ECLI:NL:RBDHA:2026:26302

ECLI:NL:RBDHA:2026:26302

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 09-07-2026
Datum publicatie 10-09-2026
Zaaknummer SGR 25/9174
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

voorlopige voorziening procedure. Verweerder heeft de aanvraag van verzoekster voor het plaatsen van twee speelautomaten in de horeca-inrichting '[handelsnaam]' afgewezen. De voorzieningenrechter is van oordeel dat geen sprake is van een spoedeisend belang omdat zij geen concrete financiële stukken heeft ingediend die aannemelijk maken dat haar voortbestaan oor het besluit in gevaar zal komen. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af.

Uitspraak

[verzoekster] h.o.d.n. [handelsnaam], uit [woonplaats], verzoekster(gemachtigde: [gemachtigde]).en

de burgemeester van de gemeente Leiden, verweerder

(gemachtigde: mr. N. Kraan).

Samenvatting

1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de weigering van de aanvraag van verzoekster voor het plaatsen van twee speelautomaten in de horeca-inrichting ‘[handelsnaam]’ (hierna: de horeca-inrichting).

Verweerder heeft dit besluit op 4 december 2025 genomen. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. Met het bestreden besluit van 11 maart 2025 heeft verweerder het bezwaar van verzoekster ongegrond verklaard en is hij bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.

Verzoekster heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld, zodat het verzoek om een voorlopige voorziening geldt als een verzoek gedaan hangende het beroep bij de rechtbank.

Verweerder heeft op het ingediende verzoek gereageerd met een verweerschrift.

De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af vanwege het ontbreken van spoedeisend belang bij verzoekster. Omdat het verzoek om een voorlopige voorziening kennelijk ongegrond is, doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) maakt dat mogelijk. Hieronder legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Waar gaat deze zaak over?

2. Verzoekster betreft een horeca-inrichting die gevestigd is op het [adres] te [plaats]. Op 24 december 2024 heeft zij bij verweerder een aanvraag gedaan voor de reeds aanwezige twee speelautomaten in deze horeca-inrichting (hierna: de aanwezigheidsvergunning). Verweerder heeft deze aanvraag geweigerd omdat de horeca-inrichting niet kan worden aangemerkt als een hoogdrempelige inrichting. Primair legt verweerder hieraan ten grondslag dat volgens het geldende omgevingsplan op de plek waar de horeca-inrichting is gelegen slechts horeca-categorie 2 inrichtingen of lager mogen worden geëxploiteerd. De horeca-inrichting valt onder horeca-categorie 2 inrichting, omdat het een snackbar betreft. Dit is een laagdrempelige inrichting. Voor zover de horeca-inrichting wél als een restaurant moet worden beschouwd, stelt verweerder zich op het standpunt dat alsnog sprake is van een laagdrempelige inrichting omdat er eten en drinken kan worden afgehaald.

Wat vindt verzoekster?

3. Verzoekster is het niet eens met de weigering van haar aanvraag om een aanwezigheidsvergunning en heeft hiertegen naast beroep ook een voorlopige voorziening ingesteld.

Zij betoogt allereerst dat ernstig moet worden getwijfeld aan de rechtmatigheid van het bestreden besluit. Zo miskent verweerder dat bij de beoordeling van de vraag of een horeca-inrichting als hoog- of laagdrempelig moet worden gekwalificeerd, hoofdzakelijk moet worden gekeken naar hoe deze feitelijk wordt geëxploiteerd. Dit geldt te meer nu in dit geval sprake is van een samengestelde horeca-inrichting, welke overwegend het karakter heeft van een ‘petit restaurant’. De bediening vindt plaats aan de tafels en er is een uitgebreide menukaart aanwezig. Bovendien is er een duidelijke afscheiding tussen het restaurantgedeelte en het gedeelte waar de speelautomaten zich bevinden. Verweerder heeft ten onrechte doorslaggevende betekenis toegekend aan de planologische bestemming van de plek waar de horeca-inrichting is gevestigd. Dit is slechts één van de vele factoren die bij de beoordeling moeten worden meegewogen. Ditzelfde geldt voor wat betreft het gegeven dat in de horeca-inrichting ook de mogelijkheid tot afhalen bestaat. Dit enkele gegeven maakt een horeca-inrichting namelijk niet direct laagdrempelig. Tot slot heeft verweerder zich bij het nemen van het bestreden besluit geen rekenschap gegeven van eerdere beoordelingen van deskundigen, waaronder Verispect, op dit punt.

Mocht het toch tot een belangenafweging komen, dan valt deze in het voordeel uit van verzoekster. Als zij de horeca-inrichting gedurende de bezwaarprocedure niet kan exploiteren, dan leidt dit tot onevenredige en onherstelbare schade omdat zij hierdoor inkomsten misloopt. Het tijdelijk toestaan van de twee speelautomaten leidt daarentegen niet tot onomkeerbare of onherstelbare gevolgen en is bovendien in lijn met de feitelijke situatie die jarenlang zonder problemen heeft bestaan.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Spoedeisend belang

4. De voorzieningenrechter stelt voorop dat zij op grond van artikel 8:81, eerste lid van de Awb alleen een voorlopige voorziening treft als onverwijlde spoed dat vereist. In het geval dat er financiële belangen spelen, zoals in deze zaak, is dat niet snel het geval. In beginsel kan namelijk na afloop van de bodemzaak het bedrag waarover het geschil gaat, alsnog worden (terug)betaald, zo nodig met vergoeding van de wettelijke rente. Als er geen onomkeerbare situatie dreigt, bijvoorbeeld faillissement, of acute financiële nood, neemt de voorzieningenrechter aan dat spoedeisend belang ontbreekt, zodat hij alleen al daarom geen voorlopige voorziening treft.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoekster onvoldoende spoedeisend belang heeft bij een voorlopige voorziening. Ondanks hiertoe op 17 april jl. om te hebben verzocht, heeft verzoekster geen concrete financiële stukken ingebracht die aannemelijk maken dat haar voortbestaan door het besluit in gevaar zal komen. Het enkel stellen daarvan is onvoldoende voor die conclusie. Dat gederfde exploitatie-inkomsten niet in aanmerking komen om achteraf te vergoeden als het bestreden besluit in de bezwaarfase geen stand houdt, zoals verzoekster in haar aanvullende reactie van 24 december 2025 heeft betoogd, volgt de voorzieningenrechter niet. Zij kan in die situatie verweerder verzoeken een zelfstandig schadebesluit te nemen.

Evident onrechtmatig besluit

5. De door verzoeker gevraagde voorziening kan, nu spoedeisend belang ontbreekt, alleen nog worden getroffen als het besluit van verweerder evident onrechtmatig is. Dit houdt in dat zonder diepgaand onderzoek naar de relevante feiten en/of het recht zeer ernstig moet worden betwijfeld of het door verweerder ingenomen standpunt juist is en of het besluit in de beroepsprocedure in stand zal blijven. Daarvan is naar het oordeel van de voorzieningenrechter in dit geval echter geen sprake. In artikel 30, aanhef en onder d, van de Wok wordt de definitie van een hoogdrempelige inrichting gegeven; het gaat om een inrichting waar alcohol wordt geschonken en waar het café en het restaurantbezoek op zichzelf staat en waar geen andere activiteiten plaatsvinden waaraan een zelfstandige betekenis moet worden toegekend en waarvan de activiteiten in belangrijke mate zijn gericht op personen van 18 jaar en ouder. Onder verwijzing naar het rapport van bevindingen van de controle van 29 november 2025 heeft verweerder op het eerste oog afdoende toegelicht dat de horeca-inrichting een snackbar betreft waar eenvoudige maaltijden, niet zijnde drie gangen menu’s, al dan niet afgeprijsd worden verkocht. Hier komt een zelfstandige betekenis aan toe. Dit betekent dat sprake is van een laagdrempelige inrichting waarvoor geen aanwezigheidsvergunning mag worden afgegeven.

Voorts heeft verweerder onweersproken gesteld en onderbouwd dat het ‘eetgedeelte’ van de horeca-inrichting met kansspelautomaten ten opzichte van het snackbargedeelte niet als een besloten ruimte kan worden aangemerkt. In wat verzoekster heeft aangevoerd ziet de voorzieningenrechter op voorhand ook geen aanwijzingen dat de horeca-inrichting een samengestelde horeca-inrichting betreft.

Conclusie en gevolgen

6. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Voor een vergoeding van het griffierecht bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. de Wit, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. R.J.P. Lindhout, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 9 juli 2026.

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. R.J.P. Lindhout

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand