RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.46379
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. J.E. Groenenberg),
en
Procesverloop
Verweerder heeft op 15 april 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd.
De rechtbank heeft het vooronderzoek op 18 augustus 2026 gesloten en bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft.
Overwegingen
Toetsingskader
1. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 26 juni 2026 (in de zaak NL26.33065) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek op 19 juni 2026. De in deze uitspraak te toetsen periode loopt dus van 19 juni 2026 tot 18 augustus 2026.
Beroepsgronden en beoordeling
2. De rechtbank stelt vast dat eiser niet heeft gereageerd op de voortgangsrapportage. In het eerdere beroepschrift heeft eiser volstaan met de enkele stelling dat verweerder onvoldoende voortvarend handelt en er geen sprake is van zicht op uitzetting.
In het licht van de stukken in het dossier (voortgangsrapportage), kan de rechtbank deze blote stellingen niet volgen. Uit de voortgangsrapportage blijkt immers dat de Algerijnse autoriteiten de nationaliteit van eiser op 18 juli 2026 hebben bevestigd en er een presentatie staat gepland voor 19 augustus 2026. Niet is gebleken dat de Algerijnse autoriteiten geen laissez-passer zullen gaan afgeven of zij niet mee willen werken aan de terugkeerprocedure, zodat sprake is van zicht op uitzetting binnen redelijke termijn. Daarnaast blijkt dat er zeer regelmatig vertrekgesprekken zijn gevoerd (namelijk op 10 juli 2026, 22 juli 2026, 24 juli 2026 en 13 augustus 2026), zodat voldoende voortvarend is gehandeld.
Ambtshalve toetsing
3. De rechtbank overweegt tot slot dat zij, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858, gehouden is ambtshalve de rechtmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring te toetsen. Ook met inachtneming van deze ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat het voortduren van de maatregel van bewaring sinds 19 juni 2026 tot het moment van sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was. Er is ook niet gebleken dat het familie- en gezinsleven van eiser of het beginsel van non-refoulement zich verzetten tegen eisers verwijdering (zoals bedoeld in het arrest Adrar van het Hof van 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647).
Gevolgen en conclusie
4. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M.J. Adriaansen, rechter, in aanwezigheid van mr. N. Felić, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.