[naam], eiser.
V-nummer: [v-nummer:],
(gemachtigde: mr. A. Jhingoer),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister.
Inleiding
1. De minister heeft op 24 april 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en heeft het onderzoek op 8 september 2026 gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 8 juli 2026 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom staat nu alleen ter beoordeling of de maatregel van bewaring rechtmatig is sinds het sluiten van dat onderzoek op 7 juli 2026.
3. Als de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
Wat vindt eiser?
4. Eiser betoogt dat de voortduring van de maatregel onrechtmatig is. Hiertoe voert eiser aan dat geen sprake meer is van een reëel zicht op uitzetting naar Marokko. Volgens eiser beschikken de Marokkaanse autoriteiten al geruime tijd over een kopie van zijn paspoort en identiteitskaart en zijn zij ervan op de hoogte dat eiser naar Marokko wil terugkeren. Daarnaast heeft een telefonische presentatie met de Marokkaanse autoriteiten plaatsgevonden, zoals blijkt uit het vertrekgesprek van 17 juli 2026. Desondanks is tot op heden geen laisser-passer afgegeven. Eiser wijst er daarnaast op dat uit het vertrekgesprek van 17 augustus 2026 blijkt dat de regievoerder rekening houdt met de mogelijkheid dat tijdens de bewaring geen laisser-passer zal worden afgegeven. Volgens eiser volgt hieruit dat ook de minister niet langer uitgaat van de afgifte van een laisser-passer. Eiser voert verder aan dat hij in vrijheid zelf een reisdocument kan aanvragen, dat mogelijk sneller wordt verstrekt omdat dan geen sprake is van gedwongen vertrek. Volgens eiser moet hem, gelet op zijn oprechte wens om terug te keren, het voordeel van de twijfel worden gegeven.
Oordeel van de rechtbank
5. De rechtbank is van oordeel dat nog steeds zicht op uitzetting naar Marokko bestaat. De rechtbank verwijst naar de uitspraak van de Afdeling van 27 januari 2025. Daarin heeft de Afdeling geoordeeld dat zicht op uitzetting naar Marokko in het algemeen niet ontbreekt. De rechtbank ziet geen aanleiding om in het geval van eiser tot een ander oordeel te komen. Dat na de telefonische presentatie nog geen reactie van de Marokkaanse autoriteiten is gegeven en de regievoerder eiser adviseert rekening te houden met de mogelijkheid dat tijdens zijn bewaring geen lp zal worden afgegeven, maakt niet dat kan worden geconcludeerd dat geen lp meer zal worden afgegeven. De lp-aanvraag is nog steeds in behandeling en niet is gebleken dat de Marokkaanse autoriteiten hebben aangegeven eiser niet te kennen of geen lp zullen verstrekken. Uit het vertrekgesprek van 17 juli 2026 blijkt bovendien dat de vertegenwoordiging van de Marokkaanse autoriteiten telefonisch heeft gesproken en heeft bevestigd dat zij zal nagaan wat zij voor eiser kan betekenen. Hieruit blijkt van de bereidheid tot medewerking aan de zijde van de Marokkaanse autoriteiten.
Voor zover eiser meent dat met een lichter middel kan worden volstaan, overweegt de rechtbank dat zij in haar uitspraak van 12 mei 2026 al heeft geoordeeld dat het toepassen van een lichter middel niet volstaat om de uitzetting van eiser te verzekeren. De rechtbank ziet in hetgeen eiser aanvoert geen aanleiding om aan te nemen dat een lichter middel nu wel zou kunnen volstaan of dat de voortduring van de bewaring onevenredig of anderszins niet langer gerechtvaardigd is. Dat eiser stelt bereid te zijn om zelf naar Marokko terug te keren, is hiervoor onvoldoende.
De rechtbank ziet ook voor het overige geen grond voor het oordeel dat de
maatregel van bewaring in de periode tussen het sluiten van het vorige onderzoek en het sluiten van het onderhavige onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank
Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Tesfai, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.