ECLI:NL:RBDHA:2026:26402

ECLI:NL:RBDHA:2026:26402

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 02-09-2026
Datum publicatie 11-09-2026
Zaaknummer NL25.14733 en NL24.15467
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

Afwijzing van de aanvraag van een jongvolwassene voor verblijf bij haar moeder en haar zusje dat wel een vergunning heeft gekregen. De rechtbank heeft een kindgesprek gevoerd met het zusje van eiseres. Beroep gegrond. De minister zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiseres niet aan het jongvolwassenenbeleid voldoet. Er is volgens de rechtbank dus gezinsleven tussen eiseres en haar moeder. De minister heeft verder ook geen faire balance gemaakt tussen de belangen van eiseres om gezinsleven met haar zusje voort te zetten en het belang van de Staat. De minister moet opnieuw beslissen op het bezwaar en een nieuwe belangenafweging moet maken voor het hele gezin.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

[eiseres],

de minister van Asiel en Migratie, verweerder, hierna de minister

Inleiding

Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht

Zaaknummers: NL25.14733 (beroep)

NL24.15467 (voorlopige voorziening)

V-nummer: [v-nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen

geboren op [geboortedag 1] 2002, van Cubaanse nationaliteit,

eiseres/verzoekster, hierna eiseres

(gemachtigde: mr. V. Sarkisian),

en

(gemachtigde: mr. I.O. Augustinus).

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd. Eiseres is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het bestreden besluit van de minister geen stand houdt. Eiseres krijgt dus gelijk en het beroep is gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Achtergrond en procesverloop

2. Eiseres beoogt verblijf bij haar moeder, [referente] (hierna referente). Referente heeft sinds juni 2016 duurzaam verblijfsrecht als burger van de Europese Unie. Toen referente naar Nederland vertrok, was eiseres veertien jaar oud. Eiseres bleef met haar zus [naam 1], geboren op [geboortedag 2] 2009, en toen zeven jaar oud, in Cuba achter. Op 2 maart 2022 is [naam 1] naar Nederland gekomen en op 20 april 2022 eiseres. Sindsdien wonen zij samen met referente.

Eiseres en [naam 1] hebben eerder, op 16 november 2022, een aanvraagprocedure voor toetsing aan het EU-recht doorlopen, die niet tot vergunningverlening heeft geleid, omdat referente niet de nationaliteit van een van de lidstaten heeft.

Op 30 januari 2024 hebben eiseres en [naam 1] de onderhavige aanvraag ingediend voor verblijf als familie of gezinslid bij referente.

De minister heeft de aanvraag van [naam 1] op 4 april 2024 ingewilligd maar de aanvraag van eiseres met het besluit van 4 april 2024 afgewezen en aan haar een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd. Tegen dit besluit heeft eiseres bezwaar gemaakt. Voorts heeft zij een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend die ertoe strekt dat om haar uitzetting gedurende de procedure te voorkomen.

Met het bestreden besluit van 27 februari 2025 op het bezwaar van eiseres is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het eerder ingediende verzoek om een voorlopige voorziening hangt nu aan dit beroep.

Voorafgaand aan de zitting op 4 juni 2026 heeft de (voorzieningen)rechter in aanwezigheid van de griffier een kindgesprek gehouden met [naam 1].

De rechtbank/voorzieningenrechter heeft het beroep, samen met het verzoek, op 4 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, haar vriend de heer [naam 2], referente, [naam 1], de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Vrijstelling van het griffierecht

3. Eiseres heeft zich in beide procedures beroepen op betalingsonmacht met betrekking tot het griffierecht. De rechtbank honoreert dit beroep, omdat eiseres voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij niet beschikt over voldoende inkomen of vermogen om het griffierecht te voldoen. Eiseres wordt daarom vrijgesteld van de verplichting tot betaling van griffierecht.

Besluitvorming van de minister

4. De minister heeft de aanvraag van eiseres afgewezen en de afwijzing met het bestreden besluit gehandhaafd omdat eiseres geen geldige mvv heeft en zij niet in aanmerking komt voor vrijstelling ervan op grond van artikel 8 van het EVRM. Volgens de minister voldoet eiseres niet aan de voorwaarden van het jongvolwassenenbeleid, omdat zij niet altijd met referente in gezinsverband heeft samengeleefd en zij kan voorzien in haar eigen levensonderhoud. Van bijkomende elementen van afhankelijkheid die de gebruikelijke emotionele banden overstijgen om alsnog gezinsleven tussen eiseres en referente aan te nemen, is volgens de minister evenmin gebleken. Volgens de minister heeft eiseres niet aangetoond dat zij een duurzame en exclusieve relatie heeft met de heer [naam 2]. De minister heeft wel gezinsleven aangenomen tussen eiseres en haar zus [naam 1], maar heeft de belangenafweging in het nadeel van eiseres en [naam 1] laten uitvallen.

Voldoet eiseres aan het jongvolwassenenbeleid?

5. Eiseres voert aan dat zij aan alle voorwaarden van het jongvolwassenenbeleid voldoet. Eiseres heeft geen betaald werk en voorziet niet in eigen levensonderhoud. Zij wordt door haar moeder onderhouden. Dat eiseres in staat kan worden geacht in eigen levensonderhoud te voorzien is geen criterium uit het beleid. Sinds 2022 woont eiseres weer samen met referente en [naam 1]. De verbreking in de samenwoning in het verleden was onvrijwillig omdat referente geen toestemming kreeg van haar partner om haar kinderen mee te nemen naar Nederland. Uit het beleid volgt dat zelfs als er sprake is van een vrijwillige scheiding tussen jongvolwassene en zijn ouder, deze scheiding anders wordt gewogen dan bij een gedwongen scheiding. De minister heeft echter geen enkele afweging hierover gemaakt en alleen geconcludeerd dat eiseres niet aan het jongvolwassenenbeleid voldoet.

De minister volgt niet dat er sprake was van een gedwongen scheiding, omdat het niet met bewijsstukken is onderbouwd. Zelfs als daarvan uit wordt gegaan, blijft nog overeind dat referente er zelf voor heeft gekozen om alsnog naar Nederland te komen en niet bij haar kinderen te blijven. De minister wijst op de verklaring van referente tijdens de hoorzitting in bezwaar dat zij tijdens een vakantie in Nederland in 2016 haar ex-partner leerde kennen, die wilde dat referente in Nederland zou blijven en referente wilde die relatie een kans geven. De minister heeft daarom in het nadeel van eiseres meegewogen dat referente en haar kinderen van 2016 tot 2022 niet als gezin hebben samengewoond.

De minister heeft verder betrokken dat eiseres in Nederland bij [bedrijf] heeft gewerkt en daarmee ongeveer € 1.900,- tot € 2.000,- per maand verdiende. Dit houdt in dat eiseres eerder in staat is gebleken om in haar eigen levensonderhoud te voorzien en zij daarmee een belangrijke stap richting zelfstandigheid heeft gezet.De minister meent dat hij in overeenstemming met de uitspraak van de Afdeling van 20 november 2024 alle relevante feiten en omstandigheden tot aan het moment van het besluit op bezwaar heeft betrokken. Volgens de minister heeft eiseres met de overgelegde bewijsstukken onvoldoende onderbouwd dat zij ten tijde van het bestreden besluit financieel afhankelijk was van referente. Daarbij acht de minister van belang dat eiseres een periode een aanzienlijk inkomen in Nederland heeft gehad. Daaruit blijkt dat eiseres in staat is om in haar eigen levensonderhoud te voorzien. Dat eiseres en referente ten tijde van het bestreden besluit bijna drie jaar met elkaar samenwoonden, maakt niet dat eiseres alleen daarom weer onder het toepassingsbereik van het jongvolwassenbeleid valt. Uit voornoemde uitspraak van de Afdeling van 20 november 2024 maakt de minister op dat herstel van een verbroken gezinsband alleen in uitzonderlijke situaties mogelijk is. De minister meent dat van een dergelijke situatie in geval van eiseres en referente geen sprake is.

De rechtbank stelt vast dat partijen verdeeld zijn over de vraag of eiseres voldoet aan de criteria van het jongvolwassenenbeleid en daarmee ook of er sprake is van familie- of gezinsleven tussen eiseres en referent in de zin van artikel 8 van het EVRM.

De rechtbank overweegt dat het hier om een gezinsherenigingsprocedure op grond van artikel 8 van het EVRM gaat. Eiseres valt dus niet onder het nareisbeleid, zodat de Werkinstructie 2024/4 op haar niet van toepassing is. Voor de beoordeling of er familie- of gezinsleven is in de zin van artikel 8 van het EVRM, is het primaire besluit of het besluit op bezwaar het peilmoment.

De Afdeling heeft in de uitspraak van 29 mei 2024 de grondslag van het jongvolwassenenbeleid in reguliere zaken geschetst. De minister heeft het jongvolwassenenbeleid gebaseerd op arresten van het EHRM. In die arresten heeft het EHRM vastgesteld dat de desbetreffende meerderjarige kinderen, die met hun ouder(s) samenwoonden en geen eigen gezin hadden gevormd, familie- of gezinsleven hadden met die ouder(s). Het EHRM heeft in die arresten daarmee aangenomen dat familie- of gezinsleven kan bestaan tussen een meerderjarig kind en zijn ouder(s) zonder bijkomende elementen van afhankelijkheid. In het jongvolwassenenbeleid heeft de minister bij dit uitgangspunt aangesloten door familie- of gezinsleven aan te nemen tussen een kind en zijn ouder(s) als dat kind ook na het bereiken van de meerderjarige leeftijd feitelijk is blijven behoren tot het gezin van zijn ouder(s). De minister neemt uitsluitend aan dat die situatie zich voordoet als een meerderjarig kind jongvolwassen is, met zijn ouders in gezinsverband samenleeft, niet in zijn eigen onderhoud voorziet en geen zelfstandig gezin heeft gevormd.

Uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting stelt de rechtbank het volgende vast. Niet in geschil is dat eiseres jongvolwassen is en geen zelfstandig gezin heeft gevormd. Evenmin is in geschil dat eiseres in de periode van 2016 tot 2022 waarin zij met haar vader woonde en referente in Nederland was, niet in eigen onderhoud voorzag en door referente financieel werd ondersteund. Referente heeft weliswaar in 2016 vrijwillig voor haar relatie in Nederland gekozen maar zij heeft ook verklaard dat zij haar dochters wilde laten overkomen maar daartoe geen toestemming kreeg en dat zij in die periode steeds met hen contact heeft gehouden. Dat de gezinsband met referente sindsdien verbroken is, alleen omdat er niet meer werd samengewoond met referente, volgt de rechtbank niet.

Zelfs als ervanuit moet worden gegaan dat de gezinsband in die periode verbroken is, is de rechtbank van oordeel dat de gezinsband in ieder geval sinds de aankomst van eiseres in Nederland op 20 april 2022 is hersteld. Niet in geschil is immers dat eiseres en [naam 1] sindsdien in gezinsverband met referente samenwonen. Ter zitting is namens minister erkend dat eiseres sinds deze aanvraagprocedure geen betaald werk heeft en door referente wordt onderhouden. Eiseres doet vrijwilligerswerk bij het Leger des Heils en ze heeft de Nederlandse taal geleerd. Ter zitting is gebleken dat referente in 2022/2023 gedurende de aanvraagprocedure voor toetsing aan het EU-recht een paar maanden bij [bedrijf] heeft gewerkt, waar referente sinds 2019 fulltime werkt, om het gezin financieel te ondersteunen. Voor zover er überhaupt gezegd kan worden dat eiseres daarmee in die periode enige stappen naar zelfstandigheid heeft gezet, zijn die stappen gering en van korte duur geweest. De conclusie is dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eiseres niet aan het jongvolwassenenbeleid voldoet. Het voorgaande leidt tot het oordeel dat tussen eiseres en referente sprake is van een gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM. De beroepsgrond slaagt.

Heeft de minister een faire balance gemaakt tussen de belangen van eiseres om gezinsleven met [naam 1] voort te zetten en het belang van de Nederlandse Staat?

6. Eiseres voert aan dat de minister in de belangenafweging ten onrechte niet kenbaar heeft betrokken dat [naam 1] minderjarig is en dat een scheiding van eiseres een zeer grote impact zal hebben op haar welzijn en haar ontwikkeling. Eiseres en [naam 1] wonen nu ruim vier jaar in gezinsverband samen met referente. De minister gaat ervan uit dat [naam 1] samen met eiseres kan terugkeren naar Cuba om daar familieleven uit te oefenen, terwijl de minister [naam 1] een verblijfsvergunning heeft verleend om in Nederland bij referente te verblijven. Daarmee zou haar verblijfsvergunning zinledig worden, en zou zij weer gescheiden worden van haar moeder.

De minister heeft hechte persoonlijke banden aangenomen tussen eiseres en [naam 1] maar de belangenafweging niet in hun voordeel laten uitvallen. Daarbij heeft de minister betrokken dat eiseres familieleven met [naam 1] is gaan uitoefenen in Nederland zonder dat zij een verblijfsvergunning had. Verder heeft eiseres niet met objectieve en verifieerbare bewijsstukken onderbouwd dat haar vertrek naar Cuba een grote impact op het welzijn en de ontwikkeling van [naam 1] zal hebben. Volgens de minister zijn kinderen op de leeftijd van [naam 1] druk bezig met hun eigen ontwikkeling als persoon en hoe ze omgaan met anderen. Ter aanvulling hierop merkt de minister in het verweerschrift dat referente tijdens de hoorzitting heeft verklaard dat eiseres en [naam 1] totaal verschillend zijn, dat ze niet veel samen doen en dat ze verschillende interesses hebben. Dit wijst volgens de minister er niet op dat het vertrek van eiseres naar Cuba een grote impact op het welzijn en de ontwikkeling van [naam 1] zal hebben. De uitspraak waar eiseres naar verwijst is niet vergelijkbaar met de situatie van eiseres en [naam 1]. Het staat [naam 1] vrij om met referente in Nederland te blijven wonen of (met referente) eiseres te volgen naar Cuba. Er zijn geen objectieve belemmeringen voor eiseres om het familieleven met [naam 1] (en referente) in Cuba voort te zetten.

De rechtbank is met eiseres van oordeel dat de minister in zijn besluitvorming de belangen van [naam 1] als minderjarig kind van het gezin niet kenbaar heeft vooropgesteld. De minister heeft [naam 1] niet uitgenodigd voor een hoorzitting en heeft haar belangen onvoldoende geïnventariseerd. De verklaringen van referente die de minister in het verweerschrift aanhaalt, over dat eiseres en [naam 1] verschillend zijn en niet veel samen doen, zijn uit hun verband getrokken en zeggen niets over het effect van het bestreden besluit op het welzijn en de ontwikkeling van [naam 1]. Daar is geen onderzoek naar verricht.

Tijdens het kindgesprek heeft [naam 1] verklaard dat zij in Cuba met referente, eiseres en hun oma woonde, totdat referente naar Nederland vertrok. Toen moest [naam 1] bij haar vader gaan wonen en eiseres bij haar vader. In die periode heeft eiseres zich over [naam 1] ontfermd en daarbij de moederrol op zich genomen. Eiseres en [naam 1] hadden in die periode dagelijks telefonisch contact met elkaar en in de weekenden reisde eiseres naar [naam 1] en verbleef bij haar. Sinds zij samen met referente in Nederland wonen, eten ze dagelijks samen en kijken zij samen naar films en series. [naam 1] heeft verklaard dat zij een hechte band heeft met eiseres en referente, dat zij verdrietig is dat zij zelf in Nederland mag blijven en eiseres niet, dat zij dat oneerlijk vindt, daar nare dromen van heeft en zich erg zorgen maakt over de toekomst. [naam 1] heeft verklaard dat zij en eiseres allebei geen toekomst in Cuba hebben en graag bij referente in Nederland willen blijven. Zij praat over haar zorgen en gevoelens met eiseres en referente.

De minister heeft in de belangenafweging niet kenbaar betrokken dat door eiseres geen verblijfsvergunning te verlenen [naam 1] of van referente gescheiden zal worden of van eiseres die in de periode van 2016 tot 2022 als moederfiguur in haar leven fungeerde. Dat dit een negatieve impact zal hebben op het welzijn en de ontwikkeling van [naam 1] acht de rechtbank niet onaannemelijk. Dit dient nog nader te worden onderzocht en bij de belangenafweging betrokken. De beroepsgrond slaagt.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel en de motiveringsbeginsel. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing over de aanvraag te nemen. Dit omdat de minister nader onderzoek moet doen en een nieuwe belangenafweging moet maken voor het hele gezin. Daarbij dient de minister eveneens te betrekken dat referente en [naam 1] inmiddels de Nederlandse nationaliteit hebben en eiseres sinds 2022 een privéleven in Nederland heeft opgebouwd en een relatie heeft met de heer [naam 2].

8. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat de minister een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor acht weken.

9. Nu in de hoofdzaak wordt beslist, is er geen reden om een voorlopige voorziening te treffen. De rechtbank wijst daarom het verzoek af.

10. Omdat het beroep gegrond is krijgt eiseres een vergoeding van haar proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 2.802,- omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift en een verzoekschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank in de zaak met nummer NL25.14733:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het besluit van 27 februari 2025;

- draagt de minister op binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak.

De voorzieningenrechter, in de zaak met nummer NL24.15467:

- wijst het verzoek af.

De rechtbank/voorzieningenrechter in beide zaken:

- veroordeelt de minister tot betaling van € 2.802,- aan proceskosten aan eiseres.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.H.W. Franssen, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Pirs, griffier.

Beste [naam 1],

Alweer even geleden hebben wij met elkaar gepraat op de rechtbank over de rechtszaak van je zus [eiseres]. Je hebt mij toen verteld dat je vroeger in Cuba met je moeder en zus woonde. Toen je moeder naar Nederland ging, ging jij bij je vader wonen en [eiseres] bij haar vader. Jullie belden dagelijks met elkaar en [eiseres] kwam jou in de weekenden opzoeken. In 2022 zijn jij en [eiseres] naar Nederland naar je moeder gekomen. Jullie wonen met z’n drieën in [woonplaats]. Je vertelde het fijn te vinden om weer bij elkaar te kunnen wonen en dat dat jullie droom was. Het voelt oneerlijk dat jij wel in Nederland mag blijven en [eiseres] niet. Dat doet je verdriet en je maakt je zorgen. Voor jou en [eiseres] is geen toekomst in Cuba. Jullie zijn hecht met zijn drieën en je kan met je zus en moeder over deze gevoelens praten.

Op dezelfde dag was de zitting over de zaak van je zus. Daar was jij ook bij. We hebben afgesproken dat ik jou zou laten weten wat mijn beslissing is. Daarom schrijf ik je nu deze brief.

Mijn beslissing is dat ik vind dat de minister zijn werk niet goed heeft gedaan. Ik vind dat de minister niet kon zeggen dat [eiseres] voor zichzelf kan zorgen en jouw moeder niet meer nodig heeft. Ook vind ik dat de minister niet goed heeft gekeken wat het voor jou zal betekenen als [eiseres] niet in Nederland kan blijven en jullie weer gescheiden worden. Dat betekent dat [eiseres] nu gelijk krijgt en dat de beslissing van de minister niet goed was.

Mijn beslissing betekent niet dat [eiseres] een vergunning krijgt en hier kan blijven. De minister moet van mij opnieuw naar jullie zaak kijken en opnieuw beslissen. Ik heb de minister gezegd dat hij daar acht weken over mag doen. Dit betekent dus helaas dat jullie langer moeten wachten op duidelijkheid of [eiseres] in Nederland mag blijven.

Ik moet je ook nog vertellen dat het kan zijn dat de minister het niet eens is met mijn beslissing. Hij kan dan ‘in hoger beroep’ gaan. Dat betekent dat hij dan aan hogere rechters vraagt of mijn beslissing juist is. Als de minister niet ‘in hoger beroep’ gaat dan is mijn beslissing definitief en moet de minister mijn opdracht uitvoeren en een nieuwe beslissing nemen.

Ik hoop dat het voor jou zo duidelijk is wat ik heb beslist. Ik vind het knap dat je bent langsgekomen en mij hebt verteld wat jij ervan vindt. Ik wens je het beste toe en hoop dat je blijft genieten van films, series en muziek.

Groetjes,

De rechter: mr. M.H.W. Franssen

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand