ECLI:NL:RBDHA:2026:26319

ECLI:NL:RBDHA:2026:26319

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 09-09-2026
Datum publicatie 10-09-2026
Zaaknummer C/09/695257 / HA ZA 25-1059
Rechtsgebied Civiel recht; Verbintenissenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Overheidsaansprakelijkheid. Is de door de provincie Zuid-Holland gedeeltelijk achter het perceel van eisers aangelegde wachtplaats voor recreatievaaruigen onrechtmatig?

Uitspraak

RECHTBANK Den Haag

Team Handel

Zaak- en rolnummer: C/09/695257 / HA ZA 25-1059

Vonnis van 9 september 2026

in de zaak van

1. [eisende partij 1] te [woonplaats] ,2. [eisende partij 2] te [woonplaats] ,

eisende partijen,

hierna samen te noemen: [eisers] c.s.,

advocaat: mr. F.P. van Galen te Leiden,

tegen

PROVINCIE ZUID-HOLLAND te Den Haag,

gedaagde partij,

hierna te noemen: de provincie,

advocaat: mr. S.E. Kasbergen-Dirksen te Den Haag.

1. Waar gaat deze zaak over

De achtertuin van de woning van [eisers] c.s. grenst aan de Oude Rijn. De provincie heeft in de Oude Rijn, ten oosten van de Broekvelderbrug, een wachtplaats voor recreatievaartuigen gerealiseerd. Volgens [eisers] c.s. heeft de provincie hiermee onrechtmatig gehandeld jegens hen en zij vorderen schadevergoeding. Volgens de provincie is er geen grond voor aansprakelijkheid.

De rechtbank komt tot het oordeel dat de provincie niet onrechtmatig heeft gehandeld en wijst de vorderingen van [eisers] c.s. af.

2. De procedure

Het procesdossier bestaat uit de volgende stukken:

- de dagvaarding van 19 november 2025, met de producties 1 tot en met 38;

- de conclusie van antwoord, met de producties 1 tot en met 8;

- de bij B8-formulier door [eisers] c.s. overgelegde producties 39 en 40;

- de bij brief van 1 juli 2026 door de provincie overgelegde producties 9 tot en met 12.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 14 juli 2026. Partijen hebben over en weer hun standpunten verder toegelicht en vragen van de rechtbank beantwoord. De griffier heeft aantekening gemaakt van wat van wat er tijdens de mondelinge behandeling is gezegd.

Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald.

3. De feiten

Op grond van de stukken en het wat er tijdens de zitting is gezegd wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

[eisers] c.s. zijn eigenaar van drie percelen aan de [adres 1] (hierna tezamen: het perceel). Het perceel met daarop de woning van [eisers] c.s. grenst met de achtertuin aan de Oude Rijn. Aan de westzijde van het perceel is een watergang gelegen, die voor de helft eigendom is van [eisers] c.s. De andere helft is eigendom van de eigenaar van het perceel aan de [adres 2] . Er ligt er in de watergang een vaartuig van 10,5 meter lang, dat eigendom is van een derde.

In de Oude Rijn zijn meerdere bruggen gelegen, waaronder de Broekvelderbrug. Dit is een beweegbare brug die loopt tussen de Broekveldselaan, die door het zuiden van Bodegraven loopt, en de N458. De Broekvelderbrug bestaat uit drie brugdelen, waarvan het middelste gedeelte het (enige) beweegbare gedeelte is. De brug opent dus in het midden.

Tot de brug behoren remmingswerken (zie ook 3.37). Een remmingswerk is een fuikvormige constructie die het scheepvaartverkeer door de doorvaartopening van de brug heen begeleidt bij harde wind, stroming of andere invloeden die de koers van een vaartuig kunnen beïnvloeden. Tegelijk remt deze het schip af om schade aan de brug te voorkomen. De trechtervorm zorgt voor een geleiding en voorkomt bij verkeerd uitlijnen van een schip dat deze de brug raakt.

Voordat de wachtplaats waarover deze zaak gaat is gerealiseerd, waren reeds in de Oude Rijn aanwezig de beweegbare brug, met aan de (hier van belang zijnde) oostelijke zijde twee remmingswerken (bestaande uit 4 (noord) of 5 (zuid) palen en gording) en twee aanvaarpalen (geleidewerken) inclusief bebording op de noordelijke aanvaarpaal. Op de meest rechter aanvaarpaal van het remmingswerk aan de noordzijde was een meldknop bevestigd.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, sub a Scheepvaartverkeerswet zijn gedeputeerde staten van de provincie als bevoegd gezag verantwoordelijk voor de ordening van het scheepvaartverkeer op scheepvaartwegen, en meer specifiek voor het verzekeren van de veiligheid en het vlotte verloop van het scheepvaartverkeer.

Op grond van artikel 3.2, eerste lid, van de Waterwet heeft de provincie bij verordening de Oude Rijn aangewezen als vaarweg in beheer van de provincie. Ten tijde van de aanleg van de wachtplaats in april 2023 gold de Omgevingsverordening Zuid-Holland 2019.

Uit artikel 3.2 van de Waterwet (dat gold ten tijde van de aanleg van de wachtplaats in 2023) volgde dat de beheerder ervoor dient te zorgen dat de in haar beheer zijnde vaarwegen hun maatschappelijke functies, zoals beroeps- en recreatievaart, op juiste en veilige wijze kunnen vervullen.

Bij de invulling van haar rol als beheerder van de Oude Rijn hanteert de provincie de Richtlijnen Vaarwegen 2020 van Rijkswaterstaat (hierna: de Richtlijnen) en de ontwerpcriteria voor de inrichting van vaarwegen. Deze ontwerpcriteria zijn vastgelegd in het Handboek Ontwerpcriteria Vaarwegen (vastgesteld juni 2017, hierna: het Handboek).

De Richtlijnen bepalen onder meer dat er bij beweegbare bruggen altijd een wachtplaats voor de recreatievaart aanwezig moet zijn (paragraaf 5.9.6). Volgens de Richtlijnen ligt de wachtplaats in principe aan stuurboordzijde van het vaarwater, maar als dit vaak de onbeschutte lagerwal is of het beweegbare brugdeel aan de bakboordzijde ligt, ligt de wachtplaats aan bakboord. De wachtplaats moet zo dicht mogelijk bij de brug liggen, tussen de wachtplaats voor de beroepsvaart en de brug. De Richtlijnen bepalen niet nader wat “zo dicht mogelijk bij de brug” concreet inhoudt.

Het Handboek schrijft voor dat bij bruggen en sluizen een wachtplaats dient te worden aangeboden (paragraaf 3.1.1). Voor alle typen wachtplaatsen (recreatievaart, beroepsvaart en een combinatie van beide wachtplaatsen) worden de volgende algemene eisen gesteld: wachtplaatsen dienen gerealiseerd te worden aan stuurboordzijde van de vaarweg en worden voorzien van een meldknop voor recreatievaart. Een wachtplaats dient buiten de vaarstrook en veiligheidsstrook te worden gerealiseerd, en mag geen hinder geven aan de doorgaande vaart. De wal achter de wachtplaats moet bereikbaar zijn voor hulpdiensten, de daadwerkelijke wachtplaatsvoorziening niet. Voor een wachtplaats voor de recreatievaart gelden geen aanvullende eisen hierop (anders dan voor beroepsvaart).

In het Binnenvaartpolitiereglement zijn de regels vastgelegd die gelden op de Nederlandse binnenwateren. In artikel 1.01 wordt een ‘klein schip’ geduid als een schip kleiner dan 20 meter. Schepen groter dan 20 meter kwalificeren als een ‘groot schip’.

Voor de beroepsvaart is (vermoedelijk sinds 1998, toen de Broekvelderbrug is gebouwd) een wachtplaats aanwezig, aan de zuidzijde van de Oude Rijn. Deze wachtplaats is aan bakboord aangelegd, vermoedelijk omdat die zijde de openbare oever betreft. Deze wachtplaats kan niet door recreatievaart worden gebruikt. De wachtplaats is bedoeld voor het type vaartuigen dat in het Binnenvaartpolitiereglement wordt aangeduid als ‘grote schepen’. Dat zijn schepen met een lengte vanaf 20 meter.

De recreatievaart in de Oude Rijn is de afgelopen jaren toegenomen, terwijl het aantal passages door de beroepsvaart is afgenomen. Het overgrote deel van de openingen (circa 1800 in 2024) heeft plaatsgevonden voor recreatievaart. Deze omstandigheid in combinatie met de voorschriften vanuit de Richtlijnen en het Handboek, bracht de provincie ertoe om wachtplaatsen voor recreatievaart bij de Broekvelderbrug te realiseren.

In een intern projectplan van de provincie van 12 maart 2018 zijn er twee wachtplaatsen voor de recreatievaart bij de Broekvelderbrug opgenomen. Het betrof één wachtplaats aan de westzijde van de Broekvelderbrug, en één aan de oostzijde. Over die laatste wachtplaats gaat deze procedure.

De provincie heeft in 2018 vervolgens aan ingenieursbureau RoyalHaskoningDHV (hierna: RHDHV) de opdracht gegeven om een ontwerp voor de wachtplaats te maken. In een rapport van 14 mei 2019 heeft RHDHV geadviseerd om een wachtplaats voor recreatievaart te realiseren met een lengte van 30 meter aan de noordzijde van de Oude Rijn, op 50 meter van de tweede paal van het noordelijke remmingswerk vanaf de Broekvelderbrug bezien en op drie tot vier meter uit de oever en met palen op 1,18 meter boven N.A.P. Dit betreft ontwerp versie 2.

De provincie heeft vervolgens omwonenden per brief van 15 januari 2020 laten weten op 24 januari 2020 te starten met het aanleggen van een wachtplaats conform het ontwerp versie 2.

Omwonenden waren verrast door de brief van 20 januari 2020. De provincie heeft de werkzaamheden gestaakt en een informatieavond georganiseerd op 6 februari 2020. Naar aanleiding van deze informatieavond heeft de provincie – conform hetgeen tijdens de bewonersavond is besproken – andere mogelijkheden voor de wachtplaats onderzocht.

Vervolgens zijn bij brief van 28 mei 2020 omwonenden geïnformeerd dat het mogelijk is om de wachtplaats voor de recreatievaart aan de zuidzijde van de Oude Rijn aan te leggen en dat er in dat kader een wachtplaats zal worden gemaakt die zowel voor beroepsvaart als voor recreatievaart geschikt is, een zogenaamde combiwachtplaats aan de zuidzijde (ontwerp versie 4).

Naar aanleiding van deze ontwerpkeuze kwamen echter diverse bezwaren binnen van de bewoners van de zuidzijde. Deze bezwaren waren gelijksoortig aan de bezwaren van de bewoners aan de noordzijde ten aanzien van de wachtplaats, onder meer verlies van privacy.

Bij brief van 25 augustus 2020 heeft de provincie aan omwonenden medegedeeld dat besloten is om alsnog aan de noordzijde een wachtplaats te realiseren (ontwerp versie 5 en 6). Dit betrof een ontwerp voor een combinatiewachtplaats. De brief vermeldt onder meer het volgende:

“ Onderzoek naar nieuwe variant oostelijke oever

Naar aanleiding van de brief ontvingen we echter bezwaren van de bewoners aan de oostelijke oever van de Zuidzijde. Een deel van deze bezwaren kwam overeen met uw bezwaren, bijvoorbeeld het verlies van privacy. We hebben daarom de keuze gemaakt om nogmaals te kijken naar de verschillende oplossingen. Hierbij is gelet op hoe we de wachtplaats zo kunnen plaatsen dat alle bewoners zo min mogelijk hinder ondervinden. Daarnaast is gekeken naar een gunstige locatie qua veiligheid en brugbediening.

Nieuwe variant noordoostelijke oever

Na alle argumenten en ingebrachte bezwaren afgewogen te hebben, is besloten om de combiwachtplaats aan de oostkant van de brug langs de noordelijke oever te realiseren. Het

vaarverkeer vanuit de richting Nieuwerbrug kan hierdoor aan de rechterzijde van de Oude Rijn blijven, waardoor de veiligheid voor het vaarverkeer het beste wordt gewaarborgd. Hierdoor voldoet dit ontwerp het meeste aan de ontwerprichtlijnen die de provincie heeft om een veilige verkeerssituatie voor vaargebruikers te bieden.

In het nieuwe ontwerp houden we rekening met de bezwaren die u, als bewoners van de Noordzijde, eerder genoemd heeft: verlies van privacy en geblokkeerde insteekhavens. De wachtplaatsen worden 6 meter van de oever geplaatst en de ingangen van de insteekhavens worden vrijgehouden. (…)”.

In reactie daarop hebben [eisers] c.s. op 31 augustus 2020 bezwaren kenbaar gemaakt en nogmaals verzocht om de wachtplaats aan de zuidzijde te realiseren. Ook hebben zij een aantal alternatieven aangedragen. [eisers] c.s. wilden voorkomen dat de wachtplaats zou worden gerealiseerd voor/nabij hun perceel. De aangedragen alternatieven zagen op varianten waarin het perceel van [eisers] c.s. zou worden ontzien. Deze

alternatieven lagen i) ter hoogte van het ligplaatsvak van de watersportvereniging en ii) op 300 meter afstand van de Broekvelderbrug.

Op verzoek van de provincie heeft RHDHV in een memo van 20 oktober 2020 advies uitgebracht over mogelijke locaties voor de wachtplaats ten behoeve van definitieve besluitvorming. Hieruit zijn drie varianten naar voren gekomen, te weten:

1) een wachtplaats recreatievaart aan de noordzijde (ontwerp versie 2);

2. een combiwachtplaats (dus recreatie- en beroepsvaart samen) aan de zuidzijde (ontwerp versie 3);

3. een combiwachtplaats aan de noordzijde (ontwerp versie 5).

De conclusie van het advies was dat variant drie (ontwerp versie 5) voor een combiwacht-plaats aan de noordzijde de voorkeursvariant is, nu deze volgens RHDHV het beste aansluit bij het Richtlijnen en het Handboek.

Op 12 januari 2021 hebben gedeputeerde staten van de provincie besloten om een combiwachtplaats aan te leggen aan de noordzijde op zes meter afstand van de oever (ontwerp versie 6).

Bij brief van 11 februari 2021 zijn omwonenden over dit besluit geïnformeerd en op 8 maart 2021 heeft een online informatieavond plaatsgevonden.

Vervolgens heeft er correspondentie plaatsgevonden tussen [eisers] c.s. en de

provincie, waarin [eisers] c.s. (bij brief van 11 juni 2021) hun bezwaren hebben geuit en waarop de provincie heeft gereageerd (bij brief van 19 juli 2021). Omwonenden zijn vervolgens bij brief van 23 juli 2021 geïnformeerd over het definitieve ontwerp (ontwerp versie 8). Dit betrof het ontwerp voor een combiwachtplaats op 42 meter vanaf de knik in het remmingswerk en op 6 meter uit de oever, dat onder andere tot stand is gekomen naar aanleiding van de vragen en opmerkingen van bewoners op de informatiebijeenkomst van 8 maart 2021. De provincie heeft in haar brief van 23 juli 2021 ook toegelicht dat zij op basis van dit ontwerp ook zal starten met de watervergunningsaanvraag. Tevens bevat de brief een uitnodiging voor een bewonersbijeenkomst op 2 september 2021.

Bij brief van 5 augustus 2021 hebben [eisers] c.s. nogmaals laten weten bezwaar te hebben tegen het ontwerp van de wachtplaats. Na de bewonersavond op 2 september 2021 heeft de provincie bij brief van 8 september 2021 op de bezwaren van [eisers] c.s. gereageerd met de conclusie dat er geen aanleiding was om het besluit omtrent de locatie van de wachtplaats te herzien.

Bij brief van 7 oktober 2021 heeft de gemeente Bodegraven-Reeuwijk de provincie in overweging gegeven om te volstaan met een wachtplaats voor recreatieschepen aan de noordzijde. De provincie heeft hierin geen aanleiding gezien om het ontwerp van de combiwachtplaats te herzien.

Bij dagvaarding van 21 januari 2022 hebben [eisers] c.s. in kort geding, kort gezegd, een verbod gevorderd om op de door de provincie beoogde combiwachtplaats aan te leggen. Bij vonnis van 21 februari 2022 van de voorzieningenrechter is de vordering afgewezen.

[eisers] c.s. hebben vervolgens [naam 1] (hierna: [naam 1] ) een rapport laten opstellen. In zijn rapport van 28 april 2022 heeft [naam 1] geadviseerd om alleen een wachtplaats voor de recreatievaart te maken, die in de visie van [naam 1] aan zowel de noordzijde als de zuidzijde mogelijk zou zijn.

[eisers] c.s. en andere omwonenden hebben de provincie vervolgens via brieven aan provinciale staten van 7 en 16 mei 2022, onder toezending van het rapport van [naam 1] , verzocht om het ontwerp voor de wachtplaats te heroverwegen.

Op 13 juli 2022 heeft de provincie opnieuw een bewonersbijeenkomst georganiseerd, waarna – mede naar aanleiding van de brieven aan provinciale staten – het ontwerp nogmaals is aangepast van een ontwerp van een combiwachtplaats naar een ontwerp van een wachtplaats voor uitsluitend recreatievaart (ontwerp versie 10 en 11). Daarbij zijn aanpassingen gedaan om tegemoet te komen aan de bezwaren van [eisers] c.s. en de andere omwonenden: de palen zouden dieper worden geplaatst (1,18 meter boven N.A.P.), de afstand tot de oever zou met twee meter worden vergroot tot acht meter, en de wachtplaats zou 1,7 meter korter worden (door de afstand tussen de twee delen te verkleinen).

In verband met die aanpassingen in het ontwerp hebben gedeputeerde staten op 17 oktober 2022 een nieuw besluit genomen en hierover omwonenden per brief van 7 november 2022 geïnformeerd. Ook is opnieuw vergunning aangevraagd bij het

Hoogheemraadschap, welke vergunning die is verleend op 16 januari 2023.

Vervolgens heeft er correspondentie plaatsgevonden tussen [eisers] c.s. en de provincie over (met name) de afstand van de wachtplaats tot de aanvaarpaal bij de Broekvelderbrug. Bij e-mail van 30 november 2022 heeft de provincie onder meer het volgende aan [eisers] meegedeeld over de afstand van de wachtplaats tot de aanvaarpaal:

“Door onze nautische deskundigen is beoordeeld welke afstand tussen de wachtplaats en de aanvaarpaal nodig is om schepen veilig slaags te kunnen doen raken (slaags raken = uitgelijnd zijn om door de brug heen te varen vanuit stilliggende positie). Een vaartuig heeft idealiter twee keer zijn eigen lengte en twee keer zijn eigen breedte nodig om slaags te raken voor het midden van de brug.

Van belang is dat op 24 meter afstand van de wachtplaats een 'aanvaarpaal' is gesitueerd. Schepen dienen dus vanaf de wachtplaats veilig te kunnen vertrekken zonder in aanvaring te komen met dit object. De wachtvoorziening aan de noordoostzijde van de brug is bedoeld voor schepen kleiner dan 20 meter. De meest gangbare maat van een recreatief c.q. klein vaartuig op een vaarweg als de Oude Rijn is een lengte van 10,5 meter en een breedte van 3,5 meter. Uitschieters in afmetingen naar boven en beneden komen uiteraard ook voor.

Dit is meegewogen door bij de beoordeling van de situatie bij de Broekvelderbrug uit te gaan van een gemiddelde maatvoering van 12 x 4 meter (lengte x breedte). Gerekend vanaf de boeg van een schip dient er gelet op de aanwezigheid van de aanvaarpaal een ruimte van 24 meter lang en 8 meter breed vrij van obstakels te zijn. Dit is mede nodig omdat een schip van dergelijke afmetingen ook bij windkracht 6 veilig moet kunnen manoeuvreren en varen. Er is immers bediening tot windkracht 7. Met het oog hierop is het ongewenst om de wachtvoorziening dichter bij de brug te plaatsen.”

Op verzoek van [eisers] c.s. heeft [naam 1] op 8 december 2022 een nader rapport uitgebracht over de benodigde afstand van de wachtplaats tot knik in het remmingwerk van de Broekvelderbrug. Hierin is onder meer volgende opgenomen:

“Afstand tot de brug

Volgens de tekening hierboven is de afstand van de knik in het remming- of geleidewerk tot de voor zijde van de wachtplaats ongeveer 42 meter. Dit is strijdig met de Richtlijnen Vaarwegen. Paragraaf 5.9.6 schrijft voor: "De wachtplaats moet zo dicht mogelijk bij de brug liggen, tussen de wachtplaats voor de beroepsvaart en de brug". De achterliggende reden voor deze richtlijn is, dat hoe dichter de vaartuigen bij de brug liggen, des te sneller ze door de brugopening zijn gevaren en hoe korter het oponthoud voor het wegverkeer is.

Wat is zo dicht mogelijk bij de brug? Volgens een mail van de provincie heeft een schip idealiter twee maal de eigen lengte en in dwarsrichting twee maal de eigen breedte nodig om slaags (= opgelijnd) te raken voor de brug. De RVW geeft bij figuur 42 een halve tot een hele scheepslengte aan. Echter, dit zijn cijfers die gelden voor beroepsvaart. Een recreatievaartuig heeft een andere breedte/lengte ratio dan een vrachtschip. Het op de volgende pagina afgebeelde kajuitjacht is te beschouwen als het gemiddelde jacht op de Oude Rijn met afmetingen van 3,9 x 12,2 m.

De breedte/lengteverhouding is 1:3,1. Het maximaal grote vrachtschip, een zogeheten spits, meet 5,05 x 38,5 m, een breedte/lengteverhouding van 1:7,6. De spits heeft daardoor veen grotere koersvastheid. Dit maakt dat het jacht veel makkelijker om zijn verticale as draait en van koers verandert dan het vrachtschip en dientengevolge minder lengte nodig heeft om zich los te maken van het remmingwerk om zich vervolgens voor de brugopening te positioneren. Derhalve volstaat één scheepslengte ruimschoots, dus 12,0 m.

De palen die het remmingwerk tegen aanvaringen beschermen, staan niet op de tekening van de provincie, maar zijn dezerzijds (bij benadering) ingetekend. Met Google Earth gemeten, bedraagt de afstand van de knik in het remmingwerk tot de aanvaarpaal ca. 16,0 m. Tel hierbij de 12,0 m die nodig is om het jacht te laten draaien en de boeg van het voorste afgemeerde recreatievaartuig kan tot op een afstand van 28,0 m van de knik opschuiven. De op de tekening vermelde 42,0 m van de knik tot de boeg van het voorste vaartuig is niet correct, maar is in feite ca. 45,0 m. De wachtplaats kan derhalve 45,0 - 28,0 = 17,0 m naar het westen verschuiven.

Het is de vraag wat de functie van de dubbele aanvaarpalen is. Er staat immers al een robuust geleidewerk bij de brug. Op drie hoogten bevinden zich tussen de gekoppelde palen bolders. Was deze constructie ooit bedoeld als wachtgelegenheid? In feite zijn de palen thans overbodig en is te overwegen ze te trekken teneinde een ruimere invaart te verkrijgen.”

Bij dagvaarding in kort geding van 23 februari 2023 hebben [eisers] c.s. een verbod gevorderd om op de door de provincie beoogde wachtplaats (conform ontwerp 11) aan te leggen. Bij vonnis van 22 maart 2023 van de voorzieningenrechter is de vordering afgewezen.

In april 2023 is de wachtplaats conform ontwerp versie 14 gerealiseerd. Dit betreft ontwerp 11, waartoe de provincie heeft besloten, met nog enkele kleine aanpassingen.

Op de onderstaande afbeelding is het perceel van [eisers] c.s. blauw omlijnd, de gerealiseerde wachtplaats voor recreatievaartuigen rood omlijnd en de wachtplaats voor de beroepsvaart geel omlijnd. Het remmingswerk aan de oostzijde is groen omlijnd. De wachtplaats ligt voor ongeveer zes meter voor een deel van het perceel (en de watergang) van [eisers] c.s.

Op 20 februari 2026 heeft de nautisch verkeerskundige van de provincie, [naam 2] (hierna: [naam 2] ) een rapport opgesteld. In het rapport is voor een wachtplaats voor beroepsvaart/een groot schip of een combinatiewachtplaats geconcludeerd dat de afstand tussen de knik in het remmingswerk en de eerste paal van de wachtplaats minimaal 42 meter moet bedragen. Ten aanzien van de onderhavige wachtplaats voor recreatievaart is over de benodigde afstand onder meer het volgende opgenomen:

“

Afstand wachtplaats recreatievaart

In paragraaf 4.1.3 is ingegaan op het vaarpad dat een beroepsvaartuig nodig heeft om te kunnen varen en om te manoeuvreren. Dit geldt deels hetzelfde voor recreatieve vaartuigen. Vanuit stilstand kan een (groot) binnenvaartschip door zijn gewicht en technische snufjes zoals een boegschroef in vergelijking met een recreatievaartuig makkelijker manoeuvreren. Een recreatief schip is lichter en niet altijd uitgevoerd met een boegschroef. Door hun vorm en bouw zijn recreatieve schepen veel meer windgevoelig en daardoor lastiger te manoeuvreren. Om een recreatief vaartuig goed slaags te doen raken voor het midden van de brug, vanaf een wachtplaats voor recreatieve schepen, heeft het 2x zijn eigen lengte en 2x zijn eigen breedte nodig om dat goed en tijdig te kunnen doen. In die ruimte mogen geen obstakels aanwezig zijn.

De berekening van de afstand tot de brug van een wachtplaats voor recreatievaartuigen wordt daardoor anders berekend dan die voor de beroepsvaart. Voor de beroepsvaart wordt gerekend vanaf de knik in het remmingswerk, het punt waarop het schip de rechtstand ingaat en dus uitgelijnd moet zijn. Voor recreatievaart wordt gerekend tot de aanvaarpaal. Met een recreatievaartuig wil je niet tegen een aanvaarpaal komen, want dan gaat het schip kapot. Dit verschilt met een beroepsvaartuig, waarvoor de aanvaarpaal juist de functie heeft om – in het geval van verkeerd uitlijnen – het schip als het ware terug te duwen naar de juiste route. Daarom wordt voor beroepsvaart gerekend tot de knik van het remmingswerk, terwijl voor een recreatief vaartuig geldt dat deze niet tegen de aanvaarpaal aan mag kunnen komen. De obstakelvrijezone wordt berekend vanaf het vertrekpunt vanaf de wachtplaats.

Gerekend met de gehanteerde maat van 12x4meter komt dit uit op een lengte op minimaal 24 meter en een breedte van 8meter, die vrij moet zijn van obstakels om te kunnen manoeuvreren. Dit is zeker nodig omdat een schip met deze afmetingen zonder schroef ook bij windkracht 6 zou moeten kunnen varen. Er is immers bediening van de brug tot windkracht 7. Hoe harder het waait des te meer moeite een schip heeft om zijwaarts te bewegen, welke beweging nodig is om vanuit de stuurboordzijde door de trechter onder de brug door te varen. Daarbij komt de stroming en golfslag die ontstaat bij een wind harder dan een windkracht van 4bf. Dit betekent dat een recreatief schip (uitgaande van een maatgevend schip van 12 meter) vanaf een wachtplaats een vaarpad nodig heeft van 24 meter lengte x 8 meter breedte. Daar komt bij dat er ook nog steeds recreatieve schepen zijn met een lengte tot 20 meter, die ook gebruik moeten maken van de wachtplaats. Daarom is 24 meter de minimale afstand.

Op welke lengte afstand moet een wachtplaats voor recreatievaart komen bij de Broekvelderbrug?

Het bestaande remmings- en geleidewerk van de Broekvelderbrug vormt het eerst obstakel waar omheen gevaren moet worden om goed slaags te raken, zodat er door de brugopening heen gevaren kan worden. De dubbele aanvaarpaal is onderdeel van het remming- en geleide werk, en vormt daarmee het startpunt vanaf waar gerekend moet worden. Dit betekent dat er een obstakelvrije zone benodigd is van 24x8 meter vanaf de aanvaarpaal. Dit ter voorkoming van een aanvaring met de brug. De obstakelvrije ruimte is in afbeelding 11 weergegeven met een rood vlak.

Uit afbeelding 11 volgt dat gelet op het remmingswerk inclusief de aanvaarpaal, en de daarbij behorende obstakelvrije zone in het rood, een wachtplaats voor kleine schepen (groene lijn) alleen veilig kan worden ingepast buiten het rode gedeelte. Deze is slechts enkele meters dichter op de brug gelegen ten opzichte van de locatie waar de wachtplaats voor grote schepen (blauwe lijn) gelegen zou moeten zijn.

Aanbeveling 4

De wachtplaats voor kleine schepen dient minimaal tussen de 8 en de 11 meter uit het midden van de vaarweg te liggen, zodat grote schepen kunnen passeren terwijl de wachtplaats in gebruik is. Door de locatie van het remmings- en geleidewerk inclusief de aanvaarpaal moet de wachtplaats op minimaal 24 meter van de aanvaarpaal komen, zodat beroepsvaart en recreatievaart beide goed en tijdig slaags kunnen raken voor de brug. Afbeelding 12 laat zien welke ruimte nodig is voor grote en kleine schepen om goed slaags te raken. Het rode vak is de obstakelvrije zone, de blauwe lijn de wachtplaats beroepsvaart, en het licht blauwe vlak een beroepsvaartuig. De groene lijn is de wachtplaats recreatievaart en het lichtgroene vlak een recreatieve vaartuig. Op 24 meter van de aanvaarpaal, betekent op minimaal 39 meter vanaf de knik in het remmingswerk. Met capaciteit voor minimaal 2 maatgevende recreatievaartuigen.

(…)

6. Conclusie: recreatiewachtplaats op 42m

Gelet op de lokale situatie en de regels zoals die volgen uit de RVW en het BPR, ligt een combinatiewachtplaats aan de noordzijde (stuurboordzijde), waarbij de eerste paal van de wachtplaats op 42 meter vanaf de knik van het remmingswerk ligt, het meeste voor de hand. Dit is geheel in overeenstemming met de regels uit de RVW. Echter, gelet op de bezwaren van de omgeving en het beperkte gebruik van grote schepen (beroepsvaart) van deze brug, is in samenspraak met de omgeving gekozen om de nieuwe wachtplaats te beperken tot gebruik door kleine schepen (recreatievaart), op dezelfde plek als de beoogde combiwachtplaats, op 42 meter. Op die manier wordt er ook rekening gehouden met recreatieve vaartuigen die groter zijn (tot 20 meter) en dus

meer dan 24 meter nodig hebben om slaags te raken.”

In het rapport van [naam 2] is over de benodigde lengte van de wachtplaats onder meer het volgende opgenomen (de noten en afbeeldingen zijn weggelaten):

“4.2.2 Functie wachtplaats recreatievaart en maatgevende vaartuig

De wachtplaats voor recreatievaart is bedoeld voor schepen kleiner dan 20 meter. In tegenstelling tot grote schepen zijn lang niet alle kleine schepen uitgevoerd met een boeg- of hekschroef. Dit maakt manoeuvres met een recreatief vaartuig moeilijker, waardoor het van belang is dat deze schepen voldoende afstand tot de brug hebben om ook in verschillende weersomstandigheden goed slaags te raken.

De Oude Rijn is een ontsluitingswater. Dat volgt uit de RVW en de Basisvisie Recreatietoervaart Nederland (BRTN).

(…)

De BRTN is een landelijk netwerk dat een beleidsvisie geeft voor vaarwegen, gericht op het behoud en beheer van recreatieve vaarroutes voor motorboten en zeiljachten. Het classificeert vaarwegen op basis van doorvaarthoogte en diepgang (categorieën A t/m D) om een samenhangend netwerk te garanderen. Uit de BRTN volgt dat de Oude Rijn van Alphen aan den Rijn tot centrum Woerden een zogenaamd B-water (ontsluitingswater) is, dat bedoeld is voor Zeil en/ of Motorboten (BZM) van 15 meter lang.

(…)

Uit de RVW volgt onderstaande tabel, waaruit is af te leiden dat een maatgevend klein schip op een ontsluitingswater de volgende afmetingen heeft: 15x4,5x1,9 met een masthoogte van 30 meter.

(…)

De Provincie kiest er echter voor om daarvan af te wijken, waarbij wordt benadrukt dat er geen afbreuk wordt gedaan aan de scheepsverkeersveiligheid. Dit omdat uit de ervaring van de nautische deskundigen van de provincie volgt dat de meest gangbare maat van een recreatievaartschip op de Oude Rijn is de (welbekende) sloep met de maten 10,5x3,5x2,6m (lxbxh). Ook al is de sloep de meest voorkomende, deze is slechts de helft van de lengte ten opzichte van de maximale 20 meter waarvoor deze wachtplaats geschikt zou moeten zijn. Bovendien blijkt uit de RVW en de BRTN dat een kajuitjacht (12x4x2,7 meter) ook veel voor komt op de Oude Rijn. Daarom wordt niet gerekend met de meest gangbare maat van de sloep, maar met die van een klein kajuitjacht, met de maten 12x4x2,7meter (lxbxh).

Capaciteit wachtplaats recreatievaart

De lokale verkeersintensiteit is bepalend voor de lengte of grootte van de wachtplaats. Gelet op de in grafiek 1 op pagina 10 weergegeven openingen en gebruiksintensiteit is voor recreatievaart de minimale benodigde capaciteit 2x het maatgevende vaartuig. Er moet daarbij rekening worden gehouden met een veiligheidsafstand van minimaal 1,5 meter tussenruimte. Een schip moet namelijk ook aan de voor- en achterzijde een lijn naar de wachtplaats kunnen maken onder een hoek van ca. 45 graden. Een schip kun je niet als een auto “parkeren” je moet hem ergens aan vast maken met een lijn aan de voor- en achterkant. Bij een gangbare breedte van een schip van 3 meter bij een lengte van 12 meter, moet de voor- en achterlijn op ca. 1,5 meter voor en achter het schip aan de wachtplaats worden gemaakt. Dan kom je uit op 1,5 m + 12 + 1,5 + 1,5 + 12 + 1,5 = 30 meter.”

4. Het geschil

[eisers] c.s. vorderen dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad,

I voor recht verklaart dat de provincie jegens [eisers] c.s. onrechtmatig heeft gehandeld;

II de provincie veroordeelt tot vergoeding aan [eisers] c.s. van de schade die zij als gevolg van dit onrechtmatige handelen hebben geleden en zullen lijden, nader op te maken bij staat;

III de provincie veroordeelt in de proceskosten.

Aan deze vorderingen leggen [eisers] c.s., samengevat, het volgende ten grondslag:

a. a) bij de ontwerpkeuze zijn de belangen van de verschillende omwonenden nooit volwaardig meegewogen en tegen elkaar afgezet;

b) in de verdere besluitvorming zijn de verschillende belangen van omwonenden waaronder [eisers] c.s. niet volwaardig betrokken. Zo is niet op een kenbare wijze rekening gehouden met het feit dat aan de zuidzijde geen insteekhavens of zijsloten worden belemmerd, integendeel, de provincie is ten onrechte uitgegaan van de veronderstelling dat de zijsloot langs het perceel van [eisers] c.s. niet als aanlegplaats gebruikt mag worden;

c) er is geen rekening gehouden met de omstandigheid dat aan de zuidzijde al een wachtplaats aanwezig is en de wachtplaats niet langs particuliere tuinen, maar langs een openbare weg, is gelegen;

d) evenmin is rekening gehouden met de eventuele waardevermindering van de woningen. Dat [eisers] c.s. mogelijk aanspraak heeft op nadeelcompensatie betekent niet dat de schade die door de beslissing wordt veroorzaakt niet meegewogen moet worden;

e) de vaststelling van de provincie is steeds enkel geweest dat elke variant wel stuit op bezwaren van omwonenden en dat om die reden is gekozen voor de variant die beweerdelijk (het meest) voldoet aan de Richtlijnen. Daarmee is gehandeld in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel;

f) het zonder nadere motivering blijven hanteren van de voor de combiwachtplaats (beweerdelijk) noodzakelijke minimale afstand tot de brug en het ten onrechte onderbouwen van die afstand met het standpunt dat afstand tot de aanvaarpaal moet worden aangehouden, maakt dat de besluitvorming ín strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel;

g) de ontwerpkeuze berust op een onjuiste uitleg van de Richtlijnen en het Handboek, in het bijzonder ten aanzien van de afstand tot de brug en de lengte van de wachtplaats. Er is ook geen rekening gehouden met de eis dat de wal achter de wachtplaats bereikbaar moet zijn voor de hulpdiensten;

h) uitgaande van de Richtlijnen en het Handboek en rekening houdend met de plaatselijke omstandigheden en de belangen van omwonenden had het in de rede gelegen om te kiezen voor een combiwachtplaats of twee afzonderlijke wachtplaatsen aan de zuidzijde, waarbij in overeenstemming met de richtlijnen, de wachtplaats voor de recreatievaart dichter bij de brug wordt gesitueerd dan de wachtplaats voor de beroepsvaart;

i. i) de wachtplaats leidt tot onevenredige gevolgen voor [eisers] c.s.

Al met al is het besluit tot het uitgevoerde ontwerp in strijd met de Richtlijnen en het Handboek. Daarmee is de beslissing in strijd met de ten aanzien van deze publiekrechtelijke taak vastgestelde beleidsregels, althans ondeugdelijk gemotiveerd, en daarmee onrechtmatig. De schade van [eisers] c.s. bestaat in ieder geval uit de waardevermindering van hun perceel die het gevolg is van (het besluit tot) de realisatie van de wachtplaats.

De provincie concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eisers] c.s.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

5. De beoordeling

Ontvankelijkheid [eisers] c.s.

[eisers] c.s. komen in deze procedure op tegen het besluit tot het aanleggen van de wachtplaats en achten daarnaast de wachtplaats zoals deze is gerealiseerd onrechtmatig jegens hen. Niet in geschil is dat er tegen dit besluit geen rechtsgang bij de bestuursrechter heeft opengestaan. De aanleg van de wachtplaats betreft een feitelijke handeling waartegen evenmin een andere rechtsgang dan die bij de burgerlijke rechter heeft opengestaan. Dit brengt mee dat [eisers] c.s. in deze procedure ontvankelijk zijn in hun vordering.

Beoordelingskader

Bij de vraag of de provincie onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eisers] c.s. stelt de rechtbank het volgende voorop. In dit geval gaat het om de toetsing van het handelen van de provincie als beheerder van een vaarweg, waarbij de provincie verantwoordelijk is voor het veilig en doelmatig gebruik van deze vaarweg ter vervulling van maatschappelijke functies, waaronder de beroepsvaart en recreatievaart. Bij de uitoefening van deze publieke taak heeft de provincie beleids- en beoordelingsruimte, waarbij de provincie wel de algemene beginselen van behoorlijke bestuur in acht moet nemen. Voor zover de provincie haar beleids- en beoordelingsruimte heeft gebruikt om beleidsregels vast te stellen of zich heeft gecommitteerd aan beleidsregels van andere overheidsorganen, zoals in de dit geval de Richtlijnen en het Handboek, moet de provincie in beginsel overeenkomstig die beleidsregels handelen. De rechtbank zal beoordelen of de provincie in redelijkheid tot het besluit en de aanleg van de wachtplaats heeft kunnen komen.

Noodzaak wachtplaats

[eisers] c.s. hebben niet bestreden dat er op grond van de Richtlijnen en het Handboek bij beweegbare bruggen, zoals in dit geval de Broekvelderbrug, een wachtplaats moet zijn. Dat er een wachtplaats is aangelegd is dan ook op zichzelf niet onrechtmatig.

Onzorgvuldige voorbereiding?

[eisers] c.s. verwijt de provincie onder meer dat de in aanmerking te nemen belangen onvoldoende zijn geïnventariseerd en tegen elkaar zijn afgewogen. Volgens [eisers] c.s. had de provincie een matrix moeten opstellen van de in aanmerking te nemen belangen van onder meer de bewoners van de zuid- en noordzijde van de Oude Rijn.

Aan [eisers] c.s. kan worden toegegeven dat de provincie bij de aanvang van het project steken heeft laten vallen. Zij heeft aanvankelijk niet (kenbaar) de betrokken belangen (van omwonenden) geïnventariseerd (zoals art. 3.2 Algemene wet bestuursrecht (Awb) verlangt) maar direct een locatie- en ontwerpkeuze gemaakt voor een combiwachtplaats en aangekondigd tot aanleg van de wachtplaats over te gaan. Nadat die eerste locatie- en ontwerpkeuze op verzet van omwonenden stuitte, heeft de provincie de geplande aanleg gestaakt en heeft de omwonenden alsnog gelegenheid tot inspraak gegeven. Zij heeft bewonersavonden georganiseerd en er is correspondentie gevoerd met omwonenden, waaronder [eisers] c.s. De Provincie heeft aldus in voldoende mate de bij de aanleg van de wachtplaats betrokken belangen geïnventariseerd. Hiervoor is, anders dan [eisers] c.s. menen, een matrix niet vereist.

Onzorgvuldige belangenafweging?

Vast staat dat de provincie in de loop van de tijd - mede naar aanleiding van de reacties van omwonenden - diverse ontwerpen heeft gemaakt voor de wachtplaats en verschillende locaties heeft overwogen. Zij heeft zich hierbij, zoals onder de feiten is opgenomen, laten adviseren door RHDHV. [eisers] c.s. menen dat de provincie de betrokkenen belangen niet zorgvuldig heeft afgewogen en zich niet heeft gehouden aan de Richtlijnen en het Handboek. Hun argumenten worden hierna besproken.

Locatie van de wachtplaats

[eisers] c.s. stellen zich op het standpunt dat de provincie ten aanzien van de locatiekeuze een onzorgvuldige afweging heeft gemaakt. Hierover wordt het volgende overwogen.

De provincie heeft er aanvankelijk voor gekozen om de wachtplaats aan de noordzijde van de Oude Rijn te situeren. Bij de bewonersavond van 6 februari 2020 bleek dat volgens de aanwezigen de meeste boten langs de zuidelijke oever varen en dat bewoners aan de noordzijde het niet prettig vonden dat boten voor hun huis stilliggen en in huis kunnen kijken. Er leek onder de aanwezigen bij de bewonersavond consensus te bestaan over een wachtplaats aan de zuidzijde. De provincie heeft deze mogelijke locatie verder onderzocht. Zoals de provincie onweersproken heeft aangevoerd, bleek vervolgens dat omwonenden aan de zuidzijde soortgelijke (privacy)bezwaren hadden als [eisers] c.s. en andere bewoners aan de noordzijde. In dat licht acht de rechtbank het begrijpelijk en redelijk dat de provincie vervolgens heeft teruggegrepen op haar beleidsregels, namelijk de Richtlijnen en het Handboek. Volgens paragraaf 5.9.6 van de Richtlijnen ligt de wachtplaats in principe aan stuurboordzijde van het vaarwater (in dit geval de noordzijde), maar als dit vaak de onbeschutte lagerwal is of het beweegbare brugdeel aan de bakboordszijde ligt, ligt de wachtplaats aan bakboord. Volgens [eisers] c.s. is in dit geval de noordzijde vaak de onbeschutte lagerwal. De provincie heeft dat betwist, onder verwijzing naar het rapport van [naam 2] , waarin onder meer is opgenomen: “De stuurboordzijde is niet de onbeschutte of lagerwal zijde. Daarmee geniet het de voorkeur om de wachtplaatsen aan stuurboord zijde te realiseren.” [eisers] c.s. heeft dit niet gemotiveerd bestreden. Dit betekent dat volgens de Richtlijnen de wachtplaats in beginsel aan de noordzijde moet worden gelegd. In zoverre is de provincie dan ook, anders dan [eisers] c.s. menen, niet afgeweken van haar beleidsregels.

Watergang

Voor zover [eisers] c.s. betogen dat de provincie onvoldoende rekening heeft gehouden met de watergang tussen het perceel van [eisers] c.s. en hun buren – wat [eisers] c.s. ter zitting als grootste pijnpunt heeft aangemerkt - wordt het volgende overwogen. Volgens [eisers] c.s. is door het aanleggen van de wachtplaats de watergang niet meer goed bruikbaar als insteekhaven. Zij willen daar in de toekomst een skiff van tien meter lengte in leggen. Dat past echter niet, omdat er onvoldoende ruimte is tussen de oever en de wachtplaats voor een boot langer dan acht meter.

Uit de door de provincie met [eisers] c.s. gevoerde correspondentie komt naar voren dat de provincie op de hoogte was van de watergang (zie bijvoorbeeld de brief van 25 augustus 2020) en dat de belangen van [eisers] c.s. ten aanzien van (de bereikbaarheid van) de watergang en/of het gebruik als insteekhaven zijn meegewogen. De provincie heeft immers, om hen tegemoet te komen, de afstand van de wachtplaats tot de oever vergroot van zes naar acht meter, zodat [eisers] c.s. met een volgens de provincie gangbare sloep van acht meter de insteekhaven in en uit kunnen varen. Hierdoor is de wachtplaats dichter bij de vaarroute komen te liggen. Zoals de provincie tijdens de mondelinge behandeling verder heeft aangevoerd, is in de gemaakte afweging over de locatie van de wachtplaats aan het algemeen belang van de veilige en vlotte doorvaart meer gewicht toegekend dan het belang van [eisers] c.s. De rechtbank maakt hieruit op dat, als de wachtplaats verder dan acht meter uit de oever zou liggen, deze te dichtbij de vaarroute zou komen te liggen. Voor zover [eisers] c.s. nog hebben aangevoerd dat de provincie zich in de gevoerde correspondentie ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het gebruik van de watergang als insteekhaven vergunningsplichtig is, heeft de provincie dat niet weersproken, maar dit is niet beslissend. De provincie heeft het belang van [eisers] c.s. bij (de bereikbaarheid van) de watergang meegewogen en heeft naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid kunnen komen tot de gemaakte keuze voor de afstand tot de oever.

Afstand tot het remmingswerk

[eisers] c.s. stellen zich verder op het standpunt dat de wachtplaats, anders dan in de Richtlijnen is voorgeschreven, niet zo dicht mogelijk bij de Broekvelderbrug is aangelegd. Ter onderbouwing van deze stelling hebben [eisers] c.s. het tweede rapport van [naam 1] overgelegd. De provincie heeft op dit punt gewezen op het rapport van [naam 2] .

In de Richtlijnen is niet nader bepaald wat “zo dicht mogelijk bij de brug” concreet inhoudt. Dit hangt dus af van de omstandigheden van het geval. Niet in geschil hierbij is dat de vlotte en veilige afwikkeling van scheepvaart voorop staat.

Volgens [naam 1] had de wachtplaats voor recreatievaartuigen zeventien meter dichterbij de brug gelegd kunnen worden, in welk geval de wachtplaats niet meer achter het perceel van [eisers] c.s. zou hebben gelegen. [naam 1] is er hierbij van uitgegaan dat een gemiddeld kajuitjacht van twaalf meter lengte binnen één scheepslengte “slaags” kan raken, dat wil zeggen opgelijnd om de brug veilig te passeren. [naam 2] heeft in zijn rapport geconcludeerd dat de wachtplaats op een afstand van 24 meter tot de aanvaarpaal, dus 39 meter van de knik in het remmingwerk (drie meter dichterbij de brug) had kunnen liggen.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de provincie met het rapport van [naam 2] voldoende gemotiveerd waarom de wachtplaats op een afstand van 27 meter tot de eerste aanvaarpaal is gelegd. Uit zijn rapport komt naar voren dat [naam 2] ook rekening heeft gehouden met schepen tot 20 meter (die nog steeds tot de kleinere schepen worden gerekend) en ook met andere omstandigheden zoals het ontbreken van een boeg- of hekschroef bij kleinere schepen (hetgeen manoeuvreren lastiger kan maken), stroming en windrichting die het tijdig slaags raken kunnen beïnvloeden. Gelet op de aan de provincie (binnen de kader van de Richtlijnen) toekomende beleidsvrijheid, heeft de provincie in redelijkheid kunnen komen tot de gekozen afstand tot de eerste aanvaarpaal. Het andersluidende standpunt van [naam 1] en de door hem gehanteerde argumenten, doen aan het voorgaande niet af. Dit een en ander leidt tot het oordeel dat de provincie ten aanzien van de afstand tot de brug niet in strijd heeft gehandeld met de Richtlijnen.

Aanvaarpaal verwijderen?

[eisers] c.s. hebben tijdens de mondelinge behandeling voor het eerst naar voren gebracht dat de aanvaarpaal verwijderd had kunnen worden. Voorts hebben zij erop gewezen dat de wachtplaats op acht meter van de oever is aangelegd (meer naar het midden van de vaarweg dan eerder voorzien) waardoor de obstakelvrije zone kan worden verschoven en de wachtplaats dichter bij de brug had kunnen liggen. De provincie heeft betwist dat de aanvaardpaal kan worden verwijderd.

De rechtbank is van oordeel dat de provincie niet gehouden is de aanvaarpaal te verwijderen, omdat deze behoort tot de inrichting van de brug en dient ter geleiding van de schepen. Dat is de situatie waarvan de provincie bij de gemaakte afwegingen mocht uitgaan. Dat provincie is [eisers] c.s. in een laat stadium tegemoet gekomen door de wachtplaats op acht meter afstand van de oever (in plaats van zes meter afstand) te situeren. Aan [eisers] c.s. kan worden toegegeven dat deze keuze ook gevolgen heeft voor de positionering van de obstakelvrije zone en de wachtplaats in deze nieuwe situatie wellicht iets dichter bij de brug had kunnen liggen. Gegeven de hiervoor genoemde beleidsvrijheid die de provincie binnen de kader van de Richtlijnen heeft – die niet op de meter nauwkeurig omschrijven waar de wachtplaats precies moet worden gepositioneerd – kan niet worden gezegd dat de provincie er niet in redelijkheid voor heeft kunnen kiezen in het belang van [eisers] c.s. de wachtplaats twee meter verder van de oever te situeren, zonder de afstand tot de brug te verkorten.

Lengte van de wachtplaats

[eisers] c.s. stellen zich verder op het standpunt dat volstaan had kunnen worden met een kortere wachtplaats. Volgens [eisers] c.s. is de provincie uitgegaan van twee maatgevende schepen, één van 20 meter en éen van twaalf meter, terwijl de Richtlijnen voor de recreatievaart uitgaan van een maatgevende lengte van maximaal vijftien meter en de gangbare recreatievaartuigen nog korter zijn.

Volgens de provincie is de in de Richtlijnen genoemde maat van vijftien meter een minimale maat, en geen maximale. Een wachtplaats voor recreatievaart moet immers geschikt zijn voor vaartuigen met een lengte tot 20 meter. Ook moet een wachtplaats ruimte kunnen bieden aan meerdere vaartuigen, zeker in het geval van een calamiteit of storing van de brugbediening. Uit het rapport van [naam 2] volgt dat gemotiveerd is afgeweken van de minimale maat van vijftien meter. De intensiteit van de scheepvaartbewegingen en benodigde brugopeningen maken dat er minimaal twee schepen van twaalf meter moeten kunnen afmeren aan de wachtplaats, met voldoende tussenruimte per schip voor lijnen aan voor- en achterzijde, wat neerkomt op 30 meter. Aan de belangen van [eisers] c.s. is al zoveel mogelijk tegemoet gekomen door de wachtplaats in te perken tot 29,3 meter, aldus nog steeds de provincie.

De rechtbank is van oordeel dat de provincie hiermee en met de onder 3.39 weergegeven passage uit het rapport [naam 2] voldoende heeft gemotiveerd waarom zij tot de gekozen lengte van 29,3 meter van de wachtplaats is gekomen. [eisers] c.s. hebben onvoldoende onderbouwd dat de Richtlijnen en/of het Handboek tot een andere keuze dwingen.

Bereikbaarheid hulpdiensten

Voor zover [eisers] c.s. zich op het standpunt stellen dat de provincie geen rekening heeft gehouden met de eis in het Handboek dat de wal achter de wachtplaats bereikbaar moet zijn voor de hulpdiensten, worden zij hierin niet gevolgd. Zoals de provincie onweersproken heeft aangevoerd, is de wal achter de wachtplaats bereikbaar via de tuin van [eisers] c.s. en de tuin van de eigenaar van [adres 2] .

Onevenredige gevolgen?

Ten slotte is nog aan de orde de stelling van [eisers] c.s. dat de gevolgen van de wachtplaats voor hen onevenredig zijn in verhouding tot de met de wachtplaats te dienen doelen (vgl. artikel 3.4 lid 2 Awb). [eisers] c.s. hebben erop gewezen dat i) hun perceel in waarde is verminderd, ii) zwemmen nabij de wachtplaats niet mogelijk is, iii) hun privacy wordt aangetast, iv) dat het uitzicht op de Oude Rijn is verminderd en v) het gebruik van de watergang als insteekhaven is beperkt.

De rechtbank is van oordeel dat [eisers] c.s. onvoldoende hebben onderbouwd dat zij onevenredig worden getroffen door de (positionering van de) wachtplaats. [eisers] c.s. hebben geen enkele indicatie gegeven van de waardevermindering van hun perceel. De rechtbank heeft geen reden om aan te nemen dat die waardevermindering zodanig is dat de provincie van aanleg van de wachtplaats op de huidige locatie had moeten afzien. Bovendien staat voor die waardevermindering de weg van nadeelcompensatie open, waarvan [eisers] c.s. vooralsnog geen gebruik hebben willen maken. De omstandigheid dat niet nabij de wachtplaats gezwommen mag worden legt op zichzelf niet veel gewicht in de schaal, te minder nu zwemmen voordien ook maar beperkt mogelijk was vanwege het vaarverkeer op de Oude Rijn en wachtende vaartuigen voor de brug. Het uitzicht van [eisers] c.s. op de Oude Rijn is door de wachtplaats niet geblokkeerd, maar enigszins verminderd, omdat de wachtplaats maar voor een beperkt gedeelte van circa zes meter achter het perceel van [eisers] c.s. ligt. Dat de privacy van [eisers] c.s. in overwegende mate wordt aangetast is ook niet gebleken, te minder nu [eisers] c.s. tijdens de mondelinge behandeling hebben verklaard dat de meeste vaartuigen niet aan de wachtplaats aanleggen, maar op het water wachten om de brug te kunnen passeren. De omstandigheid dat de watergang niet meer voor schepen langer dan acht meter lengte kan worden gebruikt acht de rechtbank evenmin van zodanig gewicht dat kan worden gezegd dat [eisers] c.s. onevenredig worden getroffen. Ook als voornoemde omstandigheden in samenhang worden gezien, leidt dat niet tot het oordeel dat [eisers] c.s. onevenredig worden getroffen door (de positionering) van de wachtplaats.

Slotsom

Het voorgaande leidt de rechtbank tot de slotsom dat de totstandkoming en de inhoud van het besluit tot de aanleg van de wachtplaats alsmede de realisatie ervan niet onrechtmatig zijn jegens [eisers] c.s. Hun vordering zal dan ook worden afgewezen.

Proceskosten

[eisers] c.s. zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de provincie worden begroot op:

- griffierecht

€

714

- salaris advocaat

€

1.306

(2 punten × € 653)

- nakosten

€

189

(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

€

2.209

De over deze proceskosten gevorderde wettelijke rente zal worden toegewezen.

6. De beslissing

De rechtbank:

wijst de vorderingen van [eisers] c.s. af,

veroordeelt [eisers] c.s. hoofdelijk in de proceskosten, tot op heden begroot op € 2.209, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe; wordt bij niet betaling het vonnis daarna betekend, dan moeten [eisers] c.s. € 98 extra betalen, plus de kosten van betekening, te vermeerderen met de wettelijke rente over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;

verklaart de veroordeling onder 6.2 uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.M. Boogers en in het openbaar uitgesproken op 9 september 2026.

type:1554

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand