RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser,
de minister van Asiel en Migratie, verweerder,
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.51679
V-nummer: [V-nummer],
(gemachtigde: mr. C.F. Wassenaar),
en
(gemachtigde: [gemachtigde]).
Procesverloop
Met het bestreden besluit van 3 september 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59a van de Vw opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 9 september 2026 met behulp van een beeldverbinding op zitting behandeld. Eiser is niet verschenen, zijn gemachtigde heeft namens hem het woord gevoerd. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Ambtshalve toets
Vertrekgesprek voorafgaand aan staandehouding
1. Eiser is op 3 september 2026 om 09:02 uur staandegehouden op grond van artikel 50a, eerste lid van de Vw, ter beoordeling van een besluit omtrent inbewaringstelling van een vreemdeling op grond van artikel 59b van de Vw. De staandehouding van eiser vond plaats tijdens de meldplicht van eiser bij het COa. Tijdens deze meldplicht heeft eerst een vertrekgesprek met eiser plaatsgevonden, namelijk om 08:55 uur. Gemachtigde van eiser heeft ter zitting de vraag voorgelegd of eiser wel tijdens deze meldplicht staandegehouden had mogen worden en of het vertrekgesprek wel vrijwillig heeft plaatsgevonden.
2. Voor zover gemachtigde van eiser hiermee heeft willen aanvoeren dat eiser ten onrechte is staandegehouden, volgt de rechtbank eiser hierin niet. Eiser mocht op grond van artikel 50a, eerste lid, van de Vw worden staandegehouden, nu uit het dossier volgt dat de staandehouding ter voorbereiding van een besluit omtrent inbewaringstelling op grond van artikel 59b van de Vw is geschied. Uit de gegevens van DT&V volgt dat eiser dient te worden overgedragen naar Duitsland.
3. Voor zover gemachtigde van eiser heeft willen stellen dat het vertrekgesprek niet vrijwillig heeft plaatsgevonden, overweegt de rechtbank dat het dossier geen aanleiding geeft om te veronderstellen dat eiser tegen zijn wil in heeft deelgenomen aan het vertrekgesprek.
Informatieplicht
4. Uit artikel 5.3, derde lid, van het Vb volgt dat een vreemdeling schriftelijk op de hoogte gesteld moet worden van de maatregel van vreemdelingenbewaring. Gemachtigde van eiser voert aan dat aan deze informatieplicht niet is voldaan. De informatiefolder is in de Koerdisch Kermandji taal aan eiser uitgereikt, maar deze taal is eiser volgens gemachtigde schriftelijk niet machtig.
5. Uit het proces-verbaal van het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling (M110) volgt dat tijdens de uitreiking de maatregel van vreemdelingenbewaring mondeling aan eiser is toegelicht met behulp van een tolk in de Koerdisch Kermandji taal, terwijl ook de inhoud en de strekking van de informatiefolder mondeling aan eiser is uitgelegd. In het gehoor is vastgesteld dat eiser deze taal machtig is en dat hij de tolk begrijpt. Daarmee is eiser voldoende geïnformeerd en is voldaan aan artikel 5.3, derde lid, van het Vb.
Toetsingskader artikel 59a van de Vw
6. Verweerder kan de vreemdeling op wie de ABM-Vo van toepassing is, met het oog op de overdracht aan een verantwoordelijke lidstaat in vreemdelingenbewaring stellen met inachtneming van artikel 44 van de AMB-Vo. In de AMB-Vo staat dat de lidstaten, wanneer er een onderduikrisico bestaat of indien dat noodzakelijk is met het oog op de bescherming van de nationale veiligheid of de openbare orde, de betrokken persoon in vreemdelingenbewaring kunnen houden om overdrachtsprocedures overeenkomstig deze verordening veilig te stellen. Dit geschiedt op basis van een individuele beoordeling van de situatie van de betrokken persoon en enkel voor zover vreemdelingenbewaring evenredig is en andere, minder dwingende alternatieve maatregelen niet effectief kunnen worden toegepast.
7. Op grond van het Vb kan een vreemdeling in vreemdelingenbewaring worden gesteld of een vrijheidsontnemende maatregel worden opgelegd met het oog op de overdracht aan een verantwoordelijke lidstaat als bedoeld in de AMB-Vo indien er een onderduikrisico bestaat of dat noodzakelijk is met het oog op de bescherming van de nationale veiligheid of de openbare orde. De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.
8. Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring.
De aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring
9. In de maatregel van vreemdelingenbewaring heeft verweerder overwogen dat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de AMB-Vo en er een onderduikrisico bestaat.
10. In de maatregel heeft verweerder als gronden vermeld dat eiser:
a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt; d. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat; k. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en geen medewerking verleent aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is op grond van de Asiel- en migratiebeheerverordening; m. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en onmiddellijke overdracht of overdracht op zeer korte termijn noodzakelijk is ten behoeve van het realiseren van de overdracht binnen de termijn die geldt op grond van de Asiel- en migratiebeheerverordening na het akkoord van de lidstaat die verantwoordelijk is op grond van de Asiel- en migratiebeheerverordening; p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden; r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft; s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
11. Gemachtigde van eiser betwist grond d. Eiser heeft geen onjuiste of tegenstrijdige gegevens verstrekt over zijn identiteit. Er is geen sprake van aliassen, maar van verschillende fonetische spellingen van de naam van eiser.
12. In wat gemachtigde van eiser aanvoert, ziet de rechtbank geen aanleiding om de grond d feitelijk onjuist te achten. Eiser heeft in Duitsland in ieder geval verschillende geboorteplaatsen en verschillende geboortedata opgegeven alsmede een variatie aan namen. Grond d is daarmee feitelijk juist.
13. De rechtbank stelt vast dat eiser de overige gronden die door verweerder in de maatregel van vreemdelingenbewaring zijn opgenomen, inhoudelijk niet heeft betwist. De rechtbank is van oordeel dat deze gronden juist zijn en voldoende zijn toegelicht in de maatregel van vreemdelingenbewaring. De gronden zijn voldoende om de maatregel te dragen. Daarom kan worden aangenomen dat er een risico op onderduiken bestaat.
Lichter middel
14. Gemachtigde van eiser voert aan dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom niet kon worden volstaan met een lichter middel dan vreemdelingenbewaring.
15. Verweerder stelt zich, gelet op wat hierboven is geoordeeld over de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd, terecht op het standpunt dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast om te bewerkstelligen dat eiser zal worden overgedragen aan Duitsland. Uit deze gronden, die terecht aan eiser zijn tegengeworpen, volgt dat er een risico op onderduiken bestaat. De overdracht van eiser staat gepland op 10 september 2026, waarmee de uiterste overdrachtsdatum van 11 september 2026 gehaald wordt. Verweerder heeft terecht besloten om eiser in vreemdelingenbewaring te stellen in plaats van een lichter middel, om te voorkomen dat hij zal onderduiken. Verder is niet gebleken van feiten of omstandigheden die de bewaring voor eiser onevenredig bezwarend maken en waarin verweerder aanleiding had moeten zien voor een lichter middel. De beroepsgrond dat verweerder had moeten volstaan met een lichter middel dan de vreemdelingenbewaring slaagt niet.
16. Los van de door eiser aangevoerde gronden ziet de rechtbank geen grond om te komen tot het oordeel dat de maatregel op enig moment onrechtmatig was.
Conclusie
17. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
18. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 10 september 2026 door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van mr. A.M. Verberne, griffier, en openbaargemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.