ECLI:NL:RBDHA:2026:26269

ECLI:NL:RBDHA:2026:26269

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 09-09-2026
Datum publicatie 10-09-2026
Zaaknummer NL26.46410
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Middelburg

Samenvatting

Asiel, Egypte, veilig land van herkomst, reëel risico op ernstige schade, dienstplichtontduiking, afwijzing asielaanvraag als kennelijk ongegrond, beroep ongegrond

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser,

de minister van Asiel en Migratie, verweerder,

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.46410

V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. F.J.M. Schonkeren),

en

(gemachtigde: mr. E. Spijkerman).

Procesverloop

Bij besluit van 12 augustus 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser in de versnelde asielprocedure afgewezen als kennelijk ongegrond.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

De rechtbank heeft het beroep op 3 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van verweerder deelgenomen. Eiser en zijn gemachtigde hebben zich afgemeld voor de zitting.

Overwegingen

1. Eiser stelt de Egyptische nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [datum] 1998. Hij heeft op 12 juli 2026 asiel aangevraagd in Nederland. Eiser heeft aan deze asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij vanwege economische omstandigheden Egypte heeft verlaten. Daarnaast vreest eiser problemen te krijgen met de autoriteiten van Egypte omdat hij dienstplichtig is.

2. Verweerder concludeert in het bestreden besluit dat eiser niet kan worden aangemerkt als vluchteling in de zin van het Vluchtelingenverdrag en dat hij bij terugkeer evenmin een reëel risico loopt op ernstige schade, nu hij de gestelde problemen met de autoriteiten van Egypte vanwege onttrekking aan de dienstplicht niet aannemelijk heeft gemaakt. Op basis van de landeninformatie over Egypte wordt eisers vrees voor een onevenredige bestraffing niet aannemelijk geacht. De asielaanvraag van eiser is afgewezen als kennelijk ongegrond, omdat hij uit een veilig land van herkomst komt en hij de nationaliteit bezit van een land waarvoor in 20% of minder van de gevallen internationale bescherming wordt verleend.

3. Eiser stelt zich op het standpunt dat zijn asielaanvraag ten onrechte is afgewezen als kennelijk ongegrond. Hij voert hiertoe aan dat Egypte in het algemeen niet als veilig land van herkomst kan worden beschouwd. Eiser verwijst daarbij naar drie bijlagen van VluchtelingenWerk Nederland van 14 april 2026 en 18 juni 2026. Voorts volgt uit het algemeen ambtsbericht Egypte van 8 februari 2022 dat er een militaire dienstplicht bestaat voor mannen tussen de 18 en 30 jaar. Eiser is op dit moment 27 jaar en daarmee dienstplichtig. Nu eiser heeft verzuimd zich te registreren voor de militaire dienst wordt dit strafbaar gesteld. Hoewel uit het ambtsbericht volgt dat dienstplichtontduikers niet actief worden opgespoord, volgt er ook uit dat Egyptenaren die met een vervangend reisdocument terugkeren staande worden gehouden voor nader onderzoek. Hiermee kunnen de autoriteiten van Egypte achterhalen dat eiser zijn dienstplicht niet heeft vervuld. Aldus loopt eiser een reëel risico op een schending van artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest.

De rechtbank oordeelt als volgt.

4. De rechtbank stelt voorop dat de omstandigheid dat een land als veilig land van herkomst is aangewezen, geen absolute waarborg vormt voor de veiligheid van iedere onderdaan van dat land. Bij de aanwijzing als veilig land van herkomst wordt uitgegaan van de algemene civiele, juridische en politieke omstandigheden in dat land en met het feit dat actoren van vervolging, foltering of onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing in de praktijk worden gestraft wanneer zij in dat land schuldig worden bevonden. Het begrip veilig land van herkomst kan daarom slechts worden toegepast indien de vreemdeling in het kader van een individuele beoordeling geen elementen naar voren brengt die rechtvaardigen dat het begrip veilig land van herkomst niet op hem van toepassing is.

5. Ingevolge de artikelen 61 en 62 van de Procedureverordening en overweging 18 / bijlage II van de Verordening (EU) 2026/464 is Egypte aangewezen als een veilig land van herkomst, tenzij sprake is van uitzonderingen. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat van een dergelijke uitzondering niet is gebleken. Uit de meest recente beschikbare jaargemiddelden van Eurostat volgt dat voor de gehele Europese Unie het Uniebrede erkenningspercentage voor verzoekers uit Egypte niet hoger is dan 20% van het totale aantal beslissingen dat voor dit derde land wordt genomen.

6. Daarnaast heeft verweerder terecht overwogen dat niet aannemelijk is dat Egypte voor eiser persoonlijk niet veilig is. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij vanwege het niet vervullen van zijn dienstplicht bij terugkeer naar Egypte een gegronde vrees heeft voor een onevenredige of discriminatoire bestraffing. Verweerder heeft in het bestreden besluit terecht gewezen op het ambtsbericht waarin staat dat het niet vervullen van de dienstplicht kan leiden tot een geldboete of een gevangenisstraf van maximaal twee jaren en dat volgens een bron in de praktijk een geldboete de gangbare straf is. Eiser heeft geen informatie overgelegd waaruit blijkt dat de vervolgings- of bestraffingspraktijk hiervan afwijkt. Daarnaast heeft verweerder terecht van belang geacht dat uit het ambtsbericht blijkt dat de Egyptische autoriteiten niet actief zoekt naar dienstplichtigen die hun dienstplicht ontduiken. Eiser heeft dan ook niet aannemelijk gemaakt dat hij een groot risico loopt om wegens het niet vervullen van zijn dienstplicht te worden opgepakt en vervolgd. Gelet op het voorgaande is ook zijn beroep op de detentieomstandigheden in Egypte niet redengevend voor het verlenen van een verblijfsvergunning asiel. Ten aanzien van de illegale uitreis heeft eiser evenmin aannemelijk gemaakt dat hij daardoor problemen zal ondervinden met de autoriteiten van Egypte. Uit het ambtsbericht volgt weliswaar dat personen die illegaal zijn uitgereisd en niet over een uitreisstempel beschikken bij terugkeer het risico lopen te worden gearresteerd, maar daaruit volgt niet dat zij daarmee tevens een risico op gevangenhouding of een gevangenisstraf lopen. Eiser heeft geen informatie overgelegd die tot een ander oordeel leidt. Daarmee heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag, noch dat bij terugkeer een reëel risico bestaat op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM.

7. Ingevolge artikel 30b, eerste lid, van de Vw kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel worden afgewezen als kennelijk ongegrond indien op het tijdstip van afronding van de behandeling een van de gevallen bedoeld in artikel 42, eerste en derde lid, van de Procedureverordening van toepassing is. De rechtbank heeft hiervoor al overwogen dat verweerder Egypte in zijn algemeenheid en voor eiser persoonlijk niet ten onrechte heeft aangemerkt als een veilig land van herkomst. Hiermee is sprake van de gevallen genoemd in artikel 42, eerste lid aanhef onder e en j, van de Procedureverordening. Verweerder heeft de aanvraag terecht op grond van artikel 30b, eerste lid, van de Vw afgewezen als kennelijk ongegrond.

8. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 9 september 2026 door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S.J.I. Hendrickx, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De uitspraak is bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen twee weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand