Rechtbank DEN HAAG
Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummers: 09/150437-23 en 09/236077-21 (tul)
Datum uitspraak: 12 februari 2026
Tegenspraak
(Promisvonnis)
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de meervoudige kamer verwezen zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[de verdachte] ,
geboren op [geboortedatum 1] 2001 te [geboorteplaats 1] ,
BRP-adres: [adres]
1. Het onderzoek ter terechtzitting
Het onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 26 augustus 2024, 18 november 2024, 5 februari 2025, 1 mei 2025, 19 september 2025 (alle pro forma) en 28 januari 2026 (inhoudelijke behandeling).
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie
mr. S. Polderman en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. J.B. van Faassen naar voren is gebracht.
2. De tenlastelegging
Aan de verdachte is - na wijziging - ten laste gelegd dat:
1.
hij op één of meerdere momenten in of omstreeks de periode van 10 januari 2023 tot en met 14 mei 2024 te Leiden en/of Katwijk, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk
heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad
een of meerdere hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende cocaïne en/of een of meerdere hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende MDMA/XTC, en/of een of meerdere hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende heroïne, zijnde cocaïne en/of MDMA/XTC en/of heroïne, (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
2.
hij op één of meerdere momenten in of omstreeks de periode 30 mei 2022 tot en met 14 mei 2024 te Leiden en/of Katwijk, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen, te weten
- het opzettelijk binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen,
- het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren, en/of
- het opzettelijk vervaardigen van cocaïne, XTC/MDMA, in elk geval een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet
- een ander heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen en/of uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen,
- zich en/of een ander gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen,
- voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte en/of zijn mededader(s), wist(en) of ernstige reden had(den) om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit, door
- besprekingen te voeren over de prijs en/of het transport van verdovende middelen van en/of naar Duitsland, althans van en/of naar het buitenland, en/of
- verdovende middelen voorhanden te hebben en/of vervolgens (per auto) verdovende middelen te vervoeren van en/of naar Duitsland, althans het buitenland;
3.
hij in of omstreeks de periode van 11 maart 2024 tot en met 12 maart 2024 te Leiden, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [benadeelde 1] wederrechtelijk van de vrijheid heeft/hebben beroofd en/of beroofd gehouden, door met zijn mededaders:
- het voertuig van die [benadeelde 1] klem te rijden en/of tegen die [benadeelde 1] te zeggen dat hij uit zijn voertuig moet stappen,
- die [benadeelde 1] uit zijn voertuig te trekken en/of te halen,
- die [benadeelde 1] in een ander voertuig te duwen en/of te plaatsen,
- die [benadeelde 1] in dit voertuig te vervoeren naar een andere locatie,
- die [benadeelde 1] (vervolgens) meermalen in het gezicht, althans tegen het lichaam, te slaan en/of te schoppen, en/of
- die [benadeelde 1] met zijn mobiele telefoon te filmen terwijl hij een bekentenis aflegt;
4.
hij op of omstreeks 14 april 2024 te Leiden tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om aan [benadeelde 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, samen met zijn mededader(s) die [benadeelde 2] meermalen met zijn vuist in
het gezicht, althans tegen het hoofd, heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 14 april 2024 te Leiden tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen [benadeelde 2] heeft mishandeld door samen met zijn mededader(s) die [benadeelde 2] meermalen met zijn vuist in het gezicht, althans tegen het hoofd, te slaan;
5.
hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode 16 mei 2023 tot en met 11 maart 2024 te Leiden en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
A.
een ander of anderen, te weten [benadeelde 3] ,
(sub 1)
(telkens) door dwang en/of geweld en/of een andere feitelijkheid en/of door dreiging met geweld en/of door dreiging met een andere feitelijkheid en/of afpersing en/of misleiding en/of door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of door misbruik van een kwetsbare positie heeft geworven, vervoerd, overgebracht, gehuisvest of opgenomen, met het oogmerk van uitbuiting van die [benadeelde 3]
en/of
(sub 4)
(telkens)) door dwang en/of geweld en/of een andere feitelijkheid en/of door dreiging met geweld en/of door dreiging met een andere feitelijkheid en/of afpersing en/of misleiding en/of door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of door misbruik van een kwetsbare positie die [benadeelde 3] heeft gedwongen of bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten, dan wel enige handeling heeft ondernomen waarvan hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat die [benadeelde 3] zich
beschikbaar zou stellen tot het verrichten van arbeid of diensten
en/of
B.
(sub 6)
opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van die [benadeelde 3] immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader(s)
- misbruik gemaakt van de harddrugsverslaving van die [benadeelde 3] en/of
- die [benadeelde 3] een schuld laten opbouwen door het afnemen van harddrugs en/of
- die [benadeelde 3] te zeggen dat hij een schuld moest afbetalen door harddrugs te verkopen en/of vervoeren voor
verdachte en/of zijn mededader(s) en/of
- die [benadeelde 3] harddrugs (cocaïne en heroïne) laten verkopen en/of vervoeren voor verdachte en/of zijn mededader(s) en/of
- die [benadeelde 3] mishandeld en/of wederrechtelijk van zijn vrijheid beroofd en/of
- die [benadeelde 3] mishandeld als hij zijn telefoon uitzette (waardoor hij niet bereikbaar was voor afnemers van drugs) en/of
- die [benadeelde 3] bedreigd dat een vinger zou worden afgeknipt als hij zijn schuld niet zou afbetalen en/of
- die [benadeelde 3] bedreigd dat hij drugs zou moeten smokkelen van en naar Zuid-Amerika in zijn lichaam om zijn schuld af te betalen;
3. De bewijsbeslissing
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder 1 tot en met 5 tenlastegelegde (voor wat betreft feit 4 het primair tenlastegelegde).
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich namens de verdachte gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de bewezenverklaring van het onder 1 – met uitzondering van de ten laste gelegde periode – en 4 tenlastegelegde. De raadsman heeft ten aanzien van de overige feiten vrijspraak bepleit.
De beoordeling van de tenlastelegging
De feiten 1 en 4
De rechtbank zal voor de opgemelde feiten met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering volstaan. De verdachte heeft de feiten 1 en 4 namelijk bekend en daarna niet anders verklaard. Daarnaast heeft de raadsman geen vrijspraak bepleit. Ten aanzien van de bewijsmiddelen en de overwegingen voor de overige feiten verwijst de rechtbank naar overweging 3.3.2.
De rechtbank gebruikt de volgende bewijsmiddelen voor feit 1:
De bekennende verklaring van de verdachte in het proces-verbaal van verhoor verdachte [de verdachte] , opgemaakt op 6 januari 2026, [bijnaam 4] . A702-A708.
Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 11 april 2024, [bijnaam 4] . A190-A192;
Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 11 april 2024, [bijnaam 4] . A208-211;
Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 26 maart 2024, [bijnaam 4] . A229-234;
Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 29 maart 2024, [bijnaam 4] . A284-291;
Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 3 april 2024, [bijnaam 4] . A326-328;
Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 29 april 2024, [bijnaam 4] . A342-A345;
Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 29 april 2024, [bijnaam 4] . A346-A353;
Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 25 april 2024, [bijnaam 4] . A382-385;
Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 16 april 2024, [bijnaam 4] . A386-392;
Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 23 juli 2024, [bijnaam 4] . A588-595;
Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 28 oktober 2024, [bijnaam 4] . A628-650;
Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 28 maart 2024, [bijnaam 4] . A655-685;
Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 22 april 2024, [bijnaam 4] . B125-133;
Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 23 april 2024, [bijnaam 4] . B149-152;
Het proces-verbaal van bevindingen opgemaakt op 16 april 2024, [bijnaam 4] . B153 en B154;
Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 10 april 2024, [bijnaam 4] . B332 en 333;
Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 28 maart 2024, [bijnaam 4] . B416-423;
Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 28 maart 2024, [bijnaam 4] . B424-427;
Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 15 april 2024, [bijnaam 4] . B428-476;
Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 29 juli 2024, [bijnaam 4] . B559-576;
Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 28 oktober 2024, [bijnaam 4] . B609-626;
Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 4 augustus 2024, [bijnaam 4] . B627-639;
Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 11 september 2023, [bijnaam 4] . E27-30;
Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 11 juni 2024, [bijnaam 4] . E60-E64.
De rechtbank gebruikt de volgende bewijsmiddelen voor feit 4:
De bekennende verklaring van de verdachte op de terechtzitting van 28 januari 2026;
Het proces-verbaal van aangifte van [benadeelde 2] , opgemaakt op 24 april 2024, [bijnaam 4] . I7-9
Een geschrift, te weten een geneeskundige verklaring, opgemaakt op 30 april 2024 door huisarts [naam 1] , [bijnaam 4] . I17;
Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 14 mei 2024, [bijnaam 4] . I25;
De bewijsmiddelen en bewijsoverwegingen voor de feiten 2, 3 en 5
3.3.2.1. Feit 2: voorbereidingshandelingen uitvoer verdovende middelen
De rechtbank acht de bewijsmiddelen als weergegeven in de voetnoten redengevend voor het bewijs.
Wanneer het over ‘ [de verdachte] ’ gaat, wordt bedoeld de verdachte [de verdachte] . Wanneer het over ‘ [medeverdachte 1] ’ gaat, wordt bedoeld de medeverdachte [medeverdachte 1] .
Op 20 juni 2023 is onder [medeverdachte 1] een telefoon, een iPhone 11 Pro Max, in beslag genomen. De data van deze telefoon zijn onderzocht; daaronder bevindt zich onder meer een WhatsAppgesprek tussen [medeverdachte 1] en [de verdachte] . Hierin wordt door [medeverdachte 1] op 30 mei 2023 gezegd: ‘Steen is al over de gr’ [de rechtbank begrijpt: grens]. In een Signalgesprek op 21 juni 2023 met [de verdachte] geeft [medeverdachte 1] te kennen naar Duitsland te gaan, [de verdachte] wil mee. [de verdachte] werkt TT in en maakt nu de voorraad voor Noordwijk. [medeverdachte 1] zegt dat het aardig loopt maar het is nog niet genoeg.
Daarnaast zijn chats met Duitse telefoonnummers aangetroffen. In die chats, met onder meer audioberichten, gaat het over verdovende middelen en worden afbeeldingen van vermoedelijk XTC-pillen en cocaïne verstuurd. Op deze afbeeldingen zijn namelijk pillen en een witte substantie zichtbaar, die wat uiterlijk betreft gelijkend zijn op XTC en cocaïne. Het gaat onder meer om de volgende gesprekken:
Tussen het contact “ [contact 1] ” [telefoonnummer 1] en “ [contact 2] ” [telefoonnummer 2] is een whatsappgesprek aangetroffen. De periode van dit gesprek betreft 3 juni 2023 00:58 uur tot en met 20-6-2023 17:55 (UTC+0). De berichten gaan vermoedelijk over verdovende middelen kopen c.q. verkopen in Duitsland. [telefoonnummer 2] geeft aan in Nederland te zijn maar een vriend is in Paderborn.
Tussen [telegramaccount 1] [contact 3] [telegramaccount 2] ( [contact 4] ) werd een Telegramgesprek aangetroffen. De periode van dit gesprek betreft 12 juni 2023 14:35 uur tot en met 16 juni 2023 14:04 uur (UTC+0). De berichten gaan over verdovende middelen. Door [telegramaccount 1] [contact 3] worden een foto en een video gestuurd waarop vermoedelijk een blok cocaïne te zien is. Op de afbeelding is een witte substantie zichtbaar, die wat uiterlijk betreft gelijkend is op cocaïne.
Uit een tapgesprek van 3 september 2023 op [telefoonnummer 3] , in gebruik bij [de verdachte] volgt dat [de verdachte] kennelijk geld gaat verdienen in Duitsland. In een ander gesprek meldt [de verdachte] over de grens te zijn en alles alleen te rijden:
Op 12 maart 2024 is [de verdachte] aangehouden op verdenking van wederrechtelijke vrijheidsberoving. Bij de aanhouding werd in zijn voertuig in het middenconsole een iPhone 8 aangetroffen. De data uit de telefoon zijn onderzocht en daaruit volgt onder meer het volgende.
De telefoon lijkt te zijn gebruikt door ten minste twee personen, namelijk een persoon die zich “ [bijnaam 1] ” ( [bijnaam 3] ) noemt en een persoon die zich “ [bijnaam 2] ” noemt. Uit het dossier volgt dat de bijnaam van [de verdachte] ‘ [bijnaam 3] ’ is en dat ‘ [bijnaam 2] ’ ook wel ‘ [bijnaam 4] ’ de bijnaam is van [medeverdachte 1] . Op de telefoon staan chats, voornamelijk met personen die gebruik maken van Duitse telefoonnummers. In de telefoon staan 55 contacten waarvan 41 met een Duits telefoonnummer. Uit de berichten blijkt onder meer het volgende:
- In een WhatsAppgesprek op 9 maart 2024 met [telefoonnummer 4] [naam 2] wordt gesproken over heroïne en brown. De prijs is 32. Het is de rechtbank ambtshalve bekend dat ‘bruin’ (brown) in het jargon van handelaren en gebruikers een andere naam voor heroïne is.
- In een WhatsAppgesprek op 7 en 9 maart 2024 met [whatsappaccount 1] [naam 3] wordt gevraagd of [naam 3] nog klanten heeft voor ‘brown’.
- In een WhatsAppgesprek op 13 februari 2024 met [whatsappaccount 2] Heidelberg geeft de gebruiker van de telefoon aan dat hij de volgende dag naar Ulm, een stad in Duitsland, komt. Hij neemt mee: ‘200 for 32’.
- Dat de gebruiker vaker naar Ulm afreist, blijkt uit een gesprek tussen de gebruiker en [whatsappaccount 3] [contact 1] , waarin de gebruiker meldt: ‘We coming. Saturday again to Ulm.’ [contact 1] stuurt op 11 maart 2024: Okay bro, but last time the one you brought my people are complaining that it is not so strong, please can you bring me stronger one if possible’, waarop de gebruiker zegt: ‘Ok bro This one is stronger’.
- De gebruiker stuurt op 10 februari 2024 naar een tegencontact het bericht: ‘I’m grom [de rechtbank leest: from] Holland the guy with the [bijnaam 1] . Friend of [bijnaam 2] . You know me, I came last week with the stuff with [bijnaam 2] together from Holland’.
Op 12 maart 2024 is een iPhone 12 in beslag genomen. De gebruiker van deze telefoon lijkt [de verdachte] te zijn. Op de telefoon zijn meerdere afbeeldingen en video’s aangetroffen van grote hoeveelheden geld. Op 3 maart 2024 omstreeks 13:47 uur is de telefoon met nummer [telefoonnummer 5] in gebruik bij [de verdachte] en het voertuig voorzien van kenteken [kenteken 1] op naam van [de verdachte] , bij de grensovergang naar Duitsland. Om 20:48 uur zijn ze weer terug bij de grensovergang, terug in Nederland. Om 22:01 uur is er een video gemaakt waarop [medeverdachte 1] zittend in een auto te zien is met een stapel geld in zijn handen.
Op 10 maart 2024, omstreeks 02:42 uur is zowel de telefoon met nummer [telefoonnummer 5] als het voertuig voorzien van kenteken [kenteken 1] op naam van [de verdachte] ter hoogte van Zevenaar weer de grens over vanuit Duitsland naar Nederland. Om 04:11 uur maakt [de verdachte] een video van zichzelf in de auto met een pak geld in zijn handen.
Op 14 mei 2024 is [de verdachte] aangehouden. Bij de aanhouding werd in zijn voertuig een iPhone 13 aangetroffen en in beslag genomen. De data van het toestel zijn veiliggesteld en onderzocht. Uit dat onderzoek is gebleken dat de telefoon bij [de verdachte] in gebruik is geweest. De telefoon is van maart 2024 tot mei 2024 in gebruik geweest. In deze in beslag genomen telefoon staan gesprekken met personen die gebruik maken van
een Duits telefoonnummer. In een van deze gesprekken geeft [de verdachte] op 6 april 2024 te kennen dat hij naar Duitsland wil komen.
Uit onderzoek is gebleken dat [de verdachte] gebruik maakt van de volgende voertuigen:
[kenteken 2] Audi A3;
[kenteken 3] Mercedes-Benz;
[kenteken 4] Volkswagen Golf.
Uit analyse van historische verkeersgegevens, aangesloten printer(taps) en ANPR-gegevens blijkt dat de telefoonnummers/voertuigen in gebruik bij [medeverdachte 1] en [de verdachte] gedurende een periode van 9 juli 2023 tot en met 19 maart 2024 diverse reisbewegingen naar Duitsland hebben gemaakt.
Overwegingen met betrekking tot het bewijs van feit 2
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het bestanddeel ‘bestemd tot het plegen’ (van een feit als bedoeld in artikel 10, vierde of vijfde lid, van de Opiumwet) ten aanzien van de verdachte niet bewezen is.
Het bestanddeel ‘bestemd tot het begaan’ uit artikel 46 van het Wetboek van Strafrecht en de uitleg daarvan is onverkort van toepassing op het bepaalde in artikel 10a van de Opiumwet. De rechtbank moet beoordelen of de voorbereidingsmiddelen naar hun uiterlijke verschijningsvorm kennelijk zijn bestemd tot het begaan van het misdrijf. In deze beoordeling moet worden betrokken het gebruik dat van de middelen wordt gemaakt alsook het misdadige doel dat de verdachte met het gebruik van die voorwerpen voor ogen had (vgl. HR 20 februari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ0213 en HR 9 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1503).
Voor een bewezenverklaring van voorbereidingshandelingen in de zin van de Opiumwet is vereist dat de dader opzet heeft gehad dat hij met zijn handelen het uitvoeren van harddrugs bevorderde.
Uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte als gebruiker van de iPhone 8 gesprekken heeft gevoerd met Duitse tegencontacten over de uitvoer van en handel in verdovende middelen. De verdachte en zijn medeverdachte hebben het met hun tegencontacten gehad over beschikbaarheid, kwaliteit en prijzen van onder meer heroïne en cocaïne. Er werd gesproken over de momenten waarop de verdachte(n) naar Duitsland zouden komen en er zijn ook daadwerkelijk verschillende reisbewegingen gedurende een langere periode naar Duitsland gemaakt. De verdachte heeft video’s gemaakt waarin te zien is dat hij met grote hoeveelheden geld terugkomt uit Duitsland. Voorts zijn foto’s van – naar alle waarschijnlijkheid – blokken cocaïne over en weer gestuurd. In de chatgesprekken werden regelmatig afkortingen of versluierde taal gebruikt die duiden op verdovende middelen. De politie heeft duiding gegeven aan de verschillende termen en begrippen die in de chatgesprekken zijn gebruikt. De rechtbank volgt die uitleg van de politie, ook omdat deze duiding past bij de context van de gevoerde gesprekken en de samenhang tussen de chatberichten en afbeeldingen die bij die chatberichten zijn verstuurd. De rechtbank is gelet op de inhoud van deze chats van oordeel dat de verdachte opzet heeft gehad op het plegen van voorbereidingshandelingen van de uitvoer van, en de handel in, verdovende middelen en dat hij daartoe middelen, vervoermiddelen, stoffen en gelden voorhanden heeft gehad. Deze middelen, in onderlinge samenhang bezien, waren naar hun uiterlijke verschijningsvorm mede gezien de context waarin die middelen zijn gebruikt en het misdadige doel – namelijk de export van verdovende middelen – dat de verdachten voor ogen hadden, bestemd tot het begaan van het misdrijf.
Van de onderdelen die zien op het vervaardigen, telen, bereiden, bewerken, en verwerken van drugs gedurende de pleegperiode zal de verdachte worden vrijgesproken. Datzelfde geldt voor de onderdelen die zien op het een ander bewegen en zichzelf en een ander gelegenheid, middelen en inlichtingen verschaffen.
Conclusie
Op grond van het voorgaande, en de hierboven genoemde bewijsmiddelen, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich tezamen met anderen opzettelijk ter voorbereiding en bevordering van het opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland brengen van verdovende middelen voorwerpen, vervoersmiddelen, stoffen en gelden voorhanden heeft gehad, zoals omschreven onder 3.4.
3.3.2.2. Feit 3: wederrechtelijke vrijheidsberoving
Bij dit feit gaat het om wederrechtelijke vrijheidsberoving van een persoon genaamd [benadeelde 1] . De rechtbank acht de volgende feiten en omstandigheden redengevend voor het bewijs.
Op 11 maart 2024 rond 23:00 uur zag getuige [getuige 1] drie auto’s stilstaan. Het ging om twee zwarte auto’s en een witte Opel. Hij hoorde hard geschreeuw en zag dat één man uit een zwarte auto werd getrokken. Dat zag er hardhandig uit. In totaal zag de getuige een groep van acht à tien man. Er werd twee of drie keer geschreeuwd ‘dit is de laatste keer nu moet je echt uitstappen’, ‘ik ga het niet nog een keer zeggen’.
Getuige [getuige 2] heeft verklaard dat hij rond 23:00 uur wakker werd door geschreeuw. Hij hoorde ‘kom mee’. Toen hij uit het raam keek zag hij een donkere Seat Ibiza in het midden, daarachter een zwarte Volkswagen Golf en daarvoor weer een witte Volkswagen Golf met zijn neus naar de Seat. De getuige zag dat de bestuurder van de Seat Ibiza geduwd werd. De bestuurder van de Seat Ibiza stapte in de witte Golf samen met drie andere mannen en reed met hoger snelheid weg. Een van de personen stapte vervolgens in de Seat Ibiza en parkeerde deze bij de Condorhorst. De zwarte Golf reed daar ook heen en pikte deze persoon weer op. Vervolgens reed ook de zwarte Golf weg.
De politie werd ingeschakeld, waarbij verbalisant Reus van de melder vernam dat de bestuurder van de grijze Seat Ibiza in de witte Volkswagen GTI werd geduwd, dat werd geschreeuwd en dat voornoemde Volkswagen met hoge snelheid wegreed in de richting van de Ketelmeerlaan.
Op de Condorhorst trof de politie een grijze Seat Ibiza aan, voorzien van kenteken
[kenteken 5] . Dit voertuig bleek op naam te staan van [benadeelde 1] , geboren [geboortedatum 2] 2003 te [geboorteplaats 2] ( [geboorteland] ). De verbalisanten waren de plaats delict aan het bewaken toen zij op 12 maart 2024 omstreeks 01:00 uur zagen dat twee voertuigen, te weten een zwarte en een witte Volkswagen Golf, hen met hoge snelheid passeerden. Getuige [getuige 2] verklaarde hierover: ‘Rond 01.00 uur zag ik de twee auto's weer. Dat was toen ze langs je collega's reden. Ze reden precies achter elkaar. Ik weet zeker dat dit dezelfde auto's waren als ik eerder had gezien. Het waren precies dezelfde uitvoeringen van Volkswagen Golf en een zwarte en een witte. Toen heb ik opnieuw de politie gebeld.’
Nadat de voertuigen waren staande gehouden bleken er meerdere personen in te zitten, onder wie [de verdachte] als bestuurder van de witte Volkswagen Golf en [benadeelde 1] links op de achterbank in de zwarte Volkswagen Golf. Toen [benadeelde 1] zijn handen voor zijn gezicht weghaalde, zag de verbalisant dat deze een gezwollen gezicht had. Hij zag dat beide ogen dicht zaten en gezwollen waren. Hij zag dat er bloed over het gehele gelaat zat. In de middenconsole van de zwarte Volkswagen Golf is een contactsleutel van een Seat aangetroffen. Deze sleutel bleek later de contactsleutel van de grijze Seat Ibiza te zijn.
Achteraf is gebleken dat de neus van [benadeelde 1] en zijn rechter oogkas gebroken waren.
Uit onderzoek naar de data uit de telefoon van [de verdachte] , een iPhone 12 met nummer [telefoonnummer 5] , volgt onder meer het volgende.
- Een gesprek op snapchat tussen [snapchataccount 1] ( [de verdachte] ) en [snapchataccount 2] : Op 12-03-2024 om 00:26 stuurt [snapchataccount 1] een foto en een filmpje. Hij schrijft daarbij: "Voor het geval die nog aangifte wou doen van vanavond, hang je daarna 5/6 jaar". [snapchataccount 2] vraagt: "Wat zegt die nou?". [snapchataccount 1] zegt: "Die overval in Rijnsburg. Effe een bekentenis. Als hij mij verraadt. Heb ik dit voor hem. Hoerekind". [snapchataccount 2] : "Oh wauw, wat een flikker. Zieligerd"
Als je het filmpje bekijkt, zie je [benadeelde 1] . Je ziet dat [benadeelde 1] bloed in zijn gezicht heeft. Je hoort hem het volgende zeggen: "Ik heb die OV in Rijnsburg gedaan op de Vinkenweg".
- Een gesprek op Whatsapp tussen nummer [telefoonnummer 6] ( [de verdachte] ) en [naam 4] met het nummer [telefoonnummer 7] . Op 11-03-2024 om 22:34 uur stuurt [naam 4] : "Wat ben je aan het doen?". [de verdachte] stuurt "Heb iemand total los geslagen. Bericht je zo". [naam 4] : "Wat? Kijk je uit?". [de verdachte] stuurt ..: "Ja no worry. Ga nu naar de volgende". Om 23:28 uur stuurt ..: "Heb hier eentje mee in de auto ik ga je straks contacten". [naam 4] vraagt: "Hoe bedoel je? Die je hebt geslagen?". [de verdachte] stuurt ..: "Heb hem hier meegenomen. Naar me huis. Zit te wachten tot ze vriendje komt 20 betalen. Oke laat het ik vertel je teveel". [naam 4] vraagt: "Hoe bedoel je schat?. Je kan me alles vertellen he". [de verdachte] stuurt ..: "Geen zorgen ik ben oké. Ze vriendje moet 20 ruggen komen betalen anders wordt het een lange nacht".
- Er wordt nog een tweede filmpje aangetroffen waarin [benadeelde 1] zegt dat hij ‘die OV in Rijnsburg’ heeft gedaan. In dit filmpje is nog een andere man te horen, die door een van de verbalisanten wordt herkend als [de verdachte] .
Uit de metadata is gebleken dat de filmpjes zijn gemaakt op de Rijnsburgerweg te Leiden.
Overwegingen met betrekking tot het bewijs van feit 3
De verdediging stelt zich op het standpunt dat de verdachte [benadeelde 1] tegenkwam en dat hij vrijwillig met hem is meegegaan. De verdachte zou die avond louter een bemiddelende rol hebben gespeeld in een conflict tussen twee partijen. De verdachte heeft [benadeelde 1] weliswaar mishandeld, maar uit het dossier blijkt niet dat [benadeelde 1] zich op enig moment niet heeft kunnen onttrekken.
Op basis van de gebezigde bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat [benadeelde 1] door twee auto’s, een witte Volkswagen Golf met kenteken [kenteken 1] en een zwarte Volkswagen Golf met kenteken [kenteken 6] , is klemgereden. In die twee auto’s zat een groep mannen, onder wie de verdachte. Vervolgens is [benadeelde 1] onder luid geschreeuw dat hij mee moest komen, hardhandig uit zijn auto getrokken en in de witte Volkswagen Golf geduwd. De witte Volkswagen Golf met daarin [benadeelde 1] is daarna weggereden. Een van de mannen heeft de auto van [benadeelde 1] , een Seat Ibiza, een stukje verderop geparkeerd en is vervolgens door de mannen in de zwarte Volkswagen Golf opgehaald, waarna ook zij met hoge snelheid zijn wegreden.
[benadeelde 1] is vervolgens naar een andere locatie vervoerd, waar hij door de verdachte is mishandeld en waar hij van de verdachte een bekentenis heeft moeten afleggen over een overval in Rijnsburg, terwijl hij werd gefilmd. De locatiegegevens van de filmpjes wijzen erop dat de opnames zijn gemaakt op de Rijnsburgerweg te Leiden. De verdachte bericht die avond ook ‘ik heb iemand total loss geslagen’ en ‘ik heb hier eentje mee in de auto’ en ‘heb hem hier meegenomen. Naar me huis’.
De auto van [benadeelde 1] is door de politie aangetroffen op de door een getuige aangewezen plek. De politie is daar blijven posten en zag later op de avond de twee eerder genoemde Volkswagens hen met hoge snelheid tegemoet rijden. Toen de politie de auto’s staande hield, troffen ze onder anderen [benadeelde 1] aan in de zwarte Volkswagen Golf. [benadeelde 1] had zichtbaar letsel in zijn gezicht. In de middenconsole van de zwarte Volkswagen Golf is de sleutel van de auto van [benadeelde 1] aangetroffen. De verdachte was op dat moment de bestuurder van de witte Volkswagen Golf.
Uit het voorgaande leidt de rechtbank af dat de verklaring van de verdachte geen steun vindt in de bewijsmiddelen. Uit die bewijsmiddelen volgt immers dat [benadeelde 1] eerst door de verdachten van zijn vrijheid is beroofd op het moment dat hij werd klemgereden, hardhandig uit zijn auto is getrokken, in een andere auto is geduwd en naar de woning van de verdachte is gebracht. Vervolgens is hij door de verdachten van zijn vrijheid beroofd gehouden doordat zij hem hebben vastgehouden in de woning, hem daar hebben mishandeld en hem een bekentenis hebben laten afleggen. Uiteindelijk is hij weer met de auto teruggebracht. Gelet hierop concludeert de rechtbank dat [benadeelde 1] niet vrijwillig is meegegaan en zich voorts op geen enkel moment aan de controle van zijn ontvoerders heeft kunnen onttrekken, zodat sprake is geweest van wederrechtelijke vrijheidsberoving.
Conclusie
Concluderend acht de rechtbank, op grond van het voorgaande en de hiervoor genoemde bewijsmiddelen, bewezen dat de verdachte tezamen en in vereniging met anderen [benadeelde 1] wederrechtelijk van zijn vrijheid heeft beroofd en beroofd heeft gehouden, zoals omschreven onder 3.4.
3.3.2.3. Feit 5: mensenhandel
Bij dit feit gaat het om mensenhandel. De rechtbank acht de volgende feiten en omstandigheden redengevend voor het bewijs.
Op 15 november 2023 zag verbalisant [verbalisant] dat er een jonge man, van wie later bleek dat dit [benadeelde 3] was, het politiebureau in Lisse binnenkwam. Ze zag dat hij bloed had aan de duim van zijn rechterhand. Hij vertelde dat hij zojuist in een auto was getrokken door drie mannen en dat hij in elkaar was geslagen met stokken en vuisten. Hij liet zien dat een van zijn hoektanden los zat. [benadeelde 3] vertelde dat het ging om een zwarte Mercedes met Duits kenteken. Hij verklaarde dat [de verdachte] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] hem hadden mishandeld. Hij vertelde aan de verbalisant dat hij niet veel wilde zeggen, maar dat er veel gebeurd was en dat hij bang was voor de gevolgen als hij wel aangifte deed. Verder verklaarde [benadeelde 3] het volgende:
Hij is zes jaar verslaafd aan drugs, hij gebruikt nu cocaïne en heroïne. Eerder dit jaar heeft hij een vuurwapen op zijn hoofd gehad en is er naast zijn hoofd geschoten. Hij zou geld schuldig zijn aan [de verdachte] . Afgelopen nacht was hij naar de caravan van [naam 5] gegaan was om te overnachten op de Duinpan. Hij was al eerder bedreigd door [de verdachte] , omdat hij vijf gram heroïne zou hebben achtergehouden. Hij en [naam 5] waren in de caravan en ineens stonden [de verdachte] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] in de caravan. Hij is bedreigd door [de verdachte] met de woorden ‘We maken je af, we komen je opzoeken’. Hij is meerdere keren hard geslagen met vuisten en met stokken. [de verdachte] nam hierbij de leiding. Vervolgens werd hij in de auto getrokken en vastgehouden. Hij is vlak bij de Langervelderslag uit een auto gesprongen en overstuur en in paniek voor een vreemde auto gesprongen. Hij heeft de bestuurster van die auto gevraagd om hem naar het bureau te brengen. De verbalisant zag dat [benadeelde 3] een rode streep in zijn nek had en hoorde hem zeggen dat zijn ketting van zijn nek getrokken was. De verbalisant zag dat hij een opgezwollen gezicht had en dat zijn rechterwang dik was. De verbalisant zag dat deze tijdens het gesprek blauw werd. Hij zag dat de hoektand rechtsboven van [benadeelde 3] eruit was.
Getuige [naam 5] heeft verklaard dat ze heeft gezien dat er geweld werd gebruikt tegen [benadeelde 3] in de caravan: ‘Ik heb wel iets van geweld gezien ja. Maar dan moet je bij [benadeelde 3] zijn. Al denk ik niet dat hij het zelf heeft gezien’ en ‘Je schopt mensen niet in de rug. Meer heb ik er niet over te zeggen’.
Verder heeft [benadeelde 3] onder meer het volgende verklaard: ‘Ik weet dat er nog een hoop dreiging is. Ik ben ontvoerd door die gasten en zwaar mishandeld, als ik niet doe wat ze zeggen, dan gaat het weer gebeuren. En ze pakken mijn familie. Die zijn ze gewoon bereid om te pakken’, ‘als die jongens bellen, moet ik voor hun dingen doen’, ‘of iets wegbrengen’. ‘Mijn verslaving speelt een grote rol, ik heb schulden gemaakt bij de jongens. Daar moet ik weer dingen voor doen. Daarmee betaal ik steeds een klein deel van de schulden af’, ‘ja ik betaal mijn schulden af met dealen en dan krijg ik ook een beetje drugs’. Op de vraag wie de hoogte van de schuld bijhoudt, verklaarde hij: ‘Dat doe ik zelf. De ene keer zit ik in twijfel of het wel of niet klopt wat ze zeggen. Daar zijn ook wel eens goeie woorden over. Omdat ik zo in gebruik zit, ga ik ook wel eens de fout in en bouw ik weer schuld op’ en ‘ja ik krijg drugs om te verkopen. Maar de drugs die ik krijg, die is dan best lastig om niet te gebruiken. Ik mag dan twee balletjes pakken om te gebruiken, maar soms pak ik er vijf en dan komt er weer schuld bij’. Op de vraag in hoeverre er dwang of vrijwilligheid in zat verklaarde hij: ‘Heel weinig vrijwilligheid, ik heb er niet veel over te zeggen. Hoe moet ik dat nou zeggen? Als ik het haal voor de jongen waarvoor ik moet lopen, en ze weten dat ik geld heb. Dan zeggen ze: “Geef dat geld maar hier. Hier heb je je twee balletjes.” Terwijl al haal ik bij een ander, krijg ik het drie dubbele.’ Verder heeft [benadeelde 3] in het desbetreffende verhoor onder meer als volgt verklaard:
V: Dus het liefst gebruik je per dag voor 100 euro?
A: Ja, maar we gebruiken denk voor 250 euro per dag samen met [naam 6] .
V: Maar als jij 125 euro per week krijgt, hoe betaal je dan je gebruik?
A: Ik doe ook nog gokken.
V: Wie zijn dan de bazen of leidinggevenden?
A: [medeverdachte 1] en [de verdachte] .
V: Wat is de werkwijze van [bende] ?
A: Ze hebben een telefoon, daar wordt naar gebeld. Daar geef je je bestelling aan door. Zij bellen mij of iemand anders die het weg moet brengen en dan word je op pad gestuurd. Je levert af, gaat terug en levert de spullen in bij hen en dan wachtje tot de volgende die belt.
V: Wat bedoel je met spullen?
A: Het geld.
V: En wat lever je af?
A: Heroïne of cocaïne.
V: Welke dwang was er dan, om je telefoon aan te zetten?
A: Dat ik schulden had. Ze slaan me als ik mijn telefoon niet aanzet. Ze schoppen me gewoon in elkaar.
V: Hoe vaak is dat gebeurt afgelopen jaar?
A: 3 of 4 keer. Ik heb er ook wel eens geen zin in, maar wil ook geen klappen krijgen. Dus na 2 keer denk je ook wel dat je hem aanzet.
V: Hoe noemen jullie de drugs?
A: We praten in getallen, een 2 1 bijvoorbeeld. Een 2 is 2 wit en 1 bruin. Je begint altijd met wit. Dus het kan ook een 1 2 zijn. Dan is het 1 wit en 2 bruin.
V: voor de duidelijkheid, wit en bruin?
A: Ja cocaïne wit en heroïne bruin.
V: Hoe zit dat met percentages?
A: De complete omzet, degene die loopt krijgt 20 procent van de dagopbrengst. Dus van 1000 euro kreeg ik 200 euro. Ik was van A tot Z alles aan het doen, om mijn schulden af te lossen. Ik deed zakjes maken, zodat ik van mijn schulden af kwam. Doordat ik dat deed, gingen mijn schulden harder, want dan verdiende ik geen 200 maar 500 euro.
V: Wat is het percentage dat de tussenpersoon krijgt?
A: Zo een 10 procent. De rest gaat naar de hoofdjongen.
V: De dagopbrengst gaat dus voor 20 procent naar de loper en 10 naar de tussenpersoon. 70
procent gaat naar de eindbazen. Klopt dat?
A: Ja.
V: Je zei van A tot Z alles aan het doen en zakjes maken. Wat bedoel je daarmee?
A: Gripzakjes drugs maken.
V: Hoe werd dat dan aangeleverd?
A: Ik kreeg 5 gram cocaïne en 5 gram heroïne en daar moest ik dan zakjes van maken.
V: Heb jij nog andere dingen gedaan dan zakjes maken en dealen?
A: Ja het uitkoken heb ik wel eens gedaan ook. Dat gebeurde bij verschillende mensen thuis of in een schuurtje. Maar net waar ze plek konden vinden.
Op 2 september 2023 werd [benadeelde 3] gecontroleerd door de politie en bleek hij acht zakjes crack bij zich te hebben, en op 19 september 2023 werd [benadeelde 3] door de politie gecontroleerd toen hij verdovende middelen aan twee personen overhandigde. [benadeelde 3] bleek toen elf zakjes heroïne, achttien zakjes crack en 155 euro bij zich te dragen. Toen hij geconfronteerd werd met het feit dat hij liep te dealen, vertelde hij dat hij in de tang zat, niet kon stoppen en een flinke schuld had opgebouwd. Door de inbeslagname van de drugs die hij op dat moment bij zich had, zou de schuld weer oplopen. [benadeelde 3] werd later, op 28 december 2023, gehoord naar aanleiding van deze controle. Hij verklaarde dat hij een schuld had bij zijn ouders van 8000 euro en dat hij niks had verdiend aan de handel in drugs, omdat hij ook een schuld bij [bende] moest aflossen die hij bij hen had opgebouwd.
Op maandag 13 november 2023 meldde [benadeelde 3] zich aan het politiebureau te Katwijk. [benadeelde 3] wilde een bewijs van de politie waarop stond dat er drugs in beslaggenomen waren onder hem. [benadeelde 3] vertelde dat hij werd bedreigd en geslagen door drugsdealers. [benadeelde 3] wilde geen namen noemen. [benadeelde 3] wist wel te noemen dat “de boys” in een zwarte Mercedes op zijn woning postten. In die periode beschikte [de verdachte] over een zwarte Mercedes met kenteken [kenteken 7] .
De vriendin van [benadeelde 3] , [naam 6] , heeft onder meer het volgende bij de politie verklaard:
V. Wij weten ook dat [benadeelde 3] loper is voor [bende] , wat kan jij ons daarover verklaren?
A: [benadeelde 3] heeft het altijd onder dwang gedaan, nooit omdat hij het zelf wilde. Hij heeft schulden, als dat niet zo was verzonnen ze dat wel. Wij zijn bedreigd, zijn dochter is bedreigd.
V: Ben jij er getuige van geweest als er geweld tegen [benadeelde 3] werd gebruikt?
A: Jep.
V: Wil je daarover praten?
A: Was bij mij in huis, kort en krachtig. Ik sprong ertussen, toen was het klaar. Maar er kwam ineens een ventje die [benadeelde 3] een trap tegen zijn hoofd gaf. Ik heb enorm gegild die avond. Het was in de periode toen [naam 7] nog leefde.
V: Waarom sloegen ze [benadeelde 3] ?
A: Vanwege schuld. Vlak voordat ze werden opgepakt had [benadeelde 3] weer ineens 4000 euro schuld.
V: Heb je wel eens letsel bij [benadeelde 3] gezien?
A: Ja.
V: Omschrijf eens.
A: Ribben gekneusd, armen kapot. Tand eruit, kiezen eruit. Blauwe plekken, wondjes. Ei op zij hoofd. Hij heeft veel pijn moeten doorstaan. Hij is nooit bij een dokter of tandarts geweest.
V: Waarom ben je nooit gestopt met het werken voor [bende] ?
A: Angst.
De moeder van [benadeelde 3] heeft tegenover de politie verklaard dat [benadeelde 3] regelmatig bedreigd werd door de ‘ [bende] ’. Zij liet weten dat zij een telefoongesprek had gehoord, waarbij [benadeelde 3] bedreigd werd. Zij hoorde dat er € 650 betaald moest worden. Als er niet betaald zou worden, dan zou zijn vinger afgeknipt worden. Zij heeft toen € 650 aan [benadeelde 3] gegeven om deze rekening te betalen. Een dag eerder had zij ook al een keer een briefje in de bus gevonden, waarbij er stond dat [benadeelde 3] één dag had om te betalen.
In een Snapchat-gesprek tussen [benadeelde 3] , [naam 8] en [benadeelde 3] stuurde [de verdachte] op 25 oktober 2023 de volgende berichten:
'Glen morgen voorschulden afbetalen'
'Geen keuze ja'
'Geen respect voor mij ga ik laten zien wat geen respect is'
'Anders vliegen naar zuid america met je lichaam vol'
'Heen vol en terug vol'
Onder de data uit de iPhone 12 die onder [de verdachte] in beslag is genomen bevindt zich onder meer een chat tussen [de verdachte] en [benadeelde 3] . In die chat zegt [de verdachte] op 27 februari 204 dat [benadeelde 3] en/of [naam 6] geld moeten betalen. De politie vermoedt dat dit te maken heeft met het feit dat [naam 6] verdovende middelen is kwijtgeraakt. [benadeelde 3] en/of [naam 6] sturen een foto van een bewijs van ontvangst van de politie; dit zou echter vals zijn. Vervolgens geeft [benadeelde 3] toe dat [naam 6] de verdovende middelen is kwijtgeraakt en dat ze heel erg bang zijn. [de verdachte] zegt in dit gesprek onder meer: ‘Vertel mij is het eerlijke verhaal dna [dan]’ en ‘want de oorlog gaat weer uitbreken’. Later zegt hij: ‘LAATSTE KANS OF VANAVKND KOM K WEER MET [naam 7] DE AANHANG IEDEREEN ERBIJ’ en ‘ALS JE MIJ VIES WILT DOEN GA IK DAT OOK’. [benadeelde 3] zegt onder meer: ‘Dit is ook echt niet de bedoeling maar we zijn als de dood na wat er allemaal is gebeurd’ en ‘Nee [naam 6] is super bang omdat ze weet wat er met mij vorige keren gebeurd is en ze raakte daardoor in paniek is niet goed dat ze dit zo heeft gezegd en daar heeft ze spijt van maar was en is gewoon super bang dat haar of mij wat wordt aangedaan’.
Overwegingen met betrekking tot het bewijs van feit 5
De verdediging stelt zich op het standpunt dat de verdachte [benadeelde 3] niet heeft geworven en dat de verdachte nooit dwang heeft uitgeoefend op [benadeelde 3] teneinde hem te laten ‘lopen’ of werken. De verdachte heeft [benadeelde 3] niet uitgebuit noch heeft hij voordeel behaald uit deze uitbuiting. Geweld of dreiging met geweld door de verdachte heeft niet plaatsgevonden. Verder heeft de verdediging erop gewezen dat [benadeelde 3] een zwaar verslaafde harddrugsgebruiker is, zodat niet zonder meer van zijn betrouwbaarheid uitgegaan mag worden.
Juridisch kader mensenhandel
Aan de verdachte is onder feit 5 het delict mensenhandel ten laste gelegd. Mensenhandel is strafbaar gesteld in artikel 273f van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr). Uit de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 273f (oud) Sr en de jurisprudentie volgt dat mensenhandel is gericht op uitbuiting. Uitbuiting moet daarbij niet beperkt worden uitgelegd. Het belang van het individu staat voorop; dat belang is het behoud van zijn of haar lichamelijke en geestelijke integriteit en persoonlijke vrijheid.
De tenlastelegging is opgesplitst in specifieke verwijten die worden beschreven in artikel 273f, eerste lid, sub 1, 4, en 6 Sr. De delictsomschrijving in sub 1 ziet op het werven, overbrengen/vervoeren of huisvesten/opnemen van een ander, om die ander in een uitbuitingssituatie te brengen. Daarbij is vereist dat de verdachte het oogmerk van uitbuiting heeft. Het verwijt in sub 4 ziet op het verrichten van handelingen waardoor een ander zich beschikbaar stelt voor het verrichten van arbeid of diensten van seksuele aard. Uitbuiting van het slachtoffer is daarbij een impliciet bestanddeel. De in sub 1 en 4 strafbaar gestelde vormen van mensenhandel vereisen steeds het gebruik van één of meer dwangmiddelen, zoals genoemd in artikel 273f, lid 1, sub 1 Sr. Dit geldt niet voor het verwijt in sub 6, dat betrekking heeft op het opzettelijk voordeel trekken uit de uitbuiting van een ander.
Dwangmiddelen
De in deze zaak aan de orde zijnde dwangmiddelen betreffen dwang, (dreiging met) geweld en/of (een) andere feitelijkhe(i)d(en), afpersing, misleiding, misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en misbruik van een kwetsbare positie.
Het begrip ‘dwang’ moet ruim worden uitgelegd en worden bekeken in de context waarin de handelingen van de verdachte plaatsvinden. Het slachtoffer zal door aanwending van dwang tegen zijn of haar zin in een situatie van uitbuiting zijn gebracht, waarin hij of zij, als hij of zij daartoe weerstand had kunnen bieden, niet terecht zou zijn gekomen. Het slachtoffer moet het dwangmiddel dus hebben opgemerkt en het moet bij hem of haar vrees hebben opgeleverd. Daarbij doet het niet ter zake dat de dwang op een ander in het algemeen geen indruk zou maken. Het gaat om de subjectieve beleving.
De dwangmiddelen ‘misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht’ en ‘misbruik van een kwetsbare positie’, die objectief moeten worden vastgesteld, kunnen elkaar deels overlappen. Deze misbruikdwangmiddelen kunnen veelal uit de omstandigheden worden afgeleid. De verdachte moet zich wel bewust zijn geweest van de relevante feitelijke omstandigheden van de betrokkene waaruit het overwicht voortvloeide of verondersteld wordt voort te hebben gevloeid, in die zin dat voorwaardelijk opzet ten aanzien van die omstandigheden bij hem aanwezig moet zijn. Datzelfde geldt voor gevallen waarin sprake is van een kwetsbare positie van het slachtoffer. De Hoge Raad heeft daarbij overwogen dat niet is vereist dat doelbewust misbruik is gemaakt van de kwetsbare positie van het slachtoffer.
Ook wordt voor het bewijs van het misbruik geen verdergaand initiatief en actief handelen van de verdachte vereist dan tot uitdrukking komt in de termen die in de wet staan (werven, vervoeren, overbrengen, huisvesten of opnemen). Blijkens jurisprudentie van de Hoge Raad is het niet een zelfstandig vereiste dat het initiatief van de verdachte is uitgegaan en ook niet dat het slachtoffer door de verdachte in een uitbuitingssituatie is gebracht.
Bij het misbruik maken van (1) een uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht is er sprake van een relationele ongelijkheid of van het brengen in een dergelijke situatie van ongelijkheid, waardoor de keuzevrijheid van het slachtoffer is beperkt. Daarbij merkt de rechtbank op dat ‘beperkt’ niet inhoudt dat er sprake moet zijn van een zodanige dwang of druk dat voor het slachtoffer geen andere keuze meer mogelijk was; de beperking van de keuzevrijheid van het slachtoffer is voldoende om een gedwongen karakter aan te nemen.
Ten aanzien van het misbruik maken van (2) een ‘kwetsbare positie’ geeft artikel 273f, zesde lid, Sr een minimumdefinitie van dit begrip: hieronder wordt mede begrepen een situatie waarin een persoon geen andere werkelijke of aanvaardbare keuze heeft dan het misbruik te ondergaan.
Oogmerk van uitbuiting
Het (oogmerk van) uitbuiting is in de wet niet gedefinieerd, anders dan in het tweede lid van artikel 273f Sr door de opsomming van een aantal vormen van uitbuiting, waaronder uitbuiting van een ander in de prostitutie en gedwongen of verplichte arbeid of diensten.
De vraag of sprake is van uitbuiting laat zich niet in algemene zin beantwoorden.
Bij de beantwoording van die vraag komt in een geval als het onderhavige onder meer betekenis toe aan de aard en duur van de tewerkstelling, de beperkingen die zij voor de betrokkene meebrengt, en het economisch voordeel dat daarmee door de tewerksteller wordt behaald. Bij deze weging van deze en andere relevante factoren dienen de in de Nederlandse samenleving geldende maatstaven als referentiekader te worden gehanteerd.
Uitbuiting veronderstelt altijd een zekere mate van onvrijwilligheid of onderwerping van degene die wordt uitgebuit. Het enkele aanwenden van dwangmiddelen levert niet reeds uitbuiting op, maar het oogmerk van uitbuiting brengt met zich dat sprake moet zijn van een (voorgenomen) ernstige inbreuk op de lichamelijke en/of geestelijke integriteit en/of de persoonlijke vrijheid. Wanneer gebruik is gemaakt van een dwangmiddel is instemming van het slachtoffer met de beoogde of bestaande uitbuiting niet relevant.
De verklaring van [benadeelde 3]
De rechtbank heeft voor het bewijs gebezigd de verklaringen die [benadeelde 3] bij de politie heeft afgelegd. Hoewel enkele inconsistenties bestaan tussen de verklaringen afgelegd bij de politie en bij de rechter-commissaris, heeft [benadeelde 3] bij de rechter-commissaris verklaard dat hij geen valse verklaring heeft afgelegd bij de politie. Met inachtneming daarvan neemt de rechtbank het volgende in overweging.
Uit het dossier leidt de rechtbank af dat [benadeelde 3] bang was voor de verdachte. Hij benoemde expliciet dat hij bang was voor wat er ging komen en wilde geen aangifte doen. Ook tijdens zijn verhoor bij de rechter-commissaris heeft [benadeelde 3] benoemd dat hij zich op onderdelen beriep op zijn zwijgrecht omdat hij bang was om verkeerde dingen te zeggen. De politieverklaringen van [benadeelde 3] worden op essentiële onderdelen – zoals de periode, het dealen, de schuld bij de verdachte, het gebruik van geweld en intimidatie en de bevoordeling – ondersteund door ander bewijs. Verder zijn de politieverklaringen gedurende en kort na het eindigen van de uitbuitingssituatie afgelegd. Het getuigenverhoor bij de rechter-commissaris heeft pas geruime tijd later plaatsgevonden. Bij de politie kon [benadeelde 3] uitgebreid en gedetailleerd verklaren, terwijl [benadeelde 3] bij de rechter-commissaris meerdere malen heeft aangegeven dat hij ‘het zich niet meer kon herinneren’. Tot slot heeft [benadeelde 3] , zichzelf belastend, in de verhoren ook over zijn eigen aandeel in de drugshandel verklaard, hetgeen meeweegt in betrouwbaarheid van zijn verklaring.
Gelet op het voorgaande gaat de rechtbank bij de beoordeling van de bewijsvraag dan ook uit van de verklaringen die [benadeelde 3] bij de politie heeft afgelegd, die zij betrouwbaar acht.
Sub 1: werven, overbrengen/vervoeren of huisvesten/opnemen
Zowel de officier van justitie als de verdediging hebben vrijspraak bepleit van hetgeen is ten laste gelegd onder sub 1. De rechtbank volgt de officier van justitie en de verdediging hierin en zij zal de verdachte daarom van dit onderdeel vrijspreken.
Sub 4: verrichten van arbeid of diensten
Dwangmiddelen
Geweld, bedreiging en andere feitelijkheden
Op 12 november 2023 vertelde [benadeelde 3] aan de politie dat hij werd bedreigd en geslagen door drugsdealers en wilde hij bewijs van de politie dat er onder hem verdovende middelen in beslag waren genomen. [benadeelde 3] heeft in 2024 verklaard dat hij onder dwang zijn telefoon moest aanzetten. Hij werd geslagen en in elkaar geschopt als hij de telefoon niet wilde aanzetten. Dat gebeurde volgens hem in het jaar voorafgaand aan zijn verklaring drie of vier keer. Dat er geweld tegen [benadeelde 3] werd gebruikt wordt ondersteund door de verklaringen van [naam 6] en [naam 9] , de vriendin en de moeder van [benadeelde 3] . [naam 6] heeft verklaard dat ze heeft gezien dat er geweld werd gebruikt tegen [benadeelde 3] en heeft ook verschillende soorten letsel gezien bij [benadeelde 3] . Daarnaast zouden zij en de dochter van [benadeelde 3] ook zijn bedreigd door [bende] . De moeder van [benadeelde 3] heeft gehoord dat [benadeelde 3] € 650 moest betalen; anders zou zijn vinger worden afgeknipt. Verder volgt uit een chat dat [benadeelde 3] de volgende dag de schulden moest afbetalen, omdat hij anders naar Zuid-Amerika en terug moest vliegen met zijn lichaam ‘vol’.
Daarnaast leidt de rechtbank uit de verklaring van [benadeelde 3] , de verklaring van [naam 5] en de bevindingen van de verbalisanten af dat [benadeelde 3] door de verdachte en anderen is ontvoerd en mishandeld. De verbalisanten zagen dat [benadeelde 3] het politiebureau binnen kwam lopen met een bebloede duim, zagen dat zijn hoektand los zat en dat hij opgezwollen, dik en blauw letsel in zijn gezicht had.
Misbruik van een kwetsbare positie en voortvloeiend overwicht
[benadeelde 3] heeft verklaard verslaafd te zijn aan heroïne en cocaïne. Samen met [naam 6] gaf hij ongeveer € 250 per dag uit aan drugs. Hij was daarbij afhankelijk van weekgeld, gokken en het doen van klusjes om inkomsten te genereren om onder andere die verslaving te bekostigen. [benadeelde 3] bevond zich door die verslaving in een kwetsbare positie en de verdachte had wetenschap van de kwetsbare positie. Door [benadeelde 3] ondanks deze wetenschap te laten dealen, zodat hij met de opbrengst zijn schuld af kon betalen en extra drugs kon verdienen, heeft de verdachte misbruik gemaakt van de kwetsbare positie van [benadeelde 3] . Tegelijkertijd bouwde [benadeelde 3] een schuld op door het dealen en zijn gebruik. [benadeelde 3] is immers vaker gepakt waarbij de verdovende middelen door de politie in beslag zijn genomen. Daarnaast liet de verdachte [benadeelde 3] werken met middelen waaraan hij ( [benadeelde 3] ) zelf verslaafd was. Zo kwam het voor dat [benadeelde 3] zelf gebruikte van de middelen die hij eigenlijk moest verkopen. Daardoor bouwde hij een extra schuld op bij de verdachte. Het kwam voor dat [benadeelde 3] niets verdiende aan het dealen, omdat hij zijn schuld moest aflossen.
Omdat [benadeelde 3] verslaafd was aan verdovende middelen en verdachte degene was die [benadeelde 3] daarin kon faciliteren, kan misbruik uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht in die zin worden verondersteld. Daar komt bij dat uit de bewijsmiddelen naar voren komt dat de ‘ [bende] ’ een agressieve en intimiderende groep is, die geweld niet schuwt. [benadeelde 3] noemt de verdachte als een van de bazen en hij heeft verklaard dat hij bang was voor [bende] .
De rechtbank stelt gelet op het voorstaande vast dat de verdachte dwang, geweld, dreiging met geweld en andere feitelijkheden heeft toegepast om [benadeelde 3] te bewegen te dealen in verdovende middelen. De rechtbank komt tot de conclusie dat het dossier geen steun bevat voor een bewezenverklaring van misleiding en afpersing en spreekt de verdachte daarvan vrij.
(Oogmerk van) uitbuiting
Op basis van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat [benadeelde 3] meermalen heeft gedeald gedurende de ten laste gelegde periode. Dat dealen was eerst vrijwillig, maar vond gedurende de ten laste gelegde periode plaats om een schuld bij de verdachte af te lossen. [benadeelde 3] voelde zich door de kwetsbare positie waarin hij zich bevond, het overwicht dat de verdachte en [bende] op hem hadden en gelet op de angst dat hij slachtoffer zou worden van (nog meer) geweld, gedwongen om te dealen. Van een door de verdediging bepleite situatie waarin [benadeelde 3] zelf steeds (meer) wilde werken was naar het oordeel van de rechtbank gelet op het voorgaande geen sprake.
Gelet op de bewijsmiddelen en de door de verdachte toegepaste dwangmiddelen is de rechtbank ervan overtuigd dat [benadeelde 3] op enig moment niet (meer) uit eigen beweging heeft gedeald. [benadeelde 3] kreeg zelf als loper 20% van de dagopbrengsten. Verder mocht hij twee balletjes pakken om te gebruiken. [benadeelde 3] was niet vrij om te bepalen op welke wijze hij zijn schuld ging aflossen. Zijn wil om zelf te bepalen of en, zo ja welke strafbare feiten hij zou gaan plegen en wat hij vervolgens zou gaan doen met de daaruit voortvloeiende opbrengsten was immers als gevolg van de door de verdachte toegepaste dwangmiddelen ernstig beperkt.
Alles overwegend en gelet op het vorengaande was naar het oordeel van de rechtbank sprake van een uitbuitingssituatie, waardoor het oogmerk van uitbuiting kan worden verondersteld. Hiermee komt de rechtbank tot een bewezenverklaring van sub 4.
Sub 6: opzettelijk voordeel trekken uit de uitbuiting
Voordeel trekken
Uit de verklaringen van [benadeelde 3] maakt de rechtbank op dat 70% van de dagopbrengst naar de ‘bazen’ ging. Dat dit geld naar de verdachte ging, wordt ondersteund door het feit dat [benadeelde 3] moest dealen om zijn schuld af te lossen. Dit wordt ook door de verklaring van [naam 6] ondersteund. Daarnaast heeft de verdachte voordeel genoten doordat hij buiten beeld van de politie bleef, terwijl [benadeelde 3] het risico liep om gepakt te worden en veroordeeld te worden tot een (gevangenis-)straf, en de verdachte de opbrengsten kreeg.
(Oogmerk van) uitbuiting en handelingen
Dat sprake was van uitbuiting en het oogmerk van uitbuiting is reeds door de rechtbank vastgesteld. Uit de bewijsmiddelen en het hiervoor overwogene blijkt dat verdachte door handelingen zoals bewezenverklaard onder 3.4. opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van [benadeelde 3] . Hiermee komt de rechtbank tot een bewezenverklaring van sub 6.
Concluderend komt de rechtbank, gelet op het hiervoor overwogene en de onder hiervoor opgenomen bewijsmiddelen, tot een bewezenverklaring van het onder 5 tenlastegelegde, zoals omschreven onder 3.4.
De bewezenverklaring
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
Dagvaarding I (09/136103-23)
1.
hij op momenten in de periode van 26 mei 2023 tot en met 14 mei 2024 te Leiden en Katwijk, tezamen en in vereniging met anderen, meermalen telkens opzettelijk heeft verkocht en afgeleverd en vervoerd hoeveelheden van een materiaal bevattende cocaïne en hoeveelheden van een materiaal bevattende heroïne, zijnde cocaïne en heroïne telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;
2.
hij op momenten in de periode 30 mei 2023 tot en met 14 mei 2024 te Leiden en Katwijk, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, om een feit, bedoeld in het vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en te bevorderen, te weten
- het opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland brengen van,
cocaïne en XTC/MDMA- voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte, en zijn mededader(s), wisten of ernstige reden hadden om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit, door
- besprekingen te voeren over de prijs en het transport van verdovende middelen naar Duitsland, en
- verdovende middelen voorhanden te hebben en vervolgens (per auto) verdovende middelen te vervoeren naar Duitsland;
3.
hij in de periode van 11 maart 2024 tot en met 12 maart 2024 te Leiden, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk [benadeelde 1] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden, door met zijn mededaders:
- het voertuig van die [benadeelde 1] klem te rijden en tegen die [benadeelde 1] te zeggen dat hij uit zijn voertuig moet stappen,
- die [benadeelde 1] uit zijn voertuig te trekken en te halen,
- die [benadeelde 1] in een ander voertuig te duwen en te plaatsen,
- die [benadeelde 1] in dit voertuig te vervoeren naar een andere locatie,
- die [benadeelde 1] vervolgens meermalen in het gezicht te slaan, en
- die [benadeelde 1] met zijn mobiele telefoon te filmen terwijl hij een bekentenis aflegt;
4.
hij op 14 april 2024 te Katwijk, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [benadeelde 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, die [benadeelde 2] meermalen met zijn vuist in het gezicht, althans tegen het hoofd, heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
5.
hij op tijdstippen in de periode 18 mei 2023 tot en met 11 maart 2024 te Leiden en elders in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, een ander, te weten [benadeelde 3] ,
telkens door dwang en geweld en een andere feitelijkheid en door dreiging met geweld en door dreiging met een andere feitelijkheid en door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en door misbruik van een kwetsbare positie die [benadeelde 3] heeft gedwongen of bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten
en
opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van die [benadeelde 3] immers hebben hij, verdachte, en zijn mededader(s)
- misbruik gemaakt van de harddrugsverslaving van die [benadeelde 3] en
- die [benadeelde 3] een schuld laten opbouwen door het afnemen van harddrugs en
- die [benadeelde 3] gezegd dat hij een schuld moest afbetalen door harddrugs te verkopen en vervoeren voor verdachte en zijn mededader(s) en
- die [benadeelde 3] harddrugs (cocaïne en heroïne) laten verkopen en vervoeren voor verdachte en zijn mededader(s) en
- die [benadeelde 3] mishandeld en wederrechtelijk van zijn vrijheid beroofd en
- die [benadeelde 3] mishandeld als hij zijn telefoon uitzette (waardoor hij niet bereikbaar was voor afnemers van drugs) en
- die [benadeelde 3] bedreigd dat een vinger zou worden afgeknipt als hij zijn schuld niet zou afbetalen en
- die [benadeelde 3] bedreigd dat hij drugs zou moeten smokkelen van en naar Zuid-Amerika in zijn lichaam om zijn schuld af te betalen.
Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.
4. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.
5. De strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.
6. De strafoplegging
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zeven jaren, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging verzoekt de rechtbank om bij een bewezenverklaring van alle feiten aan de verdachte een gevangenisstraf tussen de zesendertig en achtenveertig maanden op te leggen, bij voorkeur een gevangenisstraf van tweeënveertig maanden. Zij voert daartoe het volgende aan.
Een deel van de tenlastegelegde feiten zijn begaan door meer verdachten, terwijl daarvoor enkel de verdachte terechtstaat. Hij zou daar niet als enige de volledige last voor moeten dragen. De reclassering ziet aanleiding voor een vervolgtraject dat door de huidige zaak stil kwam te liggen. De verdachte heeft uit eigen beweging hulp gezocht voor zijn agressieproblematiek door zich aan te melden bij De Waag. Ten tijde van het tenlastegelegde was de verdachte adolescent en zijn leven is inmiddels ten positieve gekeerd. Hij heeft op punten openheid van zaken gegeven, hij is getrouwd, er is een kind op komst en hij heeft wezenlijk perspectief op een beter, delictvrij bestaan.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van de feiten
Drugshandel is een ernstig misdrijf omdat het direct bijdraagt aan de verspreiding van drugs in de samenleving, wat ernstige gevolgen heeft voor de gezondheid en veiligheid van burgers. De handel in verdovende middelen zorgt voor een vicieuze cirkel van criminaliteit en geweld, wat de stabiliteit van de samenleving ondermijnt.
De verdachte heeft daarnaast kwetsbare anderen, zoals [benadeelde 3] , gebruikt voor zijn eigen verdienmodel. Slachtoffers van criminele uitbuiting zijn vaak mensen die zich in een precaire sociale of economische situatie bevinden. De gevolgen zijn verstrekkend en diepgaand.
Verder heeft de verdachte ernstige inbreuken gemaakt op de lichamelijke integriteit en het gevoel van veiligheid door vrijheidsbenemingen en mishandelingen.
Dit zijn alle zeer ernstige feiten met vergaande gevolgen voor de slachtoffers. De rechtbank rekent deze feiten de verdachte zwaar aan.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 28 januari 2026. In het nadeel van verdachte weegt de rechtbank mee dat de verdachte meermalen is veroordeeld voor soortgelijke misdrijven, zowel geweldsfeiten als overtredingen van de Opiumwet. Deze veroordelingen zijn onherroepelijk. De feiten 1 en 2 zijn gepleegd in een proeftijd van een veroordeling voor handel in harddrugs.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van een reclasseringsadvies over de voortgang van het toezicht van de verdachte d.d. 27 januari 2026, waaruit volgt dat sprake is van problematiek en van een hoog recidiverisico.
Strafmodaliteit en strafmaat
De rechtbank heeft bij de bepaling van de strafmodaliteit en strafmaat aansluiting gezocht bij de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting (LOVS) en bij soortgelijke zaken.
Strafoplegging
De rechtbank onderkent de (zeer prille) positieve ontwikkelingen in het privéleven van de verdachte en de stappen die hij zet om zijn leven een betere richting te geven. Daar staat tegenover dat de ernst van de door de verdachte gepleegde feiten, mede gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, meebrengt dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van na te melden duur met zich brengt.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.
De rechtbank zal alles overwegende aan de verdachte opleggen een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren met aftrek van het voorarrest.
Voorlopige hechtenis
De rechtbank wijst het verzoek van de verdediging om de voorlopige hechtenis van de verdachte opnieuw te schorsen af en overweegt daartoe als volgt. Uit de formulering van de schorsingsbeslissing van 17 september 2025, die gewezen is ná het arrest van de Hoge Raad van 24 juni 2025, volgt ondubbelzinnig dat het de rechtbank destijds voor ogen heeft gestaan dat de voorlopige hechtenis met het wijzen van het eindvonnis weer ten uitvoer zou worden gelegd. Uit het reclasseringsrapport van 27 januari 2026 blijkt voorts dat het recidiverisico hoog is. Er is dus sprake van een grond en, gelet op de veroordeling, van ernstige bezwaren. De rechtbank is van oordeel dat de belangen van de maatschappij bij de detentie van de verdachte nu zwaarder wegen dan de belangen van de verdachte om een eventueel hoger beroep in vrijheid af te wachten.
7. De inbeslaggenomen voorwerpen
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de onder 2 tot en met 4 genoemde voorwerpen op de beslaglijst, te weten in totaal een geldbedrag van € 844,85, verbeurd worden verklaard.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft geen standpunt over het beslag ingenomen.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank zal het onder 2 tot en met 4 genoemde voorwerpen op de beslaglijst, te weten een geldbedrag van in totaal € 844,85 verbeurd verklaren. Deze voorwerpen zijn voor verbeurdverklaring vatbaar aangezien deze voorwerpen aan de verdachte toebehoren en deze voorwerpen geheel of gedeeltelijk door middel van de onder 1 en 2 bewezenverklaarde strafbare feiten zijn verkregen.
Bij de vaststelling van deze bijkomende straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de draagkracht van verdachte.
8. De vordering tot tenuitvoerlegging
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft bij vordering van 7 december 2025 gevorderd dat de bij parketnummer 09/236077-21 door de politierechter van de rechtbank Den Haag op
7 december 2021 voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van vier maanden ten uitvoer wordt gelegd wegens het niet-naleven van de algemene voorwaarden.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft de rechtbank verzocht de proeftijd te verlengen in verband met het voortzetten van de begeleiding door de reclassering en het eventueel toevoegen van de navolgende bijzondere voorwaarde:
- meewerken aan diagnosestelling en behandeling bij De Waag, voor wat betreft de agressieregulatie.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank acht termen aanwezig voor toewijzing van de vordering van de officier van justitie van 7 december 2025 tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf, waartoe de verdachte werd veroordeeld bij onherroepelijk geworden vonnis van d.d. 7 december 2021, nu uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de verdachte de algemene voorwaarde niet heeft nageleefd, doordat deze zich voor het einde van de proeftijd die bij voormeld vonnis was opgelegd wederom schuldig heeft gemaakt aan strafbare feiten.
9. De toepasselijke wetsartikelen
De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen:
- 33, 33 a, 45, 47, 57, 273f, 282 en 302 van het Wetboek van Strafrecht;
- 2, 10 en 10a van de Opiumwet, en de daarbij behorende lijst I.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.
10. De beslissing
De rechtbank:
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de onder 1 tot en met 5 ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.4 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
ten aanzien van feit 1: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd
en
ten aanzien van feit 2: medeplegen van om een feit, bedoeld in het vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen en gelden voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit
en
ten aanzien van feit 3: medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden
en
ten aanzien van feit 4: poging tot zware mishandeling
en
ten aanzien van feit 5: mensenhandel, terwijl de in artikel 273f, eerste lid onder 4º en 6º van het Wetboek van Strafrecht omschreven feiten worden gepleegd door twee of meer verenigde personen en terwijl deze feiten zijn voorafgegaan, vergezeld of gevolgd van geweld
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van 6 (ZES) JAREN;
bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
stelt vast dat bij beslissing van deze rechtbank van 17 september 2025 is bepaald dat de voorlopige hechtenis is geschorst tot aan de einduitspraak en bepaalt dat de voorlopige hechtenis met ingang van heden herleeft;
de inbeslaggenomen goederen;
verklaart verbeurd het op de beslaglijst onder 2 tot en met 4 genoemde voorwerpen op de beslaglijst, te weten in totaal een geldbedrag van € 844,85;
de vordering tenuitvoerlegging van een voorwaardelijk opgelegde straf;
gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voorwaardelijk opgelegd bij voormeld vonnis van de politierechter in deze rechtbank d.d. 7 december 2021, gewezen onder parketnummer 09/236077-21 te weten gevangenisstraf voor de duur van vier maanden.
Dit vonnis is gewezen door
mr. E. Rabbie, voorzitter,
mr. M.L. Harmsen, rechter,
mr. M.M. Koers, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. L.E. Kramer, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 12 februari 2026.