Beschikking op het op 12 maart 2026 ingekomen verzoek van:
[de vader] ,
de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. M.A. Sobral te ’s-Gravenhage.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de moeder] ,
de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. G.D. Haytink te ’s-Gravenhage.
Procedure
De rechtbank heeft kennis genomen van de stukken waaronder:
- het bericht van 3 juli 2026, met bijlagen namens de vader;
- het bericht van 6 juli 2026, met bijlagen namens de vader;
- het bericht van 9 juli 2026, met bijlagen namens de moeder;
- het bericht van 13 juli 2026, met bijlagen namens de vader.
De minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben zich op 13 juli 2026 in raadkamer uitgelaten over het verzoek.
Op 14 juli 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank gevoegd behandeld met de vorderingen in de kort geding-procedure (zaak C/09/707718 / KG ZA 26-696). Op deze laatste vorderingen is bij afzonderlijk vonnis beslist.
Op de gevoegde behandeling zijn verschenen:
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- namens de Raad voor de Kinderbescherming [naam] .
Namens de vader en de moeder zijn pleitnotities overgelegd.
Feiten
- De vader en de moeder hebben een affectieve relatie met elkaar gehad.
- Zij zijn de ouders van de volgende thans nog minderjarige kinderen:
- [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2012 te [geboorteplaats] ,
- [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2016 te [geboorteplaats] .
- De vader heeft beide kinderen erkend.
- De kinderen verblijven bij de moeder.
- De moeder is van rechtswege alleen met het ouderlijk gezag over de kinderen belast.
Verzoek en verweer
Het verzoek van de vader strekt – voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad – tot:
de vader samen met de moeder te belasten met het gezamenlijk gezag over de
minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ;
een zorgregeling vaststellen zoals onder punt 40 van het verzoekschrift is
opgenomen;
een vakantie- en feestdagenregeling vaststellen zoals opgenomen in punt 41
van het verzoekschrift inhoudende een gelijke verdeling;
een zodanige zorgregeling en verdeling van de vakanties- en feestdagen
vaststellen als de rechtbank juist acht.
De moeder voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken, en verzoekt – voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad –:
een zorgregeling tussen de vader en de kinderen vaststellen van iedere dinsdag
en vrijdag voor school tot 18.30 uur in de gezamenlijke woning aan de
[adres] , [plaats] ; voor de vakantie- en feestdagen de
zorgregeling toepassen waarbij in onderling overleg kan worden afgeweken;
te bepalen dat de man aan de vrouw als bijdrage in de kosten van de
verzorging en opvoeding zal betalen, met ingang van de datum beschikking dan
wel een door de rechtbank in goede justitie te bepalen ingangsdatum, een bedrag
van € 447,- per maand per kind, telkens bij vooruitbetaling te voldoen.
Beoordeling
Gezag
Juridisch kader
Uit artikel 1:253c, eerste en tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) volgt dat de tot het gezag bevoegde vader van het kind, die nimmer het gezag gezamenlijk met de moeder heeft uitgeoefend, de rechtbank kan verzoeken de ouders gezamenlijk met het gezag te belasten. Dit verzoek wordt, indien de andere ouder hiermee niet instemt, slechts afgewezen indien a) er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of indien b) afwijzing anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
Ter onderbouwing van zijn verzoek voert de vader aan dat hij – volgens het wettelijk uitgangspunt – samen met de moeder het ouderlijk gezag over de kinderen wil kunnen uitoefenen. Volgens de vader hebben de ouders tijdens de relatie nagelaten om het gezamenlijk gezag formeel vast te leggen. In de praktijk namen zij echter alle beslissingen over de kinderen in gezamenlijk overleg, waarbij de vader een gelijkwaardige rol vervulde in de verzorging en opvoeding van de kinderen. De vader wil nu na beëindiging van de relatie net zoals tijdens de relatie het geval was, evenveel zeggenschap en beslisbevoegdheid hebben als de moeder. Hij wil dit juridisch vastleggen. Daarnaast vindt de vader het in het belang van de kinderen dat het ouderlijk gezag goed is geregeld voor het geval de moeder iets mocht overkomen of mocht overlijden. De vader stelt dat de in de wet genoemde afwijzingsgronden zich niet voordoen.
De moeder verweert zich tegen het verzoek van de vader. Volgens de moeder is er geen sprake van enige werkbare communicatie tussen de ouders en is daardoor gezamenlijk overleg in feite onmogelijk. Sinds de vader plotseling is vertrokken, vertoont hij agressief en onvoorspelbaar gedrag. De moeder stelt dat de kinderen worden blootgesteld aan onrust, spanning en mogelijk geweld. De opvoedsituatie bij de vader is instabiel en onveilig. Daarnaast stelt de moeder dat de vader zijn gemaakte afspraken niet nakomt. Als het gezamenlijk gezag zal worden toegekend ontstaat er volgens de moeder een reëel risico dat de kinderen klem raken tussen de ouders en dat de conflicten verder escaleren. Er is ook geen zicht op verbetering.
De rechtbank stelt voorop dat het wettelijk uitgangspunt is dat de ouders gezamenlijk het gezag over hun kinderen uitoefenen. Alleen in bijzondere situaties, zoals genoemd in artikel 1:253c, BW, zijn er redenen om hiervan af te wijken. Niet gebleken is dat één van deze situaties zich hier voordoet. Voor wat betreft de door moeder aangevoerde houding van de vader zal de rechtbank daar hieronder, waar het gaat om de zorgregeling, op ingaan. Resteert de communicatie. Nog daargelaten dat niet optimale communicatie op zich geen reden is om een verzoek tot gezamenlijk gezag af te wijzen, ziet de rechtbank hier dat de ouders wel degelijk in staat zijn tot enige vorm van praktisch overleg. Immers, de ouders hebben sinds het uiteengaan in april 2025 onderling afspraken gemaakt als het gaat om het contact tussen de vader en de kinderen, evenals – klaarblijkelijk - ten aanzien van financiële bijdragen van de vader. Daarbij betrekt de rechtbank ook dat juist de moeder in deze procedure in het kader van de verdeling van de vakanties en feestdagen heeft verzocht dat in onderling overleg kan worden afgeweken. Bovendien acht de rechtbank de problemen die zich voordoen in de communicatie voor verbetering vatbaar. Zoals hierna zal blijken, zijn beide ouders bereid om te gaan deelnemen aan het traject Ouderschapsbemiddeling. Hopelijk met als resultaat binnen afzienbare tijd de onderlinge communicatie en het onderlinge vertrouwen te verbeteren, alsmede dat zij in staat zullen zijn in onderling overleg nadere afspraken over de kinderen te kunnen maken. Dit alles leidt ertoe dat de rechtbank het verzoek van de vader zal toewijzen.
Omdat de vader mede met het gezag over de kinderen zal worden belast, zal de rechtbank hierna de term zorgregeling in plaats van omgangsregeling gebruiken.
Zorgregeling
Ter onderbouwing van zijn verzoek voert de vader aan dat hij een gelijkwaardige rol wil blijven vervullen in de opvoeding en zorg van de kinderen, bij voorkeur een co-ouderschapsregeling. Sinds het verbreken van de relatie probeert de vader hierover met de moeder afspraken te maken, maar dit is niet gelukt. Hij is volledig afhankelijk van de toestemming van de moeder en op dit moment staat de moeder uitsluitend toe dat hij op de dinsdagen en vrijdagen – wanneer de moeder werkt – de kinderen opvangt voor en na schooltijd tot 18.30 uur én uitsluitend in de voormalige gezamenlijke woning. De vader stelt betrokken te willen zijn bij de kinderen, maar het is de moeder die hem op afstand houdt. Zo bepaalt zij vaak eenzijdig de voorwaarden voor de invulling van de zorgregeling en als hij daaraan niet of onvoldoende in haar ogen voldoet, zet zij de zorgregeling stop. Het is dan ook juist de moeder waarmee geen afspraken te maken zijn of die de wel gemaakte afspraken niet nakomt.
De vader wenst daarbij ook de vakanties en de feestdagen gelijk te verdelen.
De moeder verweert zich tegen het verzoek van de vader. Zij wil dat de huidige zorgregeling wordt voortgezet. Deze regeling loopt volgens de moeder goed. De moeder meent dat uitbreiding van de regeling op dit moment niet in het belang van de kinderen is vanwege de conflicten in aanwezigheid van de kinderen, het onvoorspelbare en agressieve gedrag van de vader en de negatieve gevolgen daarvan voor de kinderen. Daarnaast wil de moeder dat de vader de gemaakte afspraken nakomt, wat hij nu niet of niet naar behoren doet.
Op de zitting heeft de rechter de ouders voorgehouden dat er geen aanleiding is om de zorgregeling niet uit te breiden en nog steeds te laten plaatsvinden bij de moeder thuis in de voormalige gezamenlijke woning, zoals zij heeft verzocht. Temeer, omdat ook de kinderen hebben aangegeven meer bij de vader te willen zijn. De stelling van de moeder dat de vader agressief en onvoorspelbaar gedrag toont, waarbij hij uit het niets zou uitvallen tegenover de kinderen en de enkele vrees dat de broer van de vader die in drugs zou dealen dan wel in de woning zou gebruiken in aanwezigheid van de kinderen, is niet gebleken. Sterker, de kinderen hebben in het gesprek met de rechter desgevraagd niets verklaard over agressiviteit of ruzies, evenals dat zij hebben aangegeven de broer van de vader niet te kennen.
Alles afwegende zal de rechtbank de volgende zorgregeling vaststellen, omdat deze naar het oordeel van de rechtbank het meest in het belang van de kinderen is.
Reguliere zorgregeling
Omdat in het vonnis van 28 juli 2026 de voorzieningenrechter van deze rechtbank een vakantieregeling voor de zomervakantie 2026 heeft vastgesteld, zal de reguliere zorgregeling gaan gelden met ingang van 31 augustus 2026. De rechtbank acht een opbouw, zoals door de vader is verzocht, niet meer nodig omdat de kinderen in de zomervakantie al geruime tijd bij de vader verblijven.
De rechtbank zal bepalen dat de kinderen op basis van het 4-wekelijkse dienstrooster van de vader twee weekenden achterelkaar (waarin de vader niet werkt) bij de vader zullen zijn van vrijdag 08.00 uur tot zondag 19.00 uur. Daarnaast zal de rechtbank bepalen dat de kinderen iedere dinsdag, met uitzondering van de dinsdag dat de vader een opleidingsdag heeft, en iedere vrijdag van 08.00 uur tot 18.30 uur bij de vader zullen zijn, mede ook omdat de ouders het hierover eens zijn. De rechtbank merkt op dat het contact van de kinderen met de vader in zijn woning kan plaatsvinden, zodat de kinderen daar ook een gevoel van thuis gaan ervaren. Dit wordt niet in het dictum opgenomen, maar de rechtbank gaat er vanuit dat de moeder hier aan zal meewerken.
De vader heeft ook gevraagd dat de kinderen twee keer in de vier weken van maandag op dinsdag bij hem zullen verblijven. De moeder heeft hiertegen bezwaar, omdat de vader op maandagavond aan [minderjarige 1] voetbaltraining geeft. Dit zou betekenen dat [minderjarige 2] dan met de vader mee moet gaan en pas om 22.00 uur naar bed zou gaan, wat volgens de moeder te laat voor hem is. De rechtbank volgt de moeder in haar bezwaar en zal dit verzoek van de vader afwijzen. De vader ziet [minderjarige 1] immers al bij de voetbaltraining en de rechtbank acht het niet in het belang van [minderjarige 2] om in die tijd bij de vader te zijn. Als [minderjarige 2] het leuk vindt, kan hij altijd naar de training van zijn zus gaan kijken.
Vakanties- en feestdagenregeling
De vader verzoekt een concrete vakantie- en feestdagenregeling vast te stellen. De moeder daarentegen verzoekt tijdens de vakanties en feestdagen de huidige zorgregeling toe te passen waarbij in onderling overleg kan worden afgeweken.
De rechtbank zal het verzoek van de vader volgen, maar zal dit wel beperken in tijd en slechts vaststellen voor het schooljaar 2026-2027. Verder zal de rechtbank niet het voorstel van de vader volgen wat betreft zijn voorbehoud voor het werk. De rechtbank vindt van belang om nu slechts over een beperkte periode de vakanties- en feestdagenregeling vast te stellen om de ouders en de kinderen op dit moment duidelijkheid te scheppen en op weg te helpen. De ouders kunnen in onderling overleg of tijdens het traject Ouderschapsbemiddeling van deze regeling afwijken en samen met behulp van een hulpverlener afspraken maken over de vakanties- en feestdagenregeling vanaf de zomervakantie 2027.
Concreet zal de rechtbank bepalen:
de vakanties beginnen op vrijdag na school ( bij geen school 17:00) en eindigen op zondag 18:30 uur;
• herfstvakantie 2026: de kinderen verblijven bij de moeder
• voorjaarsvakantie 2027: de kinderen verblijven bij de moeder;
• meivakantie 2027 (2 weken): in de week dat de kinderen gezamenlijk meivakantie hebben
verblijven zij bij een van de ouders, waarbij de kinderen in de meivakantie 2027 bij de moeder verblijven en tijdens de andere week waarin de kinderen niet gezamenlijk vrij zijn, geldt de reguliere zorgverdeling;
• kerstvakantie 2026 (2 weken): verdeling bij helfte, waarbij de vader in 2026 de eerste keuze heeft welke week (1e of 2e) de kinderen bij hem verblijven;
• kerstavond – kerstdagen 2026: van kerstavond 24 december tot tweede kerstdag 10:00 uur;
• oud & nieuw 2026-2027: de kinderen verblijven oudejaarsavond en nieuwjaarsdag tot 12:00 uur bij de moeder;
• Goede vrijdag en Pasen 2027: de kinderen verblijven in 2027 Goede Vrijdag tot en met eerste Paasdag bij de moeder en tweede Paasdag tot de daaropvolgende dag (naar school) bij de vader;
• Pinksteren 2027: eerste pinksterdag tot tweede pinksterdag 10:00 uur bij de moeder;
• Vader en Moederdag 2027: de kinderen verblijven bij de vader, respectievelijk bij de moeder, in ieder geval vanaf zondag 10:00 uur tot de daaropvolgende dag naar school.
Traject Ouderschapsbemiddeling
Het is de rechtbank - evenals de ouders - gebleken dat hun relatie na de partnerbreuk is verstoord. De ouders kunnen niet meer op constructieve wijze met elkaar communiceren en hebben weinig vertrouwen in elkaar. Dit is zeer schadelijk voor de kinderen. Zij zijn nog jong en de vader en moeder zullen dus nog een hele lange periode samen opvoeders en verzorgers van de kinderen zijn. De rechtbank vindt het daarom in het belang van de kinderen dat de ouders over en weer vertrouwen in elkaar krijgen, zodat de kinderen onbelast contact met hun beide ouders kunnen hebben. Mede ook op advies van de raadsvertegenwoordiger is in dat kader op de zitting met de ouders een verwijzing naar een traject Ouderschapsbemiddeling besproken. Het traject Ouderschapsbemiddeling biedt de ouders de mogelijkheid om onder begeleiding van een professionele hulpverlener gesprekken met elkaar te voeren om de onderlinge communicatie te verbeteren en het vertrouwen in elkaar als ouders zoveel als mogelijk te herstellen. Daarbij kunnen de ouders tevens onder begeleiding van een professionele hulpverlener hun zorgen over en weer bespreken en nadere afspraken over de kinderen maken, waaronder de vakanties- en feestdagenregeling met ingang van de zomervakantie 2027.
Tevens vindt de rechtbank het van belang – evenals de raadsvertegenwoordiger op de zitting naar voren heeft gebracht – dat er tijdens het traject een gesprek zal worden gepland tussen de ouders en de kinderen om het uiteengaan van de ouders te bespreken en om de kinderen te ‘onschuldigen’, zodat de kinderen de partnerbreuk van hun ouders een plaatsje kunnen geven.
Beide ouders hebben op de zitting de bereidheid uitgesproken om deel te nemen aan het traject ouderschapsbemiddeling / parallel (solo) ouderschap. De rechtbank zal de ouders en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in de gelegenheid stellen deel te nemen aan dit traject, zoals blijkt uit het proces-verbaal van doorverwijzing dat aan deze beschikking is gehecht. Dit proces-verbaal is al per email verzonden naar Kenniscentrum Kind en Scheiding voor deelname aan voornoemd traject en aanmelding bij de betreffende uitvoerende hulpverleningsinstantie. De rechtbank zal (een kennisgeving van) deze beschikking per post zenden aan Kenniscentrum Kind en Scheiding.
De rechtbank zal de ouders bij eindbeschikking verwijzen naar het hulpverleningstraject, zodat het niet nodig is dat de hulpverleningsinstantie een (eind)rapportage over het verloop van het traject indient.
Kinderalimentatie
De moeder verzoekt een kinderalimentatie vast te stellen van € 447,- per maand per kind met ingang van de datum van de beschikking dan wel met ingang van een zodanige datum als de rechtbank juist acht. De vader verzet zich tegen het verzochte bedrag van € 447,- per maand per kind aan kinderalimentatie.
Ingangsdatum
Om proceseconomische redenen zal de rechtbank eerst de ingangsdatum vaststellen.
De rechtbank zal de moeder volgen en de datum van deze beschikking als ingangsdatum hanteren. Gebleken is immers dat de ouders hebben afgesproken dat de vader alle hypotheek- en eigenaarslasten van de echtelijke woning zal betalen en dan geen kinderalimentatie zal betalen. De vader is tot nu toe deze afspraak nagekomen. De moeder weet niet tot hoe lang de vader deze afspraak nog zal nakomen en wil daarom nu duidelijkheid en verzoekt een kinderalimentatie vast te stellen. De vader kan zich vinden in een ingangsdatum die gelijk is aan het moment waarop de moeder zelf alle woonlasten gaat betalen. Gelet hierop acht de rechtbank het redelijk de datum van de beschikking als ingangsdatum te hanteren, zoals overigens ook de moeder heeft verzocht.
Behoefte [minderjarige 1] en [minderjarige 2]
Bij de berekening van de kinderalimentatie wordt eerst gekeken naar wat de kosten van een kind (de behoefte) zijn. De behoefte van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is tussen de ouders in geschil. De rechtbank zal daarom hierna de behoefte vaststellen.
Voor het bepalen van de behoefte moet allereerst het netto besteedbaar inkomen (NBI) van ieder van de ouders tijdens hun samenleving worden bepaald.
De rechtbank begrijpt uit de stukken dat de ouders in maart 2025 feitelijk uit elkaar zijn gegaan. De rechtbank zal daarom de behoefte van de kinderen berekenen op basis van inkomensgegevens over 2024 en daarbij periode 2025-1 toepassen.
NBI vader in 2025
Gebleken is dat de vader werkt als [functienaam] bij de Veiligheidsregio Haaglanden en dat hij daarnaast nevenwerkzaamheden in zijn eenmanszaak ([bedrijf]) verricht.
Voor het bepalen van de behoefte gaat de rechtbank – evenals beide ouders – bij de vader uit van een jaarinkomen van € 57.205,-, zoals blijkt uit de door de vader als productie 12 overgelegde jaaropgave 2024.
In geschil is welk bedrag aan winst uit onderneming moet worden meegenomen. De vader stelt dat van een bedrag van € 8.356,- moet worden uitgegaan, zijnde de gemiddelde winst uit onderneming over 2022, 2023 en 2024 (de laatste drie jaren). De moeder betwist het standpunt van de vader en stelt dat moet worden uitgegaan van de winst uit onderneming over 2024, zijnde € 9.772,-. De rechtbank vindt het redelijk om uit te gaan van een winst uit onderneming over de laatste drie jaren, zoals ook gebruikelijk is. Dit betekent dat de rechtbank zal uitgaan van een gemiddelde winst uit onderneming van afgerond € 8.403,- per jaar (€ 4.263 in 2022, € 11.174 in 2023 en € 9.772 in 2024 = € 25.209 : 3).
Op de zitting heeft de moeder gesteld dat de vader slechts een gedeelte van zijn inkomsten uit zijn eenmanszaak bij de belastingdienst opgeeft. Volgens de moeder zet de vader veel meer om met zijn [bedrijf], wel zo’n € 3.000,- netto per maand en moet ook met deze zwarte inkomsten rekening worden gehouden. De vader heeft op de zitting aangegeven dat hij inderdaad nog netto € 500 tot € 1.000 per maand aan extra inkomsten uit zijn eenmanszaak genereert. Alles afwegende vindt de rechtbank het redelijk om met een bedrag van netto € 1.000 per maand extra aan inkomsten rekening te houden.
Uitgaande van de bovenstaande gegevens en van de in de aangehechte berekening opgenomen fiscale kortingen berekent de rechtbank volgens de aangehechte berekening het NBI van de vader voor kinderalimentatie op € 4.882,- per maand (tarief 2025-1).
NBI moeder in 2025
De rechtbank zal bij de moeder uitgaan van een jaarinkomen in 2024 van € 16.304,- , zoals blijkt uit de door haar als productie 4 overgelegde aangifte IB 2024.
De vader stelt dat ook bij de moeder sprake zou zijn van zwarte neveninkomsten. De moeder betwist dit. In het licht van de betwisting heeft de vader deze inkomsten niet nader onderbouwd, zodat de rechtbank hiermee geen rekening zal houden.
Uitgaande van dit inkomen en van de in de aangehechte berekening opgenomen fiscale kortingen (inclusief de inkomensafhankelijke combinatiekorting) berekent de rechtbank volgens de aangehechte berekening het NBI van de moeder voor kinderalimentatie op
€ 1.359,- per maand (tarief 2025-1).
Netto Besteedbare Inkomen Gezin (NBGI)
Het NBGI van de ouders bedroeg in 2025 dus € 6.241,- per maand (€ 4.882 (NBI vader) + € 1.359,- (NBI moeder)). Op basis van dit NBGI hadden de ouders recht op een kindgebonden budget van € 221,- per maand, zodat de rechtbank daarmee rekening zal houden. Op basis van de tabel eigen aandeel kosten van kinderen 2025, leidt het voorgaande tot een behoefte van € 1.482,- per maand voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Geïndexeerd naar 2026 bedraagt deze behoefte € 1.550,- per maand voor beide kinderen, ofwel € 775,- per maand per kind.
Draagkracht beide ouders
De vader en de moeder moeten in de behoefte van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voorzien naar rato van ieders draagkracht. De rechtbank zal hierna de draagkracht van beide ouders beoordelen. Dit doet de rechtbank aan de hand van het NBI van de vader en de moeder in 2026. Vervolgens moet het bedrag aan draagkracht volgens het Rapport alimentatienormen 2026 berekend worden aan de hand van de formule 70% x [NBI – (0,3 NBI + € 1.365,-)]. Voor de lagere inkomens beneden een NBI van € 2.200,- zijn vaste bedragen van toepassing.
NBI en draagkracht vader in 2026
De rechtbank zal bij het bepalen van de draagkracht van de vader – evenals beide ouders – uitgaan van het jaarinkomen bij de brandweer van € 57.775,-, zoals blijkt uit de door de vader als productie 13 en 29 overgelegde salarisstroken over januari en april 2026.
Daarnaast zal de rechtbank voor de eenmanszaak van de vader uitgaan van een gemiddelde winst uit onderneming over 2023, 2024 en 2025 van € 9.568,-, te weten € 11.174 in 2023,
€ 9.772 in 2024 en € 7.758 in 2025 is totaal € 28.704 : 3, zoals blijkt uit de overgelegde aangiftes IB 2023 en 2024 en het financieel verslag 2025.
Tevens zal de rechtbank – evenals bij het bepalen van de behoefte – rekening houden met een bedrag van netto € 1.000 per maand aan zwarte inkomsten, omdat tussen partijen niet in geschil is dat de vader deze nog steeds ontvangt.
Uitgaande van de bovenstaande gegevens en van de in de aangehechte berekening opgenomen fiscale kortingen berekent de rechtbank volgens de aangehechte berekening het NBI van de vader voor kinderalimentatie op € 4.988,- per maand (tarief 2026-2).
Tussen partijen is in geschil of voor de bepaling van de draagkracht van de vader moet worden uitgegaan van zijn werkelijke woonlast in plaats van het gebruikelijke woonbudget. De vader stelt dat bij hem rekening moet worden gehouden met zijn werkelijke woonlasten en niet met het woonbudget, omdat deze aanmerkelijk hoger zijn dan het woonbudget en duurzaam vanwege het niet meewerken van de moeder aan afspraken over de verdeling van de woning. De vader stelt een gemeubileerde woning in de vrije sector te huren voor
€ 1.400,- per maand en moet daarnaast de helft van de eigenaarslasten van de voormalige echtelijke woning voldoen, waaronder de WOZ (€ 35 per maand, opstalverzekering € 35 per maand en levensverzekering van € 70 per maand). De moeder verzet zich hiertegen en stelt dat er geen reden is om af te wijken van het gebruikelijke woonbudget.
De rechtbank overweegt dat het hanteren van een woonbudget de voorspelbaarheid en rechtszekerheid dient en voorkomt dat elke verandering van woonsituatie tot een wijziging van de bijdrage leidt. Het woonbudget is er om discussies over de hoogte van de vaste (woon)lasten te voorkomen en is gegrond op normen die het Nibud hanteert. Gelet hierop wordt slechts van het budget afgeweken als er bijzondere omstandigheden zijn die daartoe aanleiding geven. Daarvan is niet gebleken. Tot slot overweegt de rechtbank dat, zoals hierna bij de draagkrachtvergelijking zal blijken, er geen tekort aan gezamenlijke draagkracht is om in de behoefte van de kinderen te voorzien. Gelet op dit alles zal de rechtbank daarom bij de vader uitgaan van het woonbudget. De rechtbank merkt daarbij nog op dat partijen op de zitting uitvoerig zijn ingegaan op de kosten van de echtelijke woning en wie welke kosten in de toekomst moet gaan dragen. Partijen zijn niet tot overeenstemming gekomen. Omdat daarover geen verzoeken voorliggen, gaat de rechtbank hieraan voorbij.
De draagkracht van de vader bedraagt dan volgens de hiervoor genoemde formule afgerond € 1.489,- per maand: 70% x [€ 4.988 – (0,3 x € 4.988 + € 1.365)] = € 1.489,- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening.
NBI en draagkracht moeder in 2026
De rechtbank zal bij het bepalen van de draagkracht van de moeder – evenals de moeder –uitgaan van de uit haar als productie 2 overgelegde salarisstroken over de maanden februari, maart en april 2026 blijkende jaarsalaris van € 16.890.
Voor zover de vader betoogt dat bij de berekening van de draagkracht van de moeder rekening moet worden gehouden met een verdiencapaciteit van € 30.000 bruto, volgt de rechtbank dit betoog niet. De moeder heeft immers het grootste gedeelte van de zorg van de kinderen. Daarnaast heeft de moeder onbetwist gesteld dat zij kampt met gezondheidsproblemen. Naar het oordeel van de rechtbank kan daarom nu niet van de moeder worden verwacht meer te gaan werken.
Op basis van het hiervoor genoemde inkomen en rekening houdend met de in de aangehechte berekening opgenomen heffingskortingen en toeslagen, berekent de rechtbank het NBI van de moeder in 2026 op € 2.182,- per maand en haar draagkracht op € 116,- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening.
Verdeling van de draagkracht
De draagkracht van de ouders bedraagt gezamenlijk € 1.605,- per maand (€ 1.489 + € 116). Dit is voldoende om in de behoefte van de kinderen te voorzien. De rechtbank zal daarom een draagkrachtvergelijking maken waarbij de behoefte naar rato van ieders draagkracht zal worden verdeeld. Hiervoor gebruikt de rechtbank de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte.
Het eigen aandeel van de vader bedraagt: 1.489 / 1.605 x 1.550 = € 1.438,-
Het eigen aandeel van de moeder bedraagt: 116 / 1.605 x 1.550 = € 112,-
samen € 1.550,-
Van de totale behoefte van de kinderen komt een gedeelte van € 1.438,- per maand voor rekening van de vader. Een gedeelte van € 112,- per maand komt voor rekening van de moeder.
Zorgkorting en conclusie kinderalimentatie
Gelet op de door de rechtbank vast te stellen zorgregeling, waarbij de kinderen gemiddeld 11 van de 28 dagen bij de vader zijn alsmede een groot gedeelte van de vakanties en feestdagen, past de rechtbank een zorgkorting van 35% voor de vader toe. Dit betekent dat 35% van de behoefte, zijnde afgerond € 542 (35% van € 1.550) per maand in mindering komt op het eigen aandeel van de vader van € 1.438,- per maand, waardoor per saldo de vader aan de moeder volgens de aangehechte berekening per vandaag een kinderalimentatie voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] moet betalen van (€ 1.438 – € 542 =) € 896,- per maand, ofwel € 448,- per maand per kind. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aan deze beschikking gehechte berekening en merkt daarbij voor de goede orde nog op dat het haar procesrechtelijk niet is toegestaan om meer kinderalimentatie toe te wijzen dan is verzocht. De rechtbank zal daarom bepalen dat de vader aan de moeder met ingang van heden een kinderalimentatie van € 447,- per maand per kind zal moeten betalen, zoals de moeder heeft verzocht.
Beslissing
De rechtbank:
*
bepaalt dat voortaan aan de vader en de moeder gezamenlijk het gezag zal toekomen over de minderjarige kinderen:
- [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2012 te [geboorteplaats] ,
- [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2016 te [geboorteplaats] ;
*
stelt de volgende zorgregeling vast:
reguliere zorgregeling
bepaalt dat de hiervoor genoemde kinderen bij de vader zullen verblijven:
- op basis van het 4-wekelijkse dienstrooster van de vader de twee weekenden achter elkaar waarin de vader niet werkt van vrijdag 08.00 uur tot zondag 19.00 uur;
vakanties- en feestdagenregeling over het schooljaar 2026-2027
hebben verblijven zij bij een van de ouders, waarbij de kinderen in de meivakantie
2027 bij de moeder verblijven en tijdens de andere week waarin de kinderen niet gezamenlijk vrij zijn, geldt de reguliere zorgverdeling;
- kerstvakantie 2026 (2 weken): verdeling bij helfte, waarbij de vader in 2026 de
eerste keuze heeft welke week (1e of 2e) de kinderen bij hem verblijven;
- kerstavond – kerstdagen 2026: van kerstavond 24 december en eerste kerstdag tot
tweede kerstdag 10:00 uur;
- oud & nieuw 2026-2027: de kinderen verblijven oudejaarsavond en
nieuwjaarsdag tot 12:00 uur bij de moeder;
- Goede Vrijdag en Pasen 2027: de kinderen verblijven in 2027 Goede Vrijdag tot en
met eerste Paasdag bij de moeder en tweede Paasdag tot de daaropvolgende dag (naar school) bij de vader;
- Pinksteren 2027: eerste pinksterdag tot tweede pinksterdag 10:00 uur bij de
moeder;
- Vader- en Moederdag 2027: de kinderen verblijven bij de vader, respectievelijk bij
de moeder, in ieder geval vanaf zondag 10:00 uur tot de daaropvolgende dag naar
school;
*
bepaalt dat de vader aan de moeder, met ingang van heden, een kinderalimentatie ten behoeve van de hiervoor genoemde minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] van € 447,- per maand per kind zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
*
stelt vast dat de ouders, te weten:
[de vader] , (vader)
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
en
[de moeder] , (de moeder)
wonende op een bij de rechtbank bekend adres;
bij (aangehecht) proces-verbaal van doorverwijzing zijn verwezen naar(De Rotterdamse omgangsbegeleiding voorziet blijkens haar folder in omgangsbegeleiding voor de duur van in beginsel maximaal zes maanden, overeenkomend met acht à negen contacten.) Kenniscentrum Kind en Scheiding voor deelname aan het traject Ouderschapsbemiddeling / Parallel (solo) ouderschap en voor aanmelding bij de uitvoerende hulpverleningsinstantie;
*
beveelt de griffier binnen twee dagen na heden een afschrift van (de kennisgeving van) deze beschikking te zenden naar:
Kenniscentrum Kind en Scheiding, Albertus de Oudelaan 1, 2273 CW Voorburg;
*
stelt vast dat de ouders bij eindbeschikking zijn verwezen naar het hulpverleningstraject, zodat het niet nodig is dat de uitvoerende hulpverleningsinstantie de rechtbank (tussentijds) rapporteert over het verloop van voornoemd traject.
*
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
*
wijst af het meer of anders verzochte.