[naam] , eiser,
v-nummer: [v-nummer] ,
(gemachtigde: mr. C.J. Ullersma),
en
het Centraal Orgaan opvang asielzoekers, het COa,
alsmede
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. H.R. Nobel).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank twee beroepen. Het eerste beroep is gericht tegen het besluit van het COa van 20 mei 2026. In dat besluit heeft het COa besloten om eiser per 20 mei 2026 in de HTL in Hoogeveen te plaatsen (hierna: het plaatsingsbesluit). Het tweede beroep van eiser richt zich tegen het besluit van de minister van dezelfde datum om hem een vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 56 van de Vw op te leggen (hierna: de vrijheidsbeperkende maatregel). De rechtbank merkt het beroep ook aan als een verzoek om schadevergoeding.
Eiser heeft op 23 juni 2026 en op 6 juli 2026 beroepsgronden ingediend. Het COa heeft op 1 september 2026 een verweerschrift heeft ingediend.
De vrijheidsbeperkende maatregel is op 24 augustus 2026 opgeheven wegens voltooiing van de maatregel.
De rechtbank heeft de beroepen op 4 september 2026 op zitting behandeld. De gemachtigde van eiser is verschenen en de minister en het COa hebben zich gezamenlijk laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. Eiser is niet verschenen. De rechtbank heeft het onderzoek in beide zaken op de zitting gesloten,
Beoordeling door de rechtbank
2. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt, dat het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen en dat eiser ook geen vergoeding krijgt in de proceskosten. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt.
Het beroep gericht tegen het plaatsingsbesluit
De feitelijke verslaglegging van het incident
3. Het COa heeft in het plaatsingsbesluit uitgebreid verslag gedaan van het incident dat ten grondslag ligt aan het besluit. Kort samengevat komt dit op het volgende neer. Eiser heeft zich op 18 mei 2026 herhaaldelijk verbaal en non-verbaal agressief gedragen richting COa-medewerkers. Eiser heeft COa-medewerkers op meerdere momenten en op verschillende plaatsen binnen en buiten de locatie uitgescholden en beledigd. Eiser heeft zijn stem verheven, een dreigende houding aangenomen, op eigendommen van het COa geslagen en gebonkt en meerdere malen gedreigd dat zijn gedrag verder zou escaleren indien het COa niet aan zijn verzoeken zou voldoen. Daarnaast heeft hij een medebewoner gevraagd om Arabische beledigingen te verlaten richting een COa-medewerker. Daarbij heeft eiser zich in het verleden herhaaldelijk verbaal en non-verbaal agressief uitgelaten, de huisregels overtreden en brandgevaar veroorzaakt.
Wat vindt eiser?
4. Eiser is het in grote lijnen eens met de verslaglegging van het COa van het incident van 18 mei 2026. Eiser betwist echter dat hij agressief is geweest en heeft gescholden. Eiser stelt weliswaar te hebben geschreeuwd, maar voert aan dat dit het gevolg was van de pijn die hij aan zijn hand ervoer en het feit dat hij hiervoor niet, dan wel onvoldoende, werd geholpen. Eiser geeft aan dat hij zich wanhopig voelde. Daarnaast stelt eiser te kampen met psychische klachten na heftige gebeurtenissen in zijn leven. Ook stelt eiser dat uit het dossier niet blijkt in hoeverre de door hem aangegeven pijn aan zijn hand en de gevolgen daarvan zijn besproken en in hoeverre is geprobeerd hiervoor een oplossing te vinden. Deze informatie is volgens eiser van belang, omdat de pijn mogelijk een verklaring is voor zijn gedrag en het wegnemen daarvan mogelijk (een deel van) de oplossing biedt. Daarnaast blijkt volgens eiser uit het dossier en de eerder beschreven incidenten dat hij vaker heeft aangegeven pijn aan zijn hand te ervaren en dat hij hiervoor niet, dan wel onvoldoende, werd geholpen. Indien de pijn de oorzaak van het gedrag van eiser is, stelt eiser dat het opleggen van een maatregel geen effect zal hebben.
5. Daarnaast wijst eiser op de algemene situatie in het AZC. Eiser vraagt, mede in het kader van het incident van eiser, aandacht voor de omgeving waarin het incident heeft plaatsgevonden. Volgens eiser is de opvang onvoldoende veilig en zijn de leefomstandigheden slecht. In de opvang verblijven veel mensen met verschillende achtergronden en problematiek dicht op elkaar, terwijl er sprake is van beperkte leefruimte en weinig perspectief. Volgens eiser kunnen dergelijke omstandigheden een negatieve invloed hebben op het gedrag van asielzoekers. Eiser wijst er daarnaast op dat een plaatsing in de HTL weinig oplevert, omdat de omstandigheden in het AZC na terugkeer niet zullen zijn veranderd. De onderliggende problematiek blijft daarmee bestaan.
6. Eiser stelt zich daarnaast op het standpunt dat de opgelegde maatregel, gelet op zijn persoonlijke omstandigheden, disproportioneel is. Daarbij wijst hij op de pijnklachten aan zijn hand en op het feit dat hij in de HTL verbleef, zonder duidelijkheid over de duur van zijn verblijf en de vraag wanneer hierin verandering zal komen. Verder voert eiser aan dat er in de HTL geen gesprekken met hem hebben plaatsgevonden en dat met hem niet is gesproken over terugkeer naar een normale opvang. Ook stelt eiser dat uit de stukken niet blijkt dat hij in de HTL intensieve begeleiding zal ontvangen, waaruit eventuele begeleiding zal bestaan en welk doel daarmee wordt beoogd. Dit is vooral van belang volgens eiser omdat in het besluit wordt gesteld dat eerdere maatregelen, zoals een time-out en het inhouden van verstrekkingen, geen effect hebben gehad. Volgens eiser is dan ook onvoldoende gemotiveerd waarom verblijf in de HTL naar verwachting wel tot gedragsverandering zal leiden en op welke wijze daaraan gewerkt gaat worden. Daarnaast voert eiser aan dat in het besluit geen duur van de maatregel is opgenomen, terwijl deze duur volgens eiser kenbaar moet zijn. Het ontbreken daarvan maakt de maatregel volgens eiser onzorgvuldig. Het was voor eiser bovendien niet inzichtelijk tijdens zijn verblijf op de HTL wanneer en op welke wijze de maatregel zou worden geëvalueerd en hoelang deze naar verwachting zal voortduren. Volgens eiser maakt het ontbreken van duidelijkheid over de evaluatie en de duur van de maatregel dat zowel de oplegging als de voortduring daarvan onvoldoende inzichtelijk en daarmee onvoldoende gerechtvaardigd is.
Oordeel van de rechtbank
7. De rechtbank is van oordeel dat het COa, in overeenstemming met het Maatregelenbeleid en voldoende deugdelijk gemotiveerd, heeft besloten tot de oplegging van het plaatsingsbesluit. Het COa kan volgens het Maatregelenbesluit in twee gevallen een HTL-maatregel opleggen: na één incident met een zeer grote impact, of bij eerdere incidenten met een grote of zeer grote impact. In dit geval legt het COa meerdere incidenten met grote impact ten grondslag aan het plaatsingsbesluit. De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de verslaglegging van het COa van het incident van 18 mei 2026. De rechtbank overweegt hiertoe dat de verschillende gedragingen en uitlatingen van eiser zeer uitgebreid zijn omschreven en ziet in de enkele ontkenning van eiser dat hij niet agressief zou zijn geweest of zou hebben gescholden geen aanleiding om aan de verslaglegging te twijfelen. De rechtbank is verder is van oordeel dat het COa het beschreven incident op 18 mei 2026 terecht heeft gekwalificeerd als een incident met een grote impact. De gedragingen van eiser zijn te kwalificeren als gedrag met de intentie om de ander te kleineren of te bedreigen. Daarnaast heeft eiser zich op meerdere plekken in de opvang agressief gedragen. Uit de feitelijke verslaglegging van het COa volgt namelijk dat eiser COa-medewerkers meerdere keren heeft uitgescholden en bedreigd. Ook heeft eiser geslagen op de ramen van het kantoor en op eigendommen van het COa. De eerdere incidenten die het COa aan het plaatsingsbesluit ten grondslag legt, vonden plaats vanaf 6 februari 2025 en zijn benoemd in bijlage 1 van het besluit. Het betreffen 29 incidenten. Zes van deze incidenten zijn gekwalificeerd als incidenten met grote of zeer grote impact. Voor zover eiser aanvoert dat het incident is veroorzaakt door de omstandigheden in de opvang en zijn medische en psychische omstandigheden, hoefde het COa hierin geen aanleiding te zien om van plaatsing in de HTL af te zien. Alhoewel de rechtbank begrip heeft voor de pijnklachten die eiser heeft ervaren, rechtvaardigt dit het gedrag van eiser niet. De rechtbank ziet ook in de heftige gebeurtenissen die in het leven van eiser hebben plaatsgevonden en de daaruit voortvloeiende psychische klachten geen aanleiding voor een ander oordeel. De stelling van eiser dat uit het dossier niet blijkt dat eerder aandacht is besteed aan zijn pijnklachten, volgt de rechtbank niet. Uit het dossier blijkt dat eiser toegang had tot het GZA en dat met hem afspraken zijn gemaakt over het opnemen van contact met het GZA. De rechtbank merkt nog op dat uit het verweerschrift van 1 september 2026 blijkt dat eiser inmiddels is geopereerd aan zijn hand.
8. Voor zover eiser aandacht vraagt voor de algemene omstandigheden in de asielopvang in Nederland, overweegt de rechtbank als volgt. De beoordeling van deze omstandigheden raakt aan een bredere maatschappelijke discussie. In de onderhavige procedure gaat het om de beoordeling van de beroepen van eiser tegen de vrijheidsbeperkende maatregel en het plaatsingsbesluit en meer in het bijzonder of op goede gronden is besloten tot plaatsing in de HTL. De rechtbank is, zoals reeds overwogen, van oordeel dat op goede gronden is besloten tot oplegging van de maatregelen en ziet in de verwijzing naar de omstandigheden in de asielopvang geen aanleiding voor een ander oordeel. Nog daargelaten dat eiser niet heeft onderbouwd op welke wijze deze omstandigheden concreet van invloed zijn geweest op de gedragingen en uitlatingen van eiser ten tijde van het incident, is de rechtbank van oordeel dat deze omstandigheden evenmin een verschoonbare reden zijn voor het gedrag van eiser in het onderhavige geval.
9. De rechtbank is verder van oordeel dat het COa het plaatsingsbesluit ook voor het overige voldoende heeft gemotiveerd en op grond daarvan heeft kunnen besluiten eiser in de HTL te plaatsen. De rechtbank volgt eiser dan ook niet in de stelling dat onvoldoende is gebleken dat een plaatsing in de HTL kan bijdragen aan een verandering van zijn gedrag. Bovendien blijkt uit de bij het verweerschrift van 1 september 2026 gevoegde gespreksverslagen, anders dan eiser stelt, dat eiser tijdens zijn verblijf begeleiding heeft ontvangen. Daarnaast blijkt uit deze gespreksverslagen dat eiser zijn verblijf in de HTL is geëvalueerd. De stelling van eiser dat voor hem niet duidelijk was hoe lang hij in de HTL zou moeten verblijven, treft geen doel. Uit het plaatsingsbesluit volgt dat de HTL-maatregel aan eiser is opgelegd voor de duur van 13 weken.
Vrijheidsbeperkende maatregel
10. Het beroep tegen het plaatsingsbesluit is ongegrond. Omdat het beroep tegen het plaatsingsbesluit ongegrond is en de vrijheidsbeperkende maatregel volledig steunt op dat besluit, oordeelt de rechtbank dat het beroep tegen de vrijheidsbeperkende maatregel ook ongegrond moet worden verklaard en wijst het verzoek tot schadevergoeding af.
Conclusie en gevolgen
11. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en dat het COa het besluit tot plaatsing in de HTL en de minister de vrijheidsbeperkende maatregel mochten nemen.
Eisers verzoek om schadevergoeding wordt gezien het voorgaande afgewezen. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart de beroepen ongegrond;
wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Tesfai, rechter, in aanwezigheid van
mr. N. Wetterauw, griffier, op 10 september 2026, en gepseudonimiseerd gepubliceerd op rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Informatie over hoger beroep
Tegen deze uitspraak, voor zover het betreft het beroep gericht tegen het plaatsingsbesluit, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking. Tegen deze uitspraak, voor zover het betreft het beroep gericht tegen de vrijheidsbeperkende maatregel, staat geen rechtsmiddel open.