[verzoekster], uit [woonplaats], verzoekster
(gemachtigde: mr. G.A. Verhoeven),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Delft, verweerder
(gemachtigde: mr. E. Rippens).
Samenvatting
1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de afwijzing van de aanvraag van verzoekster om een urgentieverklaring.
Met het primaire besluit van 19 november 2025 heeft verweerder de aanvraag van verzoekster om een urgentieverklaring afgewezen. Met het bestreden besluit van 5 maart 2026 heeft verweerder het bezwaar van verzoekster tegen het primaire besluit ongegrond verklaard en is hij, onder wijziging van de motivering, bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Verzoekster heeft hiertegen beroep ingesteld en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
Verweerder heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 11 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster, haar gemachtigde en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Waar gaat deze zaak over?
2. Verzoekster huurt sinds 4 juli 2019 de woning aan de [adres] te [plaats 1] (hierna: de woning). Zij heeft samen met haar ex-partner een minderjarige zoon, die sinds 30 december 2024 uit huis is geplaatst en momenteel woont bij een pleeggezin in [plaats 2]. In de weekenden verblijft hij afwisselend bij verzoekster, zijn vader en het pleeggezin. Op 23 september 2025 heeft verzoekster bij verweerder een aanvraag ingediend voor een urgentieverklaring met als urgentiecategorie ‘Sociale- of medische omstandigheden’. Hierin geeft zij aan dat de kinderrechter binnenkort zal beslissen over de vraag of haar kind teruggeplaatst kan worden naar één van de ouders, maar dat haar huidige woning hiervoor ongeschikt is omdat deze slechts over één slaapkamer beschikt en haar kind zich daardoor bij eventuele spanningen niet kan terugtrekken. Zij verzoekt dan ook om een woning met een extra slaapkamer en bij voorkeur in de omgeving van de middelbare school waar haar kind staat ingeschreven.
Wat heeft verweerder besloten?
3. Met het primaire besluit heeft verweerder de aanvraag van verzoekster afgewezen omdat sprake is van meerdere weigeringsgronden. Met het bestreden besluit heeft verweerder de motivering van de afwijzing aangepast en overwogen dat de betreffende weigeringsgronden niet meer aan verzoekster worden tegengeworpen, maar dat zij niet valt onder de urgentiecategorie ‘Sociale- of medische omstandigheden’ op grond waarvan zij haar aanvraag heeft ingediend. Zo is het vooralsnog onduidelijk of het kind van verzoekster naar haar zal worden teruggeplaatst, waardoor niet kan worden vastgesteld dat hij onderdeel uitmaakt van het huishouden van verzoekster. Verder volgt uit de door verzoekster ingebrachte stukken niet dat in het geval van een terugplaatsing van haar kind een extra slaapkamer noodzakelijk is. Ook voor de toepassing van de hardheidsclausule bestaat volgens verweerder geen aanleiding omdat verzoekster zich met haar situatie onvoldoende onderscheidt van de situatie van andere woningzoekenden.
Wat vindt verzoekster?
4. Verzoekster heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
Zij geeft aan dat haar situatie wel degelijk valt onder de urgentiecategorie ‘Sociale- of medische omstandigheden’. Haar kind kampt met ernstige en geestelijke problematiek en heeft daarom behoefte aan een eigen ruimte waar hij zich kan terugtrekken. De gecertificeerde instelling Jeugdbescherming West spreekt zelfs over een noodzaak in dit verband. Nu de huidige woning van verzoekster maar één slaapkamer heeft, kan een terugplaatsing bij zijn moeder niet op een passende en veilige manier plaatsvinden. Daarbij behoort de kind van verzoekster, anders dan verweerder heeft gesteld, wel degelijk tot het huishouden van verzoekster. Volgens de definitiebepalingen in de Huisvestingsverordening gaat het er namelijk om of de betreffende personen een duurzaam gemeenschappelijke huishouden willen vormen. Dat is hier het geval. Dat het kind van verzoekster feitelijk gezien het grootste deel van de tijd verblijft bij het pleeggezin in [plaats 2], is hierbij niet relevant.
Mocht de voorzieningenrechter desondanks van oordeel zijn dat verweerder verzoekster terecht heeft tegengeworpen dat haar situatie niet onder de urgentiecategorie ‘Sociale- of medische omstandigheden’ valt, dan betoogt zij dat verweerder aanleiding had moeten zien om toepassing te geven aan de hardheidsclausule. Gelet op de hiervoor al genoemde omstandigheden is sprake van een uitzonderlijke en schrijnende situatie, waarbij de belangen van het minderjarige kind van verzoekster zwaarder wegen dan de belangen van verweerder.
Mocht verzoekster op bovenstaande punt(en) gelijk krijgen, dan verzoekt zij de voorzieningenrechter om verweerder op te dragen een zoekprofiel vast te stellen dat rekening houdt met de sociale omgeving van het kind van verzoekster.
Wat is het oordeel van de voorzieningenrechter?
5. Op de zitting heeft verweerder aangegeven dat het punt over het voeren van een duurzaam gemeenschappelijk huishouden per abuis in het bestreden besluit is opgenomen en thans niet meer aan verzoekster wordt tegengeworpen. In plaats daarvan had in het bestreden besluit moeten staan dat vooralsnog onduidelijk is of het kind van verzoekster bij haar zal worden teruggeplaatst en op basis van een dergelijke onzekere toekomstige situatie geen urgentieverklaring wordt afgegeven. De voorzieningenrechter zal hier in het vervolg van de uitspraak rekening mee houden en laat de beroepsgronden van verzoekster over het punt van het duurzaam gemeenschappelijk huishouden daarom verder onbesproken.
Spoedeisend belang
6. Een voorlopige voorziening kan alleen worden getroffen als er een spoedeisend belang is, waardoor iemand niet kan wachten op een beslissing op zijn bezwaar- of beroepschrift. De voorzieningenrechter dient daarom eerst te kijken of er voldoende spoedeisend belang is, voordat de zaak inhoudelijk kan worden beoordeeld.
De voorzieningenrechter is het met verweerder eens dat uit de beschikbare stukken geenszins kan worden afgeleid dat het kind van verzoekster in de nabije toekomst bij haar zal worden teruggeplaatst. Zo volgt uit de meest recente uitspraak van de kinderrechter van 3 april 2026 dat er nog steeds zorgen zijn over het kind. De kinderrechter overwoog daartoe dat sinds de uithuisplaatsing nog steeds geen passende hulpverlening is ingezet voor zowel het kind als zijn ouders, waardoor hij bij een eventuele terugplaatsing in dezelfde opvoedsituatie zou terugkeren die destijds onvoldoende veilig en verantwoord werd bevonden. Duidelijk is dat de plaatsing in het huidige pleeggezin het meeste in het belang van het kind is, echter is deze plaatsing onder druk komen te staan door de verstoorde verstandhouding tussen alle betrokkenen. De kinderrechter zag daarom zelfs aanleiding om de Raad voor de Kinderbescherming om advies te vragen over een mogelijke beëindiging van het gezag van beide ouders over het kind. Op de volgende zitting van 16 juni 2026, wanneer de kinderrechter zal beslissen of de uithuisplaatsing van het kind van verzoekster wordt verlengd, wordt hierover meer bekend. De voorzieningenrechter leidt hieruit af dat een terugplaatsing van het kind bij beide ouders nog ver weg is en dat een extra slaapkamer of niet bij verzoekster hier geen doorslaggevende rol in speelt. Bovendien komt in de betreffende uitspraak naar voren dat het kind zelf het liefst wil worden teruggeplaatst bij zijn vader. Tegen de achtergrond van het voorgaande, maar ook gelet op het feit dat het kind in het kader van de door de kinderrechter vastgestelde omgangsregeling slechts beperkt bij verzoekster verblijft, ziet de voorzieningenrechter niet in waarom in dit geval sprake is van onverwijlde spoed die maakt dat verzoekster redelijkerwijs niet de beroepsprocedure inzake de aanvraag van een urgentieverklaring kan afwachten.
Ook als de voorzieningenrechter zou aannemen dat er wél concreet zicht bestaat op een terugplaatsing van het kind bij verzoekster, dan heeft zij onvoldoende aannemelijk gemaakt dat een extra slaapkamer hiervoor noodzakelijk is. Op de zitting is duidelijk geworden dat de woon- en slaapkamer in de huidige woning van verzoekster van elkaar gescheiden ruimtes zijn, waarbij het zicht op de slaapkamer vanuit de woonkamer en vice versa nog verder kan worden weggenomen door in de deuropening een gordijn op te hangen. Het moet voor verzoekster dan ook redelijkerwijs mogelijk zijn om de woning zodanig in te richten dat haar kind de mogelijkheid heeft om zich terug te trekken als hij die behoefte voelt. Zij kan de door haar gestelde spoedeisendheid in dit verband op die manier zelf wegnemen. Hoewel misschien geen ideale situatie, overweegt de voorzieningenrechter dat een urgentieverklaring geldt als laatste redmiddel waarbij woonwensen geen rol spelen.
Het bovenstaande in onderling verband bezien is de voorzieningenrechter van oordeel dat het spoedeisende belang in deze zaak ontbreekt.
Evident onrechtmatig
7. Omdat er geen sprake is van een spoedeisend belang bij het verzoek, kan de door verzoekster gevraagde voorziening alleen nog worden getroffen als het besluit van verweerder ‘evident onrechtmatig’ is. Met evident onrechtmatig wordt bedoeld dat zonder diepgaand onderzoek naar de relevante feiten en/of het recht zeer ernstig moet worden betwijfeld of het door verweerder ingenomen standpunt juist is en of het besluit in de bezwaarprocedure in stand zal blijven. Daarvan is naar het oordeel van de voorzieningenrechter echter geen sprake. Voor de motivering hiervan verwijst de voorzieningenrechter naar voorgaande rechtsoverwegingen, waaruit eveneens volgt dat de aanvraag van verzoekster niet valt onder de urgentiecategorie ‘Sociale- of medische omstandigheden’ en zij los daarvan haar woonprobleem dus zelf kan oplossen door een andere kamerindeling te hanteren. Daarbij is de situatie van verzoekster niet zodanig bijzonder dat verweerder toepassing had moeten geven aan de hardheidsclausule en verzoekster in afwijking van zijn beleid een urgentieverklaring had moeten verstrekken.
Conclusie en gevolgen
8. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.I.H. Kerstens-Fockens, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. R.J.P. Lindhout, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 25 juni 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: