ECLI:NL:RBDHA:2026:26430

ECLI:NL:RBDHA:2026:26430

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 11-09-2026
Datum publicatie 11-09-2026
Zaaknummer NL26.50826
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Groningen

Samenvatting

Bewaring; volgberoep.

Uitspraak

[naam], eiser,

V-nummer: [v-nummer:],

(gemachtigde: mr. E. El Assrouti),

en

de minister van Asiel en Migratie, de minister.

Inleiding

1. De minister heeft op 26 juli 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vw opgelegd.

Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.

De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd. De minister heeft op verzoek van de rechtbank op 9 september 2026 een verweerschrift ingediend.

De minister heeft de maategel op 12 augustus 2026 opgeheven.

De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en heeft het onderzoek op 10 september 2026 gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al tweemaal eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 5 augustus 2026 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom staat nu alleen ter beoordeling of de maatregel van bewaring rechtmatig is sinds het sluiten van dat onderzoek op 31 juli 2026.

3. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest.

Wat vindt eiser?

4. Eiser voert aan dat de minister onvoldoende voortvarend heeft gehandeld bij zijn overdracht aan Duitsland. Het claimverzoek aan Duitsland is op 27 juli 2026 verzonden en op 28 juli 2026 geaccepteerd, terwijl de overdracht op 12 augustus 2026 heeft plaatsgevonden. Volgens eiser had de overdracht eerder kunnen plaatsvinden en heeft hij hierdoor onnodig langer in bewaring verbleven. Hij stelt dat de voortduring van de maatregel om die reden onrechtmatig is. Daarnaast voert eiser aan dat geen zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn bestond.

Wat is het standpunt van de minister?

5. De minister stelt zich op het standpunt dat voldoende voortvarend is gehandeld bij de overdracht aan Duitsland. Eiser heeft op 29 juli 2026 het overdrachtsbesluit ontvangen en had op grond van artikel 69, zevende lid, van de Vw één week de tijd om beroep en een verzoek om voorlopige voorziening in te dienen. Op 5 augustus 2026 is nagegaan of eiser van deze mogelijkheid gebruik had gemaakt. Vervolgens is de overdracht voor 12 augustus 2026 gepland. Hoewel eiser op 7 augustus 2026 alsnog een verzoek om voorlopige voorziening heeft ingediend, is dit verzoek op 10 augustus 2026 ingetrokken. Vervolgens heeft de minister eiser op 12 augustus 2026 aan Duitsland overgedragen. Volgens de minister valt niet in te zien dat eiser eerder had kunnen worden overgedragen, nu eiser op 7 augustus 2026 nog heeft geprobeerd de overdracht te voorkomen.

Oordeel van de rechtbank

6. De rechtbank volgt de minister in zijn standpunt dat voldoende voortvarend aan de overdracht van eiser is gewerkt. De minister heeft toegelicht waarom de overdracht, ondanks het claimakkoord van 28 juli 2026, op 12 augustus 2026 heeft plaatsgevonden. Deze toelichting acht de rechtbank toereikend. Daarnaast heeft de minister op 5 augustus 2026 nog een vertrekgesprek met eiser gevoerd. De rechtbank acht deze gang van zaken voldoende voortvarend.

De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat het zicht op uitzetting op enig moment ontbrak. Eiser is op 12 augustus 2026 daadwerkelijk aan Duitsland overgedragen.

De rechtbank ziet ook voor het overige geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring in de periode tussen het sluiten van het vorige onderzoek en de opheffing van de maatregel onrechtmatig was.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Tesfai, rechter, in aanwezigheid van mr. N. Wetterauw, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.

De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. R. Tesfai

Griffier

  • mr. N. Wetterauw

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand