[verzoekster], uit [woonplaats], verzoekster
(gemachtigde: mr. H. Nummerdor-Buijs),
en
de minister van Defensie, verweerder
(gemachtigde: mr. J.E. Kruyt).
Samenvatting
1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over het besluit van 29 april 2026 waarmee verweerder aan verzoekster heeft medegedeeld dat de functie ‘[functienaam 1]’ niet aan haar wordt toegewezen. Zij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of zij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt zij aan de hand van de gronden van verzoekster.
Verweerder heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 28 mei 2026 gelijktijdig, maar niet samengevoegd, met de zaak met kenmerk SGR 26/2832 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster, haar gemachtigde en de gemachtigde van verweerder vergezeld door kolonel [naam].
Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat deze zaak over?
2. Verzoekster is vanaf 2001 werkzaam bij het burgerpersoneel van Defensie en heeft sindsdien verschillende functies vervuld die raken aan de facilitaire dienstverlening. Haar laatste functie van ‘[functienaam 2]’ heeft zij van 1 augustus 2023 tot 1 augustus 2025 vervuld. Met de brief van 30 juni 2025 is verzoekster door Defensie met ingang van 1 augustus 2025 aangewezen als herplaatsingskandidaat vanwege het vervallen van haar functie en het niet tijdig kunnen toewijzen van een andere functie. Gedurende het herplaatsingstraject van 18 maanden spant Defensie zich in om verzoekster zo goed mogelijk te begeleiden bij het vinden van een nieuwe functie, eerst intern en zo nodig extern. Van verzoekster zelf wordt ook een actieve opstelling verwacht. In dat kader heeft zij op 31 maart 2026 belangstelling getoond voor de vacature van ‘[functienaam 1]’ bij de afdeling ‘[afdeling]’. Met het bestreden besluit heeft verweerder verzoekster medegedeeld dat deze arbeidsplaats niet aan haar wordt toegewezen met als reden dat andere kandidaten op basis van een of meerdere selectiecriteria beter aansluiten op het functieprofiel.
In het verweerschrift heeft verweerder aangegeven dat het bestreden besluit verkeerd is gemotiveerd, nu de afwijzingsgrond had moeten zijn dat verzoekster niet aan de functie-eisen voldoet. De reden hiervoor is dat uit haar sollicitatiebrief en curriculum vitae onvoldoende naar voren kwam dat zij recente ervaring heeft met het aansturen en coachen van leidinggevenden in een hiërarchische lijn. Daarnaast kwam uit haar sollicitatiebrief naar voren dat haar wijze van leidinggeven onvoldoende aansluit bij de huidige behoefte op dit onderdeel bij de facilitaire dienst.
Wat vindt verzoekster?
3. Verzoekster heeft bezwaar gemaakt tegen het bestreden besluit en gelijktijdig de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening gevraagd. Hierin verzoekt zij de voorzieningenrechter om verweerder op te dragen de functie ‘[functienaam 3]’ alsnog aan haar toe te wijzen. Subsidiair vraagt zij de voorzieningenrechter om verweerder een resultaatverplichting op te leggen om haar op een andere passende functie te plaatsen. Meer subsidiair verzoekt zij de voorzieningenrechter om hetzelfde, maar dan in de vorm gegoten van een inspanningsverplichting.
In de kern betwist zij de stelling van verweerder dat zij niet voldoet aan de functie-eisen voor de functie ‘[functienaam 1]’, dan wel dat zij niet geschikt te maken is voor deze functie. Hoewel haar laatste leidinggevende functie van 2009 dateert, heeft zij mede door het opzetten van een vitaliteitsprogramma aangetoond dat zij beschikt over leidinggevende kwaliteiten. Daarbij blijkt nergens uit de functieomschrijving dat recente ervaring op het gebied van leidinggeven wordt vereist. Ook wordt nergens het vereiste van een proactieve stijl van leidinggeven genoemd. Bovendien laat de sollicitatiebrief van verzoekster voldoende ruimte om te veronderstellen dat ze deze bezit. Als verweerder daarover twijfels had, dan lag het in de rede om haar uit te nodigen voor een sollicitatiegesprek zodat zij hier het een en ander over had kunnen toelichten. Verweerder heeft dit echter nagelaten en daarmee onzorgvuldig gehandeld.
Wat is het oordeel van de voorzieningenrechter
Spoedeisend belang
4. Een procedure bij de voorzieningenrechter is een spoedprocedure. Deze procedure kan alleen worden gevoerd als er een spoedeisend belang is, waardoor iemand niet kan wachten op een beslissing op zijn bezwaar- of beroepschrift. Voordat de zaak inhoudelijk kan worden behandeld, moet eerst worden beoordeeld of er sprake is van een spoedeisend belang bij het treffen van de gevraagde voorlopige voorziening.
Vast staat dat de door verzoekster geambieerde functie inmiddels is vergeven. Met het besluit van 28 april 2026 heeft verweerder namelijk met ingang van 1 mei 2026 een andere kandidaat voor de functie aangesteld. Hoewel de voorzieningenrechter in het licht van deze ontwikkeling inziet dat het lastig, zo niet onmogelijk, is om te bewerkstelligen dat de al geplaatste kandidaat van deze functie wordt afgehaald, kan verzoekster wel degelijk rechtsherstel worden geboden als blijkt dat zij gelijk heeft in deze procedure. Via die weg kan zij zowel financieel als bij toekomstige sollicitaties in een positie worden gebracht als ware haar de geambieerde functie toegewezen. De voorzieningenrechter ziet evenwel niet in waarom verzoekster voor een oordeel hieromtrent niet kan wachten totdat verweerder op haar bezwaarschrift heeft beslist. Daarbij is van belang dat verweerder tijdens de zitting heeft aangegeven dat de al geplaatste externe kandidaat niet van de functie zal worden gehaald als verzoekster gelijk zou krijgen, maar dat dan mogelijk een dubbelfunctie zal worden gecreëerd. Het door verzoekster in dit verband aangevoerde argument dat het moeilijker wordt om de al geplaatste kandidaat van de functie te halen naarmate de tijd vordert, verliest daarmee zijn betekenis. Ook weegt de voorzieningenrechter mee dat verweerder de verwachting heeft uitgesproken dat de beslissing op bezwaar rond half juli en daarmee relatief snel zal volgen. Het voorgaande betekent dat een spoedeisend belang in deze procedure ontbreekt.
Evident onrechtmatig
5. Omdat er geen sprake is van een spoedeisend belang bij het verzoek, kan de door verzoekster gevraagde voorziening alleen nog worden getroffen als het besluit van verweerder ‘evident onrechtmatig’ is. Met evident onrechtmatig wordt bedoeld dat zonder diepgaand onderzoek naar de relevante feiten en/of het recht zeer ernstig moet worden betwijfeld of het door verweerder ingenomen standpunt juist is en of het besluit in de bezwaarprocedure in stand zal blijven.
Op de zitting heeft verweerder aangegeven dat het vereiste van recente ervaring op het gebied van leidinggeven weliswaar niet letterlijk in de functieomschrijving wordt genoemd, maar dat dit volgt uit de hierin beschreven werkzaamheden van ‘het leidinggeven aan één of meerdere Hoofden Ondersteuning en de Planner(s).’ Over de stijl van leiddinggeven van verzoekster heeft verweerder gesteld dat uit haar sollicitatiebrief bleek dat zij in plaats van de gewenste ‘hands-on-benadering’ meer op de hoofdlijnen acteert. Op de zitting heeft kolonel [naam] daaraan toegevoegd dat hij in het verleden heeft ervaren dat zij onvoldoende initiatief neemt. Deze elementen tezamen maken dat verweerder geen reden zag om verzoekster uit te nodigen voor een sollicitatiegesprek om een en ander nader toe te lichten.
In wat verzoekster heeft aangevoerd ziet de voorzieningenrechter op voorhand geen reden om te twijfelen aan de door verweerder op basis van het voorgaande ingenomen standpunt dat zij niet aan de functie-eisen voldoet. Net als verweerder vindt de voorzieningenrechter dat in de werkzaamheden van ‘het leidinggeven aan één of meerdere Hoofden Ondersteuning en de Planner(s)’ redelijkerwijs besloten ligt dat recente ervaring op het gebied van leiderschap is vereist. Het betoog van verzoekster dat de gewenste stijl van leidinggeven niet staat opgenomen in de functieomschrijving en daarom niet aan haar kon worden tegengeworpen, volgt de voorzieningenrechter evenmin. Een functieomschrijving biedt namelijk eerst en vooral een kader van de taken en verantwoordelijkheden die de functie met zich brengt, terwijl de stijl van leidinggeven meer ziet op de vraag hoe deze taken en verantwoordelijkheden worden vormgegeven. En hoewel het gelet op de ambiguïteit in haar sollicitatiebrief op dit punt wellicht voor de hand had gelegen om verzoekster uit te nodigen voor een sollicitatiegesprek om meer helderheid te verkrijgen over de stijl van leidinggeven die zij voorstaat, kan de voorzieningenrechter zich voorstellen dat verweerder op basis van ervaringen uit het verleden zich voldoende voorgelicht achtte op dit punt. Bovendien heeft verweerder op de zitting aangeboden om het door verzoekster aangedragen voorbeeld in dit verband uitgebreid de revue te laten passeren tijdens de hoorzitting in bezwaar. Mocht dat verweerder aanleiding geven om op andere gedachten te komen, dan kan dat dus worden hersteld in bezwaar. Van een evident onrechtmatig besluit op dit punt is naar het oordeel van de voorzieningenrechter echter geen sprake.
Conclusie en gevolgen
6. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Nu verweerder hangende deze procedure de motivering van het bestreden besluit heeft gewijzigd en verzoekster daarmee terecht een rechtsmiddel heeft ingesteld, komt zij wel in aanmerking voor de vergoeding van de door haar gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op een totaalbedrag van € 1.886,- (1 punt voor het indienen van een verzoekschrift en 1 punt voor het aanwezig zijn op de zitting, met een wegingsfactor van 0,5).
Beslissing
De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.886,- aan proceskosten aan verzoekster.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.I.H. Kerstens-Fockens, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. R.J.P. Lindhout, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 11 juni 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: