RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.49488
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. A.W.J. van der Meer),
en
(gemachtigde: mr. S.J. Versteeg).
Procesverloop
Bij besluit van 26 augustus 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Verweerder heeft de rechtbank hiervan in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 1 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, de heer K. Ghanmi als tolk en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling door de rechtbank
Proces-verbaal van binnentreden woning
1. Eiser stelt dat het proces-verbaal van binnentreding woning ([kenmerk]) onmogelijk juist kan zijn. Er staat namelijk in dat er op 26 augustus 2026 om 6:43 uur is binnengetreden in eisers woning (kamer) en dat de woning om 7:22 uur is verlaten. Uit het dossier blijkt echter ook dat de piketmelding om 7.14 uur is verzonden. Volgens eiser valt niet in te zien hoe dit tegelijkertijd mogelijk is.
De rechtbank ziet in wat eiser heeft aangevoerd geen grond voor het oordeel dat het, op ambtsbelofte opgemaakte, proces-verbaal van de binnentreding onjuist is. Het gaat hier om een geplande inbewaringstelling. Mede gelet hierop valt niet in te zien waarom het niet zou kunnen dat de piketmelding door een ambtenaar op kantoor wordt gedaan op een moment dat binnentreding nog gaande is (maar de staandehouding (om 6.46 uur) wel al heeft plaatsgevonden). De onder 1. weergegeven beroepsgrond slaagt niet.
Bewaringsgronden
2. In de maatregel van vreemdelingenbewaring staat dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Asiel- en migratiebeheerverordening en een onderduikrisico bestaat. In de maatregel heeft verweerder, met toepassing van artikel 5.6, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb), als gronden vermeld dat eiser:
a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;d. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat;k. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en geen medewerking verleent aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is op grond van de Asiel- en migratiebeheerverordening;p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
Verweerder heeft ter zitting grond p laten vallen.
Eiser betwist de gronden d en k.
De rechtbank stelt vast dat eiser de gronden a, r en s, en de daarop gegeven toelichtingen, niet heeft betwist. Deze onbestreden gronden en de daarop gegeven toelichtingen, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, kunnen, in onderling verband en samenhang bezien, de maatregel van bewaring al dragen. Er volgt namelijk uit dat er een onderduikrisico bestaat. Gelet hierop behoeven de betwiste gronden d en k geen inhoudelijke bespreking. De beroepsgrond slaagt niet.
Zicht op overdracht
3. Eiser voert aan dat het onduidelijk is of eiser wel zal worden toegelaten tot Oostenrijk.
De rechtbank begrijpt dat eiser hiermee betoogt dat onduidelijk is of er zicht op overdracht aan Oostenrijk bestaat. De rechtbank volgt dit betoog niet. Nederland heeft op 12 december 2025 een terugnameverzoek op grond van de Dublinverordening ingediend bij Oostenrijk en Oostenrijk heeft dit terugnameverzoek op 16 december 2025 geaccepteerd. Daarmee is er een claimakkoord tot stand gekomen. Verder heeft Nederland, wegens het onderduiken van eiser, de overdrachtstermijn verlengd met twaalf maanden, waardoor de uiterlijke overdrachtsdatum 12 juni 2027 is geworden.
Nu er dus een claimakkoord met Oostenrijk ligt en de overdrachtstermijn nog loopt, gaat verweerder er terecht vanuit dat eiser kan worden overgedragen aan Oostenrijk en dat Oostenrijk hem zal toelaten. Hierbij komt nog dat de feitelijke overdracht van eiser aan Oostenrijk staat gepland op 4 september 2026 en dat uit een door verweerder op zitting getoond document blijkt dat de Oostenrijkse autoriteiten op 31 augustus 2026 de feitelijke overdracht hebben bevestigd.
Uit het voorgaande volgt dat er een concreet zicht op overdracht aan Oostenrijk bestaat. Er bestaat verder ook geen grond voor het oordeel dat verweerder in dit traject niet voldoende voortvarend heeft gehandeld. De onder 3. weergegeven beroepsgrond slaagt niet.
Slotsom beroepsgronden
4. Uit het voorgaande volgt dat de beroepsgronden van eiser niet leiden tot het oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
Ambtshalve toetsing
5. Ook los van de door eiser aangevoerde beroepsgronden, ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F.A. Groeneveld, rechter, in aanwezigheid van mr. N. Felić, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.