RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
de minister van Asiel en Migratie,
Samenvatting
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.2928
(gemachtigde: mr. F.W. Verweij),
en
(gemachtigde: mr. E. Sweerts).
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft op 15 september 2025 een opvolgende aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 16 januari 2026 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft de behandeling van het beroep op 9 april 2026 aangehouden, omdat er geen tolk beschikbaar was. De rechtbank heeft vervolgens het beroep samen met het verzoek om voorlopige voorziening op 4 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, M.L. Diallo als tolk en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Eerdere procedure
3. Eiser heeft op 19 oktober 2018 voor het eerst asiel aangevraagd. Hij heeft hieraan, kort weergegeven, het volgende ten grondslag gelegd. Eiser komt uit Guinee. Zijn vriendin werd uitgehuwelijkt aan een andere man. Ze bleven elkaar in het geheim zien, en eisers vriendin is bij eiser thuis duizelig geworden en met haar hoofd tegen het bed aangevallen. De volgende ochtend bleek ze overleden te zijn. Eiser is vervolgens gearresteerd en beschuldigd van moord. Hij heeft drie maanden op het politiebureau en negen maanden in de gevangenis gezeten, waar hij is gemarteld. Uiteindelijk is eiser met behulp van een man uit de gevangenis ontsnapt en heeft hij Guinee in 2017 verlaten. Bij terugkeer vreest hij vermoord te worden of een levenslange gevangenisstraf te krijgen.
De minister heeft die aanvraag met het besluit van 15 juli 2021 afgewezen als ongegrond. Hierbij heeft de minister de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser en de relatie met zijn vriendin geloofwaardig geacht. De problemen na de uithuwelijking van eisers vriendin heeft de minister niet geloofwaardig geacht.
Deze rechtbank, zittingsplaats Groningen, heeft het beroep tegen het besluit van 15 juli 2021 bij uitspraak van 22 maart 2022 ongegrond verklaard en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft die uitspraak bevestigd bij uitspraak van 22 april 2022.
Huidige aanvraag
4. Eiser heeft bij zijn huidige asielaanvraag een rapport van het Instituut voor Mensenrechten en Medisch Onderzoek (het iMMO) van 25 augustus 2025 overgelegd. Het iMMO heeft in dat rapport geconcludeerd dat de geconstateerde psychische problematiek van eiser beperkingen heeft gegeven die ten tijde van de gehoren mogelijk hebben geïnterfereerd met het vermogen om compleet, coherent en consistent te verklaren (antwoord op de zogenoemde ‘B-vraag’). Verder heeft het iMMO geconcludeerd dat de klachten van eiser typerend zijn voor het ondergane geweld zoals eiser dat heeft gesteld in zijn asielrelaas (antwoord op de zogenoemde ‘A-vraag’). Daarbij heeft eiser zijn huisartsdossier overgelegd en een brief van [naam] van 3 januari 2024. Eiser heeft ook gewezen op actuele landeninformatie over gedwongen huwelijken, de omstandigheden in gevangenissen en over straffeloosheid voor en na de coup in Guinee. Eiser stelt dat hij hiermee de eerder ongeloofwaardig geachte problemen die hij in Guinee heeft ondervonden alsnog aannemelijk heeft gemaakt.
Bestreden besluit
5. De minister stelt zich op het standpunt het iMMO-rapport geen ander licht werpt op de zaak. Het iMMO heeft niet inzichtelijk gemaakt dat de psychische klachten van eiser hebben geïnterfereerd met zijn vermogen om compleet, coherent en consistent te verklaren (B-vraag). De minister vindt daartoe onder meer van belang dat het iMMO erover spreekt dat de klachten ‘mogelijk’ een rol hebben gespeeld tijdens verklaren, wat niet uitsluit dat de klachten géén invloed hadden. Verder baseert het iMMO zich vooral op medische stukken die na het hoger beroep van 2022 zijn opgesteld. Naast de medische stukken van FMMU (die in januari 2020 had geconcludeerd dat eiser gehoord kon worden) is het enige stuk ten tijde van eerste asielprocedure het patiëntendossier waarin op 21 januari 2019 melding is gemaakt van slapeloosheid, nachtmerries/andere slaapstoornis en slaapapneu. Volgens de minister is niet inzichtelijk dat eiser door die klachten zodanig beperkt was dat hij niet goed kon verklaren. Dat later bij eiser PTSS is vastgesteld, is ook onvoldoende voor die conclusie. De minister wijst op de uitspraak van de Afdeling van 2 april 2025. Het huisartsdossier en de brief van [naam] zien ook niet op de psychische situatie ten tijde van de gehoren, want die zijn pas ruim drie jaar daarna opgesteld.
Het antwoord van het iMMO op de A-vraag levert volgens de minister weliswaar steunbewijs op voor (een deel van) het asielrelaas van eiser, maar leidt niet tot de conclusie dat de door eiser gestelde problemen geloofwaardig zijn. Hierbij is van belang dat in de eerste procedure de verklaringen van eiser op belangrijke punten tegenstrijdig en vaag zijn bevonden. Het iMMO-rapport kan deze inconsistenties niet wegnemen, want het rapport geeft geen uitsluitsel over de feitelijke toedracht of context van gebeurtenissen in Guinee. Ook sluit het iMMO-rapport andere oorzaken voor de klachten en littekens niet uit. Eiser heeft in deze procedure geen nieuwe informatie of onderbouwing aangedragen dat de mishandeling het gevolg is van het door hem vertelde asielrelaas. De algemene landeninformatie die eiser heeft overgelegd is daarvoor onvoldoende.
Beoordeling gronden
Antwoorden iMMO op B-vraag en zorgvuldigheid gehoor
6. Eiser voert aan dat het iMMO voldoende heeft toegelicht dat zijn psychische klachten hebben geïnterfereerd met het vermogen om compleet, coherent en consistent te verklaren. Volgens eiser is de beantwoording door het iMMO op hem individueel toegespitst. Uit de uitspraak van de Afdeling van 21 april 2026 blijkt dat de minister dan niet kan volstaan met een formeel betoog dat de conclusie te algemeen is. In de uitspraak van de Afdeling van 2 april 2025 was enkel verwezen naar PTSS. Uit die uitspraak blijkt bovendien dat de rechtspraak van de Afdeling dat een iMMO-rapport medisch steunbewijs oplevert, ongewijzigd blijft. Ook werpt de minister ten onrechte tegen dat het iMMO niet uitlegt op welke punten in de verklaringen moeilijkheden zijn ontstaan. De Afdeling heeft immers geoordeeld dat dit (het onderdelenvereiste) niet gevergd kan worden in de uitspraak van 7 december 2022. De minister heeft het iMMO-rapport niet weerlegd met een deskundigenrapport of andere concrete feitelijke omstandigheden. Het FMMU-advies van 2 januari 2020 tast de waarde van het iMMO-rapport niet aan, onder meer omdat het FMMU geen volwaardig psychiatrisch onderzoek doet en het FMMU-dossier aanwijzingen bevat voor PTSS-klachten en een advies om de huisarts te bezoeken. De tegenwerpingen over de verklaringen tijdens de vorige procedure kunnen daarom niet standhouden.
Eiser voert verder aan dat tijdens het gehoor opvolgende aanvraag te weinig vragen te zijn gesteld. Ook heeft eiser toen aangegeven dat hij een ‘strak hoofd’ had, slecht had geslapen en hoofdpijn had, wat signalen zijn van hyperarousal, waar vervolgens onvoldoende rekening mee is gehouden.
7. De rechtbank oordeelt dat de minister in het geval van eiser mocht voorbijgaan aan het antwoord van het iMMO op de B-vraag. Het rapport vermeldt de medische klachten van eiser: PTSS-klachten, de waarnemingen tijdens het onderzoek door iMMO en blijkens het FMMU-advies ten tijde van de eerste asielprocedure ook slaapproblemen, nachtmerries en angstige herinneringen. In het rapport wordt echter niet inzichtelijk gemaakt waarom en in hoeverre deze klachten in de eerste asielprocedure zouden hebben geleid tot een interferentie met eisers vermogen om destijds compleet, coherent en consistent over zijn asielrelaas te verklaren. De rechtbank is daarom van oordeel dat de beantwoording van de B-vraag door het iMMO in deze zaak, net als in de uitspraak van de Afdeling van 2 april 2025, onvoldoende individueel en concreet is. Bovendien heeft het iMMO in reactie op de uitspraak van die uitspraak van de Afdeling op 2 april 2025 te kennen gegeven dat het voor het iMMO niet mogelijk is om nog onderzoek te doen naar de vraag of sprake was van een geheugenstoornis bij de gehoren van eiser, en op welke wijze en op welke momenten de problematiek van eiser precies van invloed is geweest. De minister heeft daarom mogen volstaan met de verwijzing naar het FMMU-advies in de eerste asielprocedure over de klachten die bekend waren, die geen beperkingen heeft vastgesteld die relevant zijn voor het horen/beslissen. Het voorgaande betekent dat de minister ook uit mag gaan van de verklaringen die eiser in de eerste procedure heeft afgelegd. De rechtbank is verder van oordeel dat het gehoor opvolgende aanvraag zorgvuldig is verlopen. Uit pagina 3 van het gehoorverslag blijkt dat de hoormedewerker heeft aangekondigd dat eiser de tijd wordt gegund en dat regelmatig wordt gepauzeerd. Vervolgens heeft de hoormedewerker verschillende vragen gesteld aan eiser over waar hij rekening mee kan houden tijdens het gehoor. Eiser heeft vervolgens aangegeven dat hij denkt dat het gehoor kan plaatsvinden en bevestigd dat hij zou aangeven als hij een pauze nodig had (pagina 4). Uit het verslag blijkt vervolgens niet dat eiser de gestelde vragen niet kon beantwoorden. Eiser heeft ook in beroep niet duidelijk gemaakt wat hij, naast wat hij heeft verklaard, naar voren had willen brengen en/of wat vanwege zijn klachten niet goed tot uitdrukking is gekomen. De beroepsgrond slaagt niet.
Antwoorden iMMO op A-vraag en landeninformatie
8. Eiser voert aan dat de antwoorden van iMMO op de A-vraag een sterke aanwijzing vormen dat de gestelde onmenselijke behandeling het letsel heeft veroorzaakt. Uit de uitspraak van de Afdeling van 27 juni 2018 volgt dat het dan aan de minister is om de twijfel over de oorzaak van het letsel weg te nemen. De minister bestrijdt de waarde van de littekens door te verwijzen naar de eerste procedure waarin het asielrelaas van eiser ongeloofwaardig is geacht, maar dat is geen zorgvuldige beoordeling: het iMMO-rapport levert medisch steunbewijs op voor het relaas van eiser, en de minister moet dus opnieuw en integraal toetsen. De minister heeft ook ten onrechte geen forensisch medisch onderzoek (FMO) aangeboden. Verder wijst eiser erop dat zijn asielrelaas past binnen de landeninformatie over gedwongen huwelijken, omstandigheden in gevangenissen en straffeloosheid voor en na de coup in Guinee.
9. De rechtbank overweegt als volgt. Uit de uitspraken van de Afdeling van 27 juni 20218 en 2 april 2025 volgt dat het aan de minister is om, als een medisch rapport, zoals een iMMO-rapport, een sterke aanwijzing vormt dat de door een vreemdeling gestelde onmenselijke behandeling in het land van herkomst het letsel heeft veroorzaakt, de twijfel over de oorzaak van het letsel weg te nemen, wanneer de minister die gestelde onmenselijke behandeling desondanks niet aannemelijk acht. Dit kan verplichten tot nader medisch onderzoek. Bij de vraag of deze verplichting ontstaat, zijn verschillende factoren van belang. Zo moet worden beoordeeld of de vreemdeling bevreemdingwekkend, vaag of tegenstrijdig heeft verklaard over het deel van het asielrelaas dat hij met het iMMO-rapport heeft willen staven. Daarnaast moet de minister nagaan in hoeverre dat deel van het asielrelaas past in betrouwbare algemene informatie over het land van herkomst en hoe sterk de kwalificatie in het iMMO-rapport is.
10. In het geval van eiser heeft de minister niet tegengeworpen dat zijn asielrelaas niet past binnen de landeninformatie. De minister heeft echter wel terecht opgemerkt dat de algemene landeninformatie het individuele relaas van eiser op zichzelf nog niet aannemelijk maakt. In de eerste procedure heeft de rechtbank het standpunt van de minister in die procedure bevestigd, te weten dat eiser vaag en summier heeft verklaard over de uithuwelijking van zijn vriendin, de geheime relatie met haar en het incident waarbij zij is overleden, tegenstrijdig heeft verklaard over wie de familie van zijn vriendin heeft gebeld na haar dood, en ongeloofwaardig heeft verklaard over de ontsnapping uit de gevangenis. Met het iMMO-rapport in deze procedure is het asielrelaas van eiser niet alsnog aannemelijk gemaakt. De conclusies van het iMMO (ook de kwalificaties ‘typerend’) laten immers andere oorzaken voor de klachten en littekens van eiser open. Ook een FMO zou hierover geen uitsluitsel kunnen bieden. Het betoog dat de minister een FMO had moeten instellen naar het verband tussen de medische klachten van eiser en de door hem gestelde oorzaak daarvan, slaagt daarom ook niet. De rechtbank ziet derhalve geen aanleiding om nu anders te oordelen over het FMO dan ten tijde van voornoemde uitspraak van 22 maart 2022. Verder heeft eiser in deze procedure niet alsnog uitleg gegeven over zijn vage en tegenstrijdige verklaringen. De beroepsgrond slaagt niet.
11. Wat eiser verder heeft aangevoerd leidt ook niet tot de conclusie dat het besluit onrechtmatig is.
Vergoeding van de kosten van het iMMO-rapport
12. Eiser heeft de rechtbank verzocht om de minister te veroordelen tot vergoeding van de kosten van het iMMO-onderzoek. Het betreft een bedrag van € 8.470,-. Ter onderbouwing van deze kosten heeft eiser een factuur van het iMMO van 8 juli 2025 overgelegd.
13. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling komen de kosten van een deskundige op de voet van artikel 8:75, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking als het inroepen van die deskundige redelijk was en de deskundigenkosten zelf redelijk zijn. Het inroepen van het iMMO als deskundige was naar het oordeel van de rechtbank op zichzelf redelijk, nu eiser (in januari 2024 gediagnosticeerde) psychische klachten had die hij koppelde aan zijn relaas en aan zijn vermogen om coherent en consistent te verklaren. De gemachtigde van eiser heeft in april 2024, en dus ongeveer twee jaar na het onherroepelijk worden van de afwijzing van eisers eerste asielaanvraag en ongeveer drie maanden na de brief van [naam] , bij iMMO een aanvraag om onderzoek ingediend. Anders dan de minister ziet de rechtbank in het tijdsverloop sinds de eerste procedure geen reden om te oordelen dat het niet redelijk was om een deskundigenoordeel te vragen.De kosten voor het inschakelen van iMMO komen dan ook in beginsel voor vergoeding in aanmerking. Het iMMO berekent de kostenvergoeding conform het Besluit tarieven in strafzaken 2003 (BTIS). Het BTIS kent een forfaitair stelsel voor vergoedingen. Het is de rechtbank ambtshalve bekend dat het iMMO een algemene toelichting heeft gegeven op de gedeclareerde kosten en daarin toegelicht dat de BITS-tarieven voor haar werkzaamheden niet kostendekkend zijn. De minister heeft zich wat betreft de hoogte van de declaratie gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. De rechtbank ziet geen reden om aan te nemen dat de in rekening gebrachte kostenvergoeding niet redelijk is. De rechtbank wijst het verzoek daarom toe.
Conclusie en gevolgen
14. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als kennelijk ongegrond.
Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en de afwijzing van zijn asielaanvraag in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten. Wel moet de minister de kosten van eiser voor het laten opstellen van het iMMO-rapport vergoeden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt de minister tot vergoeding van de kosten van eiser voor het iMMO-rapport tot een bedrag van 8.470,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. O. Veldman, rechter, in aanwezigheid van mr. S.J. Valk, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op 16 juli 2026