – in beginsel geen grond kan vormen voor wraking. Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen brengt immers mee dat het gerecht dat over het wrakingsverzoek moet oordelen (de wrakingskamer) geen oordeel toekomt over de juistheid van de (tussen)beslissing of de motivering daarvan. Dat oordeel is voorbehouden aan de rechter die in geval van de aanwending van een rechtsmiddel belast is met de behandeling van de zaak. Dit is uitsluitend anders, indien de beslissing of de motivering daarvan - in het licht van alle omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten - zo onbegrijpelijk is, dat daarvoor redelijkerwijze geen andere verklaring is te geven dan dat de beslissing door vooringenomenheid is ingegeven. Dat daarvan in dit geval sprake is, is naar het oordeel van de wrakingskamer echter niet gebleken.
De wederpartij had ter zitting bezwaar gemaakt tegen het verweerschrift omdat het te laat was ingediend en de rechter diende een beslissing te nemen of het verweerschrift kon worden toegelaten of niet. Uit het proces-verbaal van de zitting en de toelichting van de rechter blijkt dat de rechter bij de beslissing om het verweerschrift buiten beschouwing te laten, heeft getoetst aan de regels van een goede procesorde en (in dat kader) het procesreglement. De rechter heeft geoordeeld dat de wederpartij – gelet op de late indiening en de inhoud van het verweerschrift – niet in staat was om hier in voldoende mate op te kunnen reageren. De rechter heeft gemotiveerd dat dat de reden is om het verweerschrift buiten beschouwing te laten. Deze beslissing en de motivering daarvan wekt niet de schijn van vooringenomenheid. Het door verzoeker aangehaalde voortraject met betrekking tot het plannen van de zittingsdatum, waaronder begrepen de aanhoudingsverzoeken en de daarover genomen beslissingen door een andere rechter en de stelling dat het inleidende verzoekschrift onvolledig zou zijn, maken dit oordeel niet anders. Het wrakingsverzoek zal worden afgewezen.
4. De beslissing
De wrakingskamer
wijst het verzoek tot wraking af;
bepaalt dat het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het wrakingsverzoek;
beveelt dat (een afschrift van) deze beslissing met inachtneming van het bepaalde bij artikel 39, vierde lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering wordt toegezonden aan:
• de verzoeker p/a zijn advocaat mr. S. Kara;
• de wederpartij in de hoofdzaak p/a haar advocaat mr. J.J.A. Bosch;
• de rechter.
Deze beslissing is gegeven door mrs. A.M. Boogers, M. Rootring en D.E. Alink, in tegenwoordigheid van de griffier mr. J.M.N. van Limpt-Schrover en in het openbaar uitgesproken op 24 augustus 2026.
de griffier de voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.