ECLI:NL:RBDHA:2026:26293

ECLI:NL:RBDHA:2026:26293

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 10-09-2026
Datum publicatie 10-09-2026
Zaaknummer NL26.50834
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Middelburg

Samenvatting

vreemdelingenbewaring – schottentheorie – ongegrond

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser,

de minister van Asiel en Migratie, verweerder,

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.50834

V-nummer: [V-nummer] ,

(gemachtigde: mr. G.A. Dorsman),

en

(gemachtigde: mr. G.T. Cambier).

Procesverloop

Met het bestreden besluit van 31 augustus 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.

Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.

De rechtbank heeft het beroep op 9 september 2026 met behulp van een beeldverbinding op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is aanwezig [tolk]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Ambtshalve toets

Onrechtmatigheid eerdere maatregel van bewaring

1. Eiser voert aan dat verweerder de eerdere maatregel van vreemdelingenbewaring, die op grond van artikel 59b van de Vw, was opgelegd, te laat heeft omgezet naar de huidige maatregel op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a van de Vw 2000. Op 28 augustus 2026 heeft verweerder de asielaanvraag van eiser afgewezen als kennelijk ongegrond. Verweerder had vanaf dat moment twee dagen de tijd om de grondslag van de maatregel te wijzigen. Verweerder heeft echter pas op 31 augustus 2026 de maatregel omgezet naar de huidige grondslag. De maatregel is daarmee één dag te laat omgezet. Hierdoor is er sprake van handelen met enige vorm van te kwader trouw. De “schottentheorie” moet daarom doorbroken worden en de huidige maatregel van vreemdelingenbewaring is daardoor onrechtmatig.

2. De rechtbank stelt vast dat verweerder ter zitting heeft erkend dat de eerdere maatregel van vreemdelingenbewaring te laat is omgezet. De vraag die door de rechtbank beantwoord moet worden is welke gevolgen dat heeft voor de huidige maatregel van vreemdelingenbewaring.

3. De rechtbank stelt voorop dat in het onderhavige beroep uitsluitend de rechtmatigheid van de maatregel van vreemdelingenbewaring van 31 augustus 2026 wordt beoordeeld. Uit de hierboven genoemde “schottentheorie” volgt dat een te late grondslagwijziging een onrechtmatigheid is die kleeft aan de eerdere maatregel van bewaring en deze kan in beginsel niet doorwerken naar de latere maatregel van bewaring. Alleen in het geval van een ernstige schending van fundamenteel rechten of van een opeenstapeling van ernstige gebreken voorafgaand aan de nieuwe maatregel. Eiser heeft niet gesteld en onderbouwd dat daar in dit geval in die mate sprake van is. Ambtshalve toetsend is evenmin gebleken van een dergelijke ernstige schending of van een opeenstapeling van ernstige gebreken.

4. Uit het arrest Bouskoura volgt, kort samengevat, dat de “schottentheorie” in de basis niet onverenigbaar is met het Unierecht, maar dat, ter voorkoming van willekeur, geen sprake mag zijn van enig kwade trouw of misleiding door de autoriteiten. Ter beoordeling ligt dus voor of uit het handelen van verweerder, door te late omzetting van de maatregel, enige kwade trouw of misleiding blijkt. De rechtbank is van oordeel dat daaruit lijkt te volgen dat in het handelen van verweerder sprake moet zijn van enige vorm van opzet. Van een dergelijke vorm van opzet is niet gebleken. Verweerder heeft ter zitting uitgelegd dat op vrijdag 28 augustus 2026 de beschikking is geslagen ten aanzien van de asielaanvraag van eiser, waarna de omzetting van de maatregel op de eerstvolgende werkdag – maandag 31 augustus 2026 – heeft plaatsgevonden. De rechtbank overweegt dat het zonder meer een slordig en ergerlijk tekortschieten in de werkprocessen aan de zijde van verweerder betreft en dat van verweerder meer verwacht mag worden, maar dat niet is gebleken dat verweerder eiser heeft willen benadelen door de maatregel te laat om te zetten. Gelet op het voorgaande is er geen reden voor doorbreking van de schottentheorie en werkt de onrechtmatigheid in de voorafgaande maatregel niet door in de huidige maatregel. Deze beroepsgrond slaagt niet.

Toetsingskader

5. Verweerder kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen. Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring. Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.

De aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring

6. Verweerder heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zal onderduiken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.

7. In de maatregel heeft verweerder als gronden vermeld dat eiser:

a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt; b. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven; h. heeft te kennen gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan de verplichting tot terugkeer; p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden; r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft; s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.

8. De rechtbank stelt vast dat eiser de gronden die door verweerder in de maatregel van vreemdelingenbewaring zijn opgenomen, inhoudelijk niet heeft betwist. De rechtbank is van oordeel dat deze gronden juist zijn en voldoende zijn toegelicht in de maatregel van vreemdelingenbewaring. De gronden zijn voldoende om de maatregel te dragen. Daarom kan worden aangenomen dat er een risico op onderduiken bestaat.

9. Ook overigens is niet gebleken dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig is geweest.

Conclusie

10. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan op 10 september 2026 door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van mr. A.M. Verberne, griffier, en openbaargemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

Deze uitspraak is bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. K.M. de Jager

Griffier

  • mr. A.M. Verberne

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand