RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser,
de minister van Asiel en Migratie, verweerder,
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.5245
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. F. Boone),
en
(gemachtigde: mr. K. Bruin).
Procesverloop
Bij besluit van 24 januari 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Verweerder heeft op 4 februari 2026 de maatregel van bewaring opgeheven.
Eiser heeft desgevraagd ingestemd met een schriftelijke afdoening van het beroep. Op 3 februari 2026 heeft hij de gronden van beroep ingediend. Verweerder heeft op 5 februari 2026 hierop gereageerd. De rechtbank heeft op 11 februari 2026 het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. Eiser is geboren op [geboortedag] 1989 en heeft de Poolse nationaliteit.
2. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
3. Eiser voert – zo begrijpt de rechtbank – aan dat sprake is van verkapt vreemdelingrechtelijk toezicht, omdat onduidelijk is waarom hij is gevraagd naar zijn legitimatiebewijs en op grond van artikel 447e van het WvSr is aangehouden. Verder is eiser op onjuiste grondslag opgehouden. Ten tijde van de ophouding was namelijk onduidelijk wie eiser was, wat zijn verblijfsrechtelijke positie was en kon hij geen identiteitsdocument laten zien. Ter onderbouwing hiervan verwijst hij naar een tweetal uitspraken van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem.
4. De rechtbank stelt vast dat uit het proces-verbaal van aanhouding van 24 januari 2026 blijkt dat de verbalisanten een melding ontvingen over een dakloze man die op perron drie in de wachtruimte er een bende van zou maken. Naar aanleiding hiervan is eisers identiteit gecontroleerd. De rechtmatigheid van eisers aanhouding op grond van artikel 447e van het Wetboek van Strafrecht ligt volgens vaste rechtspraak van de Afdeling niet bij de bewaringsrechter ter toetsing voor.
5. Verder is de rechtbank van oordeel dat de ophouding op juiste grondslag heeft plaatsgevonden. Uit het proces-verbaal van ophouding en onderzoek blijkt dat eiser ten tijde van de ophouding in het bezit was van een Poolse identiteitskaart waarmee duidelijk werd wie hij was en wat zijn verblijfsrechtelijke positie was. Reeds hierom slaagt het beroep op de uitspraken van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, niet, omdat het in die zaken ging om vreemdelingen die geen enkel identiteitsdocument voorhanden hadden.
6. Tot slot leidt de ambtshalve toetsing niet tot het oordeel dat de maatregel van bewaring tot de opheffing daarvan op enig moment onrechtmatig was.
7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond; en
wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 12 februari 2026 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van R. Ben Sellam, griffier, en openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.