ECLI:NL:RBDHA:2026:26300

ECLI:NL:RBDHA:2026:26300

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 10-09-2026
Datum publicatie 10-09-2026
Zaaknummer NL26.39507 en AWB 26/11787
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Groningen

Samenvatting

plaatsingsbesluit en vrijheidsbeperkende maatregel, HTL en art. 56 Vw, ongegrond.

Uitspraak

[naam], eiseres,

V-nummer: [v-nummer],

(gemachtigde: mr. M. Rasul),

en

het Centraal Orgaan opvang asielzoekers, het COa,

alsmede

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. H.R. Nobel).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank twee beroepen. Het eerste beroep is gericht tegen het besluit van het COa van 18 juni 2026. In dat besluit heeft het COa besloten om eiseres per 18 juni 2026 in de HTL in Hoogeveen te plaatsen (hierna: het plaatsingsbesluit). Het tweede beroep van eiseres richt zich tegen het besluit van de minister van dezelfde datum om haar een vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 56 van de Vw op te leggen (hierna: de vrijheidsbeperkende maatregel). De rechtbank merkt het beroep ook aan als een verzoek om schadevergoeding.

Eiseres heeft op 15 juli 2026 beroepsgronden ingediend, waarop het COa op

27 augustus 2026 een verweerschrift heeft ingediend.

De vrijheidsbeperkende maatregel is op 13 juli 2026 opgeheven, omdat eiseres is vertrokken met onbekende bestemming tijdens het recht op opvang.

.

De rechtbank heeft de beroepen op 4 september 2026 op zitting behandeld. Eiseres en haar gemachtigde zijn met voorafgaande kennisgeving niet verschenen. De minister en het COa hebben zich gezamenlijk laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek in beide zaken op de zitting gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

2. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt, dat het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen en dat eiseres ook geen vergoeding krijgt in de proceskosten. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt.

Het beroep gericht tegen het plaatsingsbesluit

De feitelijke verslaglegging van het incident

3. Het COa heeft in het plaatsingsbesluit uitgebreid verslag gedaan van het incident dat ten grondslag ligt aan het besluit. Kort samengevat komt dit op het volgende neer. Eiseres heeft boterhammen in de richting van een COa-medewerker gegooid en vervolgens hem met een vuist in zijn linkeroog geslagen. De COa-medewerker heeft hierdoor letsel opgelopen aan zijn oog. Daarnaast heeft ze de COa-medewerker met de dood bedreigd en uitgescholden. Voorafgaand aan het incident heeft eiseres langere tijd geschreeuwd en gegild waarbij zij niet tot rust was te brengen. De aanleiding lag in een gesprek over het schoonmaken van de kamer van eiseres.

Voorafgaand aan het incident

4. Eiseres betwist niet dat er zich een incident heeft voorgedaan waarbij zij een ander heeft geslagen. Eiseres stelt echter dat er geen aandacht is besteed aan hetgeen zich heeft afgespeeld direct voorafgaand aan het incident, eventuele provocaties of persoonlijke omstandigheden van eiseres. Eiseres stelt dat zonder een dergelijke concrete en verifieerbare onderbouwing niet kan worden beoordeeld of er daadwerkelijk sprake was van een situatie die oplegging van het plaatsingsbesluit rechtvaardigt. Eiseres stelt zich daarom op het standpunt dat het besluit onvoldoende zorgvuldig is voorbereid en ontoereikend is gemotiveerd. Eiseres meent daarom dat de minister in strijd heeft gehandeld met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel.

GZA akkoord

Daarnaast merkt eiseres op dat het dossier geen GZA-akkoord bevat en dat daarom zowel het plaatsingsbesluit als de vrijheidsbeperkende maatregel vanaf het moment van oplegging onrechtmatig zijn. Eiseres meent dat zij daarom recht heeft op een schadevergoeding. Daarnaast stelt eiseres zich op het standpunt dat het zonder GZA-documenten niet mogelijk is om te beoordelen of in het medisch advies rekening is gehouden met alle persoonlijke omstandigheden van eiseres. Eiseres is van mening dat het COa een aanvullend onderzoek had moeten uitvoeren. Hierbij is van belang dat eiseres ook heeft aangegeven te kampen met medische problematiek. Ter ondersteuning hiervan verwijst eiseres naar een uitspraak van de rechtbank Groningen van 27 december 2023. Eiseres concludeert hiermee dat het plaatsingsbesluit onvoldoende zorgvuldig is voorbereid.

Lichter middel

Bovendien stelt eiseres dat haar een lichter middel had moeten worden opgelegd. Volgens eiseres blijkt niet uit de maatregel dat het afwegingskader uit het Maatregelenbeleid is toegepast. Er is volgens eiseres geen deugdelijke inschatting gemaakt van welke maatregel het meeste effect zal hebben op een gedragsverandering bij eiseres. Daarnaast heeft de minister volgens eiseres niet gemotiveerd waarom de situatie niet kon worden opgelost binnen de huidige locatie en waarom begeleiding, waarschuwing en een interne maatregel onvoldoende zouden zijn. Uit het dossier blijkt volgens eiseres niet dat de minister concreet heeft onderzocht of dergelijke alternatieven effectief zouden kunnen zijn. De standaardoverweging dat een lagere maatregel niet in verhouding zou staan tot de ernst van het incident acht eiseres onvoldoende. Hierbij verwijst eiseres naar een uitspraak van de rechtbank Groningen van 16 mei 2024. Eiseres stelt zich daarom op het standpunt dat de minister niet daadwerkelijk heeft onderzocht op plaatsing in de HTL noodzakelijk en proportioneel is.

Wettelijke basis

Daarnaast stelt eiseres dat zowel het plaatsingsbesluit als de vrijheidsbeperkende maatregel niet over een voldoende wettelijke basis beschikken. Eiseres wijst erop dat binnen de HTL onbevoegd geweld wordt toegepast. Eiseres betoogt tevens dat het recht op privéleven, zoals gewaarborgd in artikel 8 EVRM, wordt geschonden. Dit komt door de ingrijpende beperkingen op haar vrijheid en privacy, waaronder voortdurend cameratoezicht, een streng dagprogramma, ernstige beperkingen van de fysieke vrijheid, verplichte gesprekken, het niet (onbeperkt) mogen ontvangen van bezoek en de meldplicht die twee keer per dag moet worden nageleefd. Daarnaast verwijst eiseres naar een artikel in A&MR ‘Over geweldgebruik, de ROV-kamer en de vreemde wereld van boa’s’ van de heer Verbaas en naar de uitspraak van de rechtbank Roermond van 19 april 2023.

Oordeel van de rechtbank

Voorafgaand aan het incident

5. De rechtbank is van oordeel dat het COa, in overeenstemming met het Maatregelenbeleid en voldoende deugdelijk gemotiveerd, heeft besloten tot de oplegging van het plaatsingsbesluit. Uit het Maatregelenbeleid van het COa volgt immers dat een maatregel 6 tot en met 11 of een HTL-maatregel wordt opgelegd wanneer sprake is van één incident met een zeer grote impact. Daarvan is in dit geval sprake. Eiseres heeft fysiek geweld gebruikt door een COa-medewerker te slaan met een gebalde vuist in zijn oog. Als gevolg hiervan heeft de COa-medewerker letsel opgelopen aan zijn oog. Daarnaast heeft eiseres deze medewerker bedreigd met de dood en uitgescholden. De rechtbank vindt geen steun voor de stelling van eiseres dat er geen aandacht is besteed naar hetgeen zich heeft afgespeeld direct voorafgaand aan het incident. De rechtbank gaat uit van de verslaglegging van het incident door het COa. In deze verslaglegging is het hele verloop van het incident beschreven, zo ook dat de aanleiding lag in het feit dat eiseres niet wilde dat haar kamer werd schoongemaakt. De rechtbank ziet geen aanleiding om aan deze informatie van het COa te twijfelen en ziet evenmin aanleiding om te concluderen dat het verloop van het incident dan wel de omstandigheden van eiseres een verschoonbare reden zijn voor de gedragingen van eiseres.

GZA akkoord

Daarnaast stelt de rechtbank vast dat er een GZA-akkoord in het dossier aanwezig is en dat dit akkoord is gegeven voordat eiseres werd geplaatst in de HTL. De rechtbank overweegt dat het COa op 16 juni heeft geïnformeerd bij het GZA of zij bezwaren zien tegen de komst van eiseres. Het COa heeft daarbij medische bijzonderheden van eiseres opgenoemd die mogelijk relevant zijn voor de beoordeling. Het GZA is op 17 juni 2026 akkoord gegaan met de overplaatsing van eiseres naar de HTL. De rechtbank volgt eiseres daarom niet in de stelling het GZA-akkoord ontbreekt. De verwijzing van eiseres naar de uitspraak van 27 december 2023 gaat, gelet op het voorgaande, niet op. De beroepsgrond slaagt niet.

Lichter middel

De rechtbank stelt vast dat uit het bestreden besluit blijkt dat er een zorgvuldige belangenafweging heeft plaatsgevonden bij de keuze om eiseres in de HTL te plaatsen. Eiseres is meerdere keren negatief in beeld geweest bij het COa. Op 3 mei 2026 was eiseres bovendien eerder betrokken bij een incident met agressie en geweld tegen personen. Er heeft toen een correctiegesprek met eiseres plaatsgevonden. Gelet op het onderhavige incident en het onveranderde gedrag van eiseres, heeft het COa naar het oordeel van de rechtbank geen aanleiding hoeven zien een lichter middel aan eiseres op te leggen. De verwijzing van eiseres naar de uitspraak van deze rechtbank van 16 mei 2024 gaat niet op, omdat het hier niet over gelijke gevallen gaat. In voornoemde uitspraak ging het om een vreemdeling die al twee jaar in de opvang van het COa verbleef en nooit incidenten van enige betekenis had veroorzaakt. Eiseres verblijft daarentegen slechts enkele maanden in de opvang en is meerdere malen betrokken geweest bij incidenten. Doordat sprake is van herhaaldelijk grensoverschrijdend gedrag van eiseres, waardoor de veiligheid op de locatie in haar aanwezigheid niet kan worden gewaarborgd, is de rechtbank is van oordeel dat de plaatsing in de HTL proportioneel en noodzakelijk is. De beroepsgrond van eiseres slaagt dan ook niet.

Wettelijke basis

De rechtbank volgt eiseres niet in haar betoog dat plaatsing in de HTL en het opleggen van vrijheidsbeperkende maatregel een onvoldoende wettelijke grondslag heeft. De rechtbank stelt voorop dat deze rechtbank en zittingsplaats hierover al eerder een oordeel heeft gegeven. De rechtbank verwees in voorgenoemde uitspraak naar de uitspraak van de Afdeling van 11 september 2024. In wat eiseres naar voren heeft gebracht ziet de rechtbank geen aanknopingspunten om hiervan af te wijken. De rechtbank is verder van oordeel dat de verwijzing van eiseres naar het artikel van mr. F.W. Verbaas in de A&MR en de verwijzing naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, geen doel treft. De rechtbank overweegt dat hoewel de Afdeling in haar uitspraak niet expliciet op het artikel ingaat, er in de genoemde bijdrage en het overige wat door eiseres is aangevoerd geen concrete aanknopingspunten zijn die afbreuk doen aan het oordeel van de Afdeling.

6. Het beroep tegen het plaatsingsbesluit is ongegrond.

Vrijheidsbeperkende maatregel

Wat vindt eiseres?

7. Eiseres meent daarnaast dat haar persoonlijke omstandigheden waar zij blijkens het proces-verbaal van gehoor bij de maatregel van vrijheidsbeperking over heeft verklaard, onvoldoende zijn betrokken. Eiseres heeft verklaard over haar medische problematiek en hier is volgens haar te weinig rekening mee gehouden.

Oordeel van de rechtbank

8. De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank is van oordeel dat er voldoende rekening is gehouden met de medische problematiek van eiseres nu het GZA is betrokken en akkoord heeft gegeven voor de overplaatsing. Bovendien is eiseres tijdens het gehoor voorafgaand aan de vrijheidsbeperkende maatregel gewezen op de aanwezigheid van de medische dienst op de HTL. Daarnaast blijkt uit het dossier ook dat eiseres op de HTL medische zorg en medicatie heeft ontvangen.

Omdat het beroep tegen de vrijheidsbeperkende maatregel verder volledig steunt op het plaatsingsbesluit en dat beroep ongegrond wordt verklaard, oordeelt de rechtbank dat het beroep tegen de vrijheidsbeperkende maatregel ook ongegrond moet worden verklaard. De rechtbank zal het verzoek tot schadevergoeding afwijzen.

Conclusie en gevolgen

9. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt en dat het COa het besluit tot plaatsing in de HTL en de minister de vrijheidsbeperkende maatregel mochten nemen.

Eiseres verzoek om schadevergoeding wordt gezien het voorgaande afgewezen. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank:

Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Tesfai, rechter, in aanwezigheid van

mr. N. Wetterauw, griffier, op 10 september 2026, en gepseudonimiseerd gepubliceerd op rechtspraak.nl.

Informatie over hoger beroep

Tegen deze uitspraak, voor zover het betreft het beroep gericht tegen het plaatsingsbesluit, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking. Tegen deze uitspraak, voor zover het betreft het beroep gericht tegen de vrijheidsbeperkende maatregel, staat geen rechtsmiddel open.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. R. Tesfai

Griffier

  • mr. N. Wetterauw

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand