Rechtbank DEN HAAG
Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummers: 09/140786-26, 09/140785-22 (tul), 09/233662-23 (tul), 09/096515-26 en 09/300800-24
Datum uitspraak: 1 september 2026
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum 1] 2004 te [geboorteplaats] ,
BRP-adres: [adres 1] , [postcode 1] te [woonplaats] .
1. Het onderzoek ter terechtzitting
Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 18 augustus 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. T. Berger en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. R.V. Paniagua naar voren is gebracht.
2. De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
Ten aanzien van parketnummer 09/140786-26 (dagvaarding I):
1hij op of omstreeks 16 mei 2026 te 's-Gravenhage een mobiele telefoon (Iphone), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [aangeefster 1] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
2hij op of omstreeks 16 mei 2026 te 's-Gravenhage, althans in Nederland, [aangeefster 1] heeft mishandeld, door die [aangeefster 1] met zijn (verdachtes) vuisten meermaals, althans eenmaal, in haar gezicht heeft geslagen en/of met zijn (verdachtes) elleboog een stoot en/of klap tegen het gezicht van die [aangeefster 1] heeft gegeven.
3hij op of omstreeks 16 mei 2026 te 's-Gravenhage als bestuurder van een motorrijtuig(personenauto, kenteken [kenteken] ) heeft gereden op de weg, te weten de [straatnaam 2] en/of de [straatnaam 4] , zonder dat aan hem door de daartoe bevoegde autoriteit, als bedoeld in artikel 116 lid 1 van de Wegenverkeerswet 1994 een rijbewijs was afgegeven voor de categorie van motorrijtuigen, waartoe dat motorrijtuig behoorde;
De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;
Ten aanzien van parketnummer 09/096515-26 (dagvaarding II):
hij op of omstreeks 30 maart 2026 te Wateringen tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om in een woning en/of op een besloten erf waarop een woning stond, gelegen aan de [adres 2] te Wateringen, alwaar verdachte en/of zijn mededader(s) zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond(en), een of meer goederen die geheel of ten dele aan [aangever] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) weg te nemen met het oogmerk om het zichwederrechtelijk toe te eigenen en zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn/hun bereik te brengen door middel van braak en/of verbreking met een koevoet en/of een ander voorwerp heeft geprobeerd een raam van die woning te forceren terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
Ten aanzien van parketnummer 09/300800-24 (dagvaarding III):
1hij op of omstreeks 15 april 2023 te ’s-Gravenhage tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (gouden) sieraden en/of gouden munten, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [aangeefster 2] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zichwederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich detoegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat/die weg tenemen goederen onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel vaneen valse sleutel, door de reservesleutel van de voornoemde persoon te gebruiken om haar woning binnen te komen;
2hij in of omstreeks periode tussen 1 juli 2022 tot 1 juli 2023 te ’s-Gravenhage tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, 3856 euro, althans een geldbedrag, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [aangeefster 3] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat/die weg te nemen geld onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van een valse sleutel, door vanaf de rekening van die [aangeefster 3] een of meerdere geldbedragen op zijn bankrekening en/of een andere bankrekening te storten;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zoukunnen leiden:
hij in of omstreeks periode tussen 1 juli 2022 tot 1 juli 2023, te 's-Gravenhagetezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen 3176 euro, althans een geldbedrag of meer voorwerpen
Sub a- de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of heeft verhuld, dan wel- heeft verborgen en/of heeft verhuld wie de rechthebbende(n) op dat /die voorwerp(en) was/waren, en/of- heeft verborgen en/of heeft verhuld wie dat/die voorwerp(en) voorhanden had(den)
Sub b- heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen, heeft omgezet,en/of- gebruik heeft gemaaktterwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) wist(en) dat dat/die voorwerp(en) -onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf.
3. De bewijsbeslissing
Opgave van bewijsmiddelen
Ten aanzien van dagvaarding I:
De rechtbank zal voor de feiten 1 tot en met 3 van dagvaarding I met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering volstaan. De verdachte heeft deze bewezen verklaarde feiten namelijk grotendeels bekend. Daarnaast heeft de raadsman geen vrijspraak bepleit. De officier van justitie heeft met betrekking tot deze feiten eveneens gerekwireerd tot bewezenverklaring.
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2026171743, van de politie eenheid Den Haag, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 44).
De rechtbank gebruikt de volgende bewijsmiddelen:
Ten aanzien van de feiten 1 en 2:
1. De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 18 augustus 2026.
2. Het proces-verbaal van aangifte van [aangeefster 1] , opgemaakt op 16 mei 2026 (p. 5-7).
3. Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] , opgemaakt op 16 mei 2026 (p. 8-9).
4. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 16 mei 2026 (p. 10-18).
5. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 17 mei 2026 (p. 19-24).
Ten aanzien van feit 3:
1. De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 18 augustus 2026.
2. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 16 mei 2026 (p. 10-18).
Ten aanzien van dagvaardingen II en III:
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het bij dagvaarding II ten laste gelegde feit en de bij dagvaarding III onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft namens de verdachte vrijspraak van het bij dagvaarding II en de bij dagvaarding III onder 1 en 2 tenlastegelegde bepleit.
Gebruikte bewijsmiddelen
Ten aanzien van dagvaarding II:
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2026108619, van de politie eenheid Den Haag, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 133).
1. Het proces-verbaal van aangifte van [aangever] opgemaakt op 30 maart 2026, voor zover inhoudende (p. 10-11):
Op 29 maart 2026 bevond ik mij in mijn woning aan de [adres 2] te Wateringen. Op 30 maart 2026 werd ik gewekt door politieagenten. Ik hoorde dat zij verklaarden dat er bij mijn woning een poging tot woninginbraak had plaatsgevonden. Ik zag dat er braakschade was aan de buitenzijde van het keukenraam. Ik zag dat het kozijn en de raamlijst van het keukenraam waren beschadigd.
2. Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] , opgemaakt op 30 maart 2026, voor zover inhoudende (p. 12-13):
Op 30 maart 2026 lag ik wakker op bed en hoorde iets vallen. Dit klonk alsof iets van ijzer op de grond viel. Ik liep naar beneden om te kijken. Aan de achterzijde van mijn woning zag ik wat schimmen in de poort. Ik hoorde weer een klap. Een halve
minuut later hoorde ik weer een klap. Ik liep naar buiten. Op dat moment zag ik dat er twee schimmen bij de [adres 2] stonden. Ik ging direct naar binnen en
rende naar boven en pakte zicht op de woning van de [adres 2] . Toen zag ik dat er twee personen bij het keukenraam van [adres 2] stonden en dat ze meerdere
keren heen en weer liepen. Ik pakte mijn telefoon en filmde de twee personen. Ik zag niet dat de personen naar binnen waren. Ik zag enkel dat de personen buiten
stonden.
3. Het proces-verbaal van aanhouding verdachte [verdachte] , opgemaakt op 30 maart 2026, voor zover inhoudende (p. 16-18):
Op 30 maart 2026 bevonden wij ons op de Erasmusweg te Den Haag. Wij hoorden dat een andere eenheid van de dienstdoende centralist van de politiemeldkamer van de Eenheid Den Haag, de opdracht kreeg om te gaan naar de [adres 2] te
Wateringen. Inmiddels waren wij ter plaatse gekomen en hoorden wij op
dat moment dat de verdachten de woning hadden verlaten en richting de [straatnaam 1] waren weggelopen. Collega [naam 1] heeft direct zijn diensthond uit de auto gehaald en zijn hierop samen in de richting van de [straatnaam 1] gelopen. Ter hoogte van [adres 3] , werd de eerste verdachte aangehouden. Ik zag en hoorde dat collega [naam 1] zijn diensthond de opdracht gaf om te gaan zoeken. Na enige tijd
zoeken, maakte de diensthond een melding van een spoor bij de tuin van [adres 4] . Wij zagen dat de diensthond ons de tuin introk en de hond hier veel lucht had. Na een aantal minuten in de tuin gezocht te hebben, hoorde ik ineens een stem. Deze stem kwam vanuit de tuin van [adres 3] . Ik hoorde; Ik zit hier en geef mij over, ik doe niks, alstublieft ik geef mij over". Ik zag dat de verdachte vervolgens over de schutting klom en in de tuin belande waar wij stonden. Hierop heb ik de
verdachte aangehouden.
4. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 30 maart 2026, voor zover inhoudende (p. 36-37), inclusief afbeeldingen (p. 119-120):
Door getuige [getuige 2] zijn beelden aangeleverd van de woning aan de [adres 2] in Wateringen. Ik zag dat om 0:09 het beeld verder werd ingezoomd op de hoekwoning. Ik zag voor het raam op de begane grond zwarte gedaantes bewegen. Ik hoorde de meldster en de getuige met elkaar fluisteren. Ik zag om 0:24 een
gedaante om het raam op de begane grond heen bewegen. Ik zag om 0:29 dat het gaat om een persoon gekleed in zwart. Ik zag dat de persoon een donkere broek aan had met een witte streep op de zijkant. Ik zag dat naast de persoon gekleed in zwart zich een gedaante bewoog voor het raam op de begane grond. Ik zag om 0:45 dat de persoon gekleed in zwart zich omdraait in de richting van de camera. Ik zag dat de persoon een capuchon op had. Ik zag dat de persoon zijn hoofd opzij draaide. Ik zag dat de persoon een blanke tot licht getinte huidskleur had. Ik zag om 0:48 dat de persoon uit beeld verdween achter het lage dak rechts in beeld. Ik las in proces-verbaal 202610861917 dat verdachte [medeverdachte 1] een zwarte trainingsbroek aan had met een dikke witte streep op de zijkant. Ik zag dat de witte streep vergelijkbaar is met de witte streep die te zien is op de broek van de persoon op de camerabeelden.
5. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 30 maart 2026, voor zover inhoudende (p. 61-62):
Bestandsnaam: [adres 5] voor de inbraak
Tijd en datum: 22:12 29-03-2026
Op de beelden zijn 2 personen te zien. Deze personen zijn in het donker gekleed. Een van de twee personen lijkt een pet op te hebben onder zijn capuchon. De persoon die vooroploopt lijkt groter te zijn als de persoon die erachter loopt. De persoon die achterloopt heeft mogelijk een jas aan van een gladden stof, dit lijkt doordat het licht op de achterkant van de jas weerkaatst.
Bestandsnaam: [adres 6]
Tijd en datum: 23:16 29-03-2026
Er zijn meerdere fragmenten opgenomen waarop er personen langs komen. Op de beelden zijn 2 personen te zien die voorbijlopen. 1 van de 2 personen heeft een jas aan die in verschillende vakken is in gedeeld het rug vlak is van een glimmende stof en de mouwen en schouder zijn van een matte stof.
Zie bijlage: Foto 2 [adres 6]
Bestandnaam: [adres 7]
Datum: 29-03-2026
Tijd: 00:10:30
In dit fragment zijn weer 2 personen te zien, waarvan 1 met de jas die ik hierboven
beschreef. De andere heeft een puffer jas aan zonder reflectie en heeft zijn capuchon
op. De persoon die achteraanloopt heeft een witte streep aan de zijkant van zijn
broek, die opvalt.
Zie bijlage: Foto 4 [adres 7]
Bestandsnaam: [adres 4] camerabeelden
Tijd en datum 23:31+1 29-03-2026
Op de beelden is 1 persoon te zien, die voorbij rent. Deze persoon is in het donker
gekleed en heeft een capuchon op. De persoon heeft schoenen aan met daarop
reflecterende stukken. Na dat de persoon voorbij rent, zijn er meerdere lampen aan
de linkerkant van het beeld te zien.
6. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 30 maart 2026, voor zover inhoudende (p. 63-65), inclusief afbeeldingen (p. 112-118):
Op 30 maart 2026 was ik belast met het uitkijken van de camerabeelden aangeleverd door [adres 8] .
[adres 8] origineel-11
Op de beelden zijn de 2 personen die eerder bij het hek te zien waren zichtbaar.
Persoon 2 staat in eerste instantie bij het hek. De persoon 1 staat tegen het raam
aan van de woning aan de [adres 2] . Vervolgens komt ook persoon 2 aangelopen en lijkt het erop als of er iets wordt aangegeven aan persoon 1. Persoon 2 loopt direct hierna weer weg richting het hek. Persoon 1 lijkt vervolgens met kracht ergens druk op uit te oefenen in de gevel.
[adres 8] origineel-07
Op de beelden zijn 2 personen te zien die eerder bij het hek te zien waren. Ze komen
aan lopen vanaf de rechterkant. Waarbij ze richting het hek lopen tegenover de woning aan de [adres 2] . Persoon 1 blijft vervolgens bij het hek staan, terwijl hij iets aan het roken is. Persoon 2 loopt naar de woning waarbij hij in de voortuin gaat zitten vlak bij de gevel en op zijn knieën gaat zitten. Het lijkt als of hij met een lampje schijnt. Hierna loopt persoon 2 weer richting persoon 1. Hij loopt vlak voor de woning weg en maakt een hoofd beweging richting persoon 2. Persoon 2 loopt ook richting persoon 1 en ze lopen samen aan de rechterkant het beeld uit.
Zie bijlage: foto 9 [adres 8] origineel-07
[adres 8] origineel-10
Op de beelden zijn dezelfde 2 personen te zien, persoon 1 staat dit keer in de tuin
tegen de gevel aan van de woning aan de [adres 2] . Het lijkt er op dat hij met
kracht iets probeert te forceren bij de woning. Persoon 2 staat nu bij het hek en
loopt tussendoor even heen en weer naar persoon 1.
7. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 30 maart 2026, voor zover inhoudende (p. 66-67), inclusief afbeeldingen (p. 74-85, p. 106-111):
Ik zag op de camerabeelden met bestandsnaam: [adres 8] origineel-07 Origineel dat de verdachte kenmerkende reflecterende schoenen aan hadden. Ik heb hier nader onderzoek naar gedaan en ik heb de schoenen van de verdachte met flits gefotografeerd op bureau Delft. Ik zag dat de reflecterende banen op de schoenen van de verdachte [medeverdachte 1] en [verdachte] het zelfde reflecterende beeld gaven en het zelfde waren op de foto's, als die te zien waren op de camerabeelden.
8. Het geschrift, te weten afbeeldingen (kleding verdachten [medeverdachte 1] en [verdachte] ) (p. 90-98).
9. Het geschrift te weten afbeeldingen (afdrukken op glas en braakschade raam [adres 2] te Wateringen) (p. 99-102).
Ten aanzien van dagvaarding III
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2026108619, van de politie eenheid Den Haag, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 133).
Ten aanzien van feit 1:
1. Het proces-verbaal van aangifte van [aangeefster 2] , opgemaakt op 15 april 2023, voor zover inhoudende (p. 10-13):
Ik doe aangifte van diefstal uit mijn woning op 15 april 2023. Ik woon aan de [adres 9] te 's-Gravenhage. Vanuit de deuropening van de hal naar de
woonkamer gezien, bevindt zich links achterin de woonkamer een voorraadkast. In deze voorraadkast lag een zwart tasje van stof. De tas was geheel van stof gemaakt en had twee handvaten. De tas had geen rits of andere manier van afsluiting. In de tas zat een transparant, plastic zakje. In deze plastic zak zaten verschillende gouden voorwerpen die ik van mijn moeder had gekregen. Ik omschrijf de goederen als volgt:
- acht gouden armbanden;
- één gouden armband met drie blauwe stenen;
- twee sierringen met blauwe en witte stenen;
- twee gouden oorbellen met blauwe stenen;
- 10 kleine gouden munten;
- 5 gouden munten aan een zwarte ketting;
- één 18k gouden ketting.
De exacte waarde van deze voorwerpen is mij niet bekend.
Ook zat in de zwarte tas een papieren zakje met een Dior opdruk met daarin goud van mijzelf. In dit zakje zaten de volgende voorwerpen:
- zeven gouden munten ter waarde van ongeveer 1000,- per stuk;
- twee kleine, gouden munten van ongeveer 100,- euro per stuk;
- acht gouden armbanden zonder gravering;
- één dikke gouden armband van ongeveer 1500,- euro per stuk;
- één gouden schakelarmband;
- twee gouden kettingen.
Ook zaten er voorwerpen van mijn nichtje in de zwarte tas. Ik omschrijf deze goederen als volgt:
- drie gouden muntjes in een plastic buisje ter waarde van ongeveer 400,- per stuk.
Nogmaals de exacte waarde van alle weggenomen goederen is mij niet bekend, maar ik denk minimaal wel 15000,- euro.
Diezelfde dag ben ik thuisgekomen. Toen ik de voordeur met de sleutel opendeed, merkte ik dat de voordeur niet op slot zat. Dit vond ik vreemd, want ik doe namelijk altijd de voordeur op slot. Toen ik mijn woning in liep, viel mij op dat voor de deur van de voorraadkast in de woonkamer een paar kruimels lagen. Ik wist zeker dat deze daar eerder niet lagen. Ook waren er krassen op het laminaat voor de deur van de voorraadkast te zien. Dit was eerder ook niet zo. Direct hierna heb ik in de voorraadkast gekeken of mijn waardevolle spullen daar nog lagen. Ik zag
dat de zwarte tas met alle gouden voorwerpen niet meer in de kast lagen. Hierna heb
ik in de andere kamers gekeken of er dingen ontbraken, maar er leek niets anders
weggenomen te zijn. Wel zag ik dat er in andere kasten wat spullen waren verschoven, maar niks was weggenomen.
Ik vind het erg toevallig dat deze voorwerpen zijn weggenomen, omdat ik mijn nichtje [medeverdachte 2] geboren [geboortedatum 2] 2003, gisteren heb verteld dat deze spullen daar in de voorraadkast lagen. Ook vertelde [medeverdachte 2] mij na het ontdekken van de diefstal, dat de sleutel van mijn voordeur aan mijn moeder haar sleutelbos ontbrak.
2. Het proces-verbaal van verhoor getuige [medeverdachte 2] , opgemaakt op 13 juni 2023, voor zover inhoudende (p. 14-17):
Sinds eind 2021 had ik af en aan een relatie met [verdachte] . In die periode vroeg [verdachte] mij weleens of mijn familie ook veel goud had, net zoals veel andere Turkse families. Hij zag in mijn appgeschiedenis met mijn tante, [aangeefster 2] ,
foto's van het familie goud. [verdachte] vroeg mij van wie dit was en waar het lag. Omdat ik hem vertrouwde vertelde ik hem dat het niet bij mij thuis lag, maar bij mijn tante [aangeefster 2] . In december 2022 kwam mijn familie erachter dat ik toch contact had met [verdachte] . Wanneer wij afspraken, toonde [verdachte] veel interesse in de sleutels aan mijn sleutelbos. Dit is eigenlijk de sleutelbos van mijn oma.
Op 15 april 2023 sliep ik bij mijn tante [aangeefster 2] . Die dag appte [verdachte] mij. Hij wist dat ik bij mijn tante logeerde en vroeg mij via de app of wij nog weggingen. Ik antwoordde dat ik dat niet wist en wij niet zomaar weg konden gaan vanwege mijn tante haar ziekte. Uiteindelijk ben ik die dag wel met mijn tante weggegaan om met mijn oma boodschappen te doen. Toen ik met mijn tante [aangeefster 2] weg was, stopten wij op de terugweg naar huis ook kort bij mijn oudtante. Zij woont in [wijk] , vlakbij waar [verdachte] woont. Dat is bij de [straatnaam 2] in [wijk] . Ik wachtte in de auto voor mijn oudtante haar woning en zag plotseling [verdachte] op de scooter door de straat rijden. Ik herkende hem vanwege zijn kleding en postuur en ook droeg hij geen helm. Hij reed direct weg en ik appte hem nog over waarom hij wegreed. Toen wij terugkwamen bij de woning van mijn Tante [aangeefster 2] was het goud uit haar woning gestolen. Omdat er geen braaksporen waren en de deur niet op slot zat, vermoedde mijn tante dat iemand een sleutel had gebruikt. Toen wij binnen de familie vroegen wie er een sleutel miste, gaf mijn oma uiteindelijk aan dat haar sleutel van [aangeefster 2] haar woning kwijt was. Mijn familie verdacht [verdachte] , omdat ze hem hadden gezien op camerabeelden van de buurman. Eén van de keren dat wij afspraken vertelde ik hem dat hij op de beelden te zien was. Hij knuffelde mij en zei toen sorry. Hij vertelde dat hij het nooit gedaan zou hebben als hij wist dat het mij
familieproblemen zou opleveren. Toen ik vroeg: "Je hebt het dus wel gedaan?" Zag ik aan zijn reactie dat hij zich betrapt voelde.
Uiteindelijk liet mijn oom [naam 2] , [aangeefster 2] haar broer, mij de camerabeelden zien waar
[verdachte] richting het huis van mijn tante liep. Ik zag dat het [verdachte] was.
3. Het proces-verbaal van verhoor getuige [aangeefster 3] , opgemaakt op 17 mei 2023, voor zover inhoudende (p. 18-20):
Op 15 april 2023 werd ik gebeld door mijn dochter [aangeefster 2] . Ik was eerder die dag met [aangeefster 2] en mijn kleindochter [medeverdachte 2] wezen winkelen. Via de telefoon hoorde ik [aangeefster 2] zeggen dat ons goud was gestolen. Ik wist via [aangeefster 2] dat zij de dag voor de diefstal het gestolen goud aan [medeverdachte 2] had laten zien. Op 15 april 2023, tijdens ons telefoongesprek direct na de diefstal, vroeg [aangeefster 2] mij ook of mijn reservesleutel van haar woning nog aan mijn sleutelbos zat. Zij vroeg dit omdat haar was opgevallen dat de voordeur van haar woning niet op slot zat. Terwijl zij die normaal gesproken altijd op slot doet. Daarnaast vertelde ze dat het huis niet overhoop was gehaald, maar dat alleen de gouden sieraden uit de kast weggenomen waren. Toen ik direct hierna mijn sleutelbos bekeek, zag ik dat de reservesleutel van [aangeefster 2] haar woning ontbrak.
4. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 10 oktober 2023, voor zover inhoudende (p. 34-36):
Ik bekeek de camerabeelden welke naar aanleiding van een woninginbraak aan de [adres 9] aan mij waren verstrekt door de aangever [aangeefster 2] .
Verdachte loopt richting woning aangever (Bestand: video 20230415145349.mp4)
Links onder in beeld zie ik de volgende letter- en cijferreeks: [IPCAM] 2023-04-15 Sat 14:54:07.
Ik zag door de ramen van de uitbouw een zwart gekleed persoon rechts het beeld in
lopen. Ik zag dat de persoon over het trottoir, van rechts naar links, door het beeld
liep. Ik omschrijf de persoon als volgt:
- man;
- 18 tot 25 jaar oud;
- slank postuur;
- spits gezicht met een scherpe kaaklijn hoge jukbeenderen;
- licht getinte huidskleur;
- kort, zwart haar;
- brildragend;
- zwarte pet;
- zwart trainingsjack met capuchon en wit logo rechts boven op de rug;
- zwarte broek;
- zwarte gympen;
- bijzonderheden: een smartphone in de linker hand.
Ik zag dat de voorgenoemde persoon om zich heen keek, terwijl hij door het beeld
liep. Eerst draaide hij zijn hoofd naar rechts en keek hij de straat in. Daarna keek
hij naar links, richting de woning naastgelegen aan de woning waar de camera aan was bevestigd.
Op de beelden was niet te zien dat de bovengenoemde persoon de woning van de aangever betrad. Wel is mij bekend dat de bovengenoemde persoon door [medeverdachte 2] is herkent als: [verdachte] , geboren [geboortedatum 1] 2004.
5. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 16 april 2026, voor zover inhoudende (p. 30-31):
Op 16 april 2023 werd ik naar de [adres 9] , te 's-Gravenhage gestuurd. Hier had de bewoner [aangeefster 2] camerabeelden van haar buurman ontvangen. De nicht van [naam 3] geboren [geboortedatum 3] 1994, hierna te noemen [naam 3] , was ook aanwezig en had deze beelden bekeken. [naam 3] vertelde dat zij op deze beelden het vriendje van [medeverdachte 2] voorbij zag lopen. Zij wist zeker dat hij het was. Ze herkende hem, omdat hij in de buurt van [naam 3] haar moeder woonde. Haar moeder is woonachtig in het [wijk] aan de [adres 10] te 's-Gravenhage. Het zou gaan om [verdachte] , geboren [geboortedatum 1] 2004. [verdachte] is woonachtig aan de [adres 1] te 's-Gravenhage.
6. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 9 oktober 2023, voor zover inhoudende (p. 37-38):
Op 9 oktober 2023 bekeek ik de desbetreffende beelden. Ik zag dat er een
jonge man in beeld verscheen. Deze man had het volgende signalement:
- Man;
- leeftijd tussen de 18 en 25 jaar;
- Noord-Afrikaans uiterlijk;
- licht getinte huid;
- sikje op de kin;
- spijkerbroek;
- donker jasje;
- donkere pet.
Op de beelden is het zij-profiel van de man duidelijk zichtbaar. Ik heb de man op de
beelden vergeleken met de SKDB foto van de verdachte in deze zaak, [verdachte] geboren op [geboortedatum 1] 2002 te [geboorteplaats] .
Aan de hand van de onderstaande kenmerken herken ik de man op de beelden als zijnde [verdachte] geboren op [geboortedatum 1] 2002 te [geboorteplaats] .
- Noord-Afrikaans uiterlijk;
- licht getinte huidsleur;
- slanke nek;
- strakke kaaklijn;
- stand van het linkeroor;
- sikje op de kin;
7. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 20 november 2023, voor zover inhoudende (p. 123-127):
Ik was belast met het onderzoek aan de smartphone van verdachte [verdachte] , in het kader van de fraude en diefstal uit de woning waarvan hij verdacht wordt.
Ik zag een kopje "Searched items", dat weergeeft welke zoekopdrachten in Google zijn getypt. Ik heb hierin gezocht en zag dat [verdachte] op 14 april 2023, één dag voor de diefstal van het goud uit de woning, het adres " [adres 9] , [postcode 2] Den Haag" als zoekopdracht had ingetypt. Ik zag dat dit het adres was van aangeefster [aangeefster 2] .
8. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 5 december 2023, voor zover inhoudende (p. 197-201, inclusief bijlagen):
Ik was belast met een aanvullend onderzoek aan de smartphone van verdachte [verdachte] , in het kader van de fraude en diefstal uit de woning waarvan hij verdacht wordt.
Onder het kopje "Web history" zag ik dat [verdachte] tussen 10 oktober 2023 en
12 augustus 2023 meerdere zoekopdrachten had gedaan die te maken hadden met
gouden sieraden, en al deze zoekopdrachten heeft verwijderd. Het ging hierbij om de volgende zoekopdrachten en webpagina's:
- 10 oktober 2023: de zoekopdracht "ketting heren goud";
- 2 augustus 2023: de webpagina van een goudwisselkantoor genaamd
"www.goudwisselkantoor.nl";
- 11 augustus 2023: de zoekopdracht "goude tand";
- 11 augustus 2023: de webpagina van het laten maken van een maatwerk
zilveren of gouden tand;
- 12 augustus 2023: de webpagina van een gouden hanger van het merk
Swarovski ;
- 12 augustus 2023: de webpagina van een gouden tennis armband van
het merk Guess .
Daarnaast zag ik ook één verwijderde zoekopdracht
"https: //www.goudwisselkantoor.n".
Ten aanzien van feit 2:
1. Het proces-verbaal van aangifte van [aangeefster 3] , opgemaakt op 19 september 2023, voor zover inhoudende (p. 42-45:
Hierbij doe ik aangifte van fraude en diefstal. Ik ben de houder van een bankrekening bij de ING BANK, onder het volgende nummer: [rekeningnummer 1] . Ik doe aangifte tegen mijn kleindochter, [medeverdachte 2] geboren [geboortedatum 2] 2003. Tevens doe ik aangifte tegen haar vriend, [verdachte] . [medeverdachte 2] had ik de toegang verschaft tot de app op mijn telefoon. Ik vroeg [medeverdachte 2] wel eens om bankzaken voor mij te regelen. Hiervoor heb ik [medeverdachte 2] laten
beschikken over het wachtwoord en de gebruikersnaam. Zelf gebruikte ik de app
nauwelijks. In augustus 2022 besloot ik het wachtwoord van mijn app te wijzigen. [medeverdachte 2] had namelijk enkele overboekingen gedaan vanaf mijn bankrekening naar die van haar, waar ze mij niets over had verteld en waar ik haar geen toestemming voor had gegeven. In september 2022 kwam ik er achter dat ik niet meer kon inloggen op mijn app. Ik zag namelijk dat mijn gebruikelijke wachtwoord en gebruikersnaam niet meer werkte. Ik heb [medeverdachte 2] toen gevraagd voor mij uit te zoeken wat er aan de hand was, welke aangaf dit te zullen doen. [medeverdachte 2] heeft mij hierop een aantal maanden, van september 2022 tot november 2022, zoet gehouden met steeds een andere smoes inzake het oplossen van het technische probleem met de app.
Eind november 2022 heb ik uiteindelijk zelf contact opgenomen met de ING BANK, waar ik bovengenoemd probleem met betrekking tot de app gemeld heb. Tijdens mijn gesprek met een medewerker van de ING BANK kwam ik er achter dat mijn app al in augustus 2022 geblokkeerd was omdat er herhaaldelijk een verkeerd wachtwoord was ingevoerd. Bovengenoemde medewerker wist mij tevens te vertellen dat de ING BANK reeds meerdere brieven met nieuwe inloggegevens naar mijn adres had gestuurd. Ik kwam er toen tevens achter dat [medeverdachte 2] al sinds juli 2022 mijn app, zonder mijn toestemming, gebruikt heeft om geld over te maken naar onder andere haar vriendje: [verdachte] ( [verdachte] )
[medeverdachte 2] heeft toen bekend dat ze verantwoordelijk was voor alle overboekingen.
2. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 19 september 2023, voor zover inhoudende (p. 119-121):
Ik zag dat oma bij haar aangifte een overzicht had gegeven van haar afschriften van
2022 en 2023. Ik zag dat de eerste afschrijving is geweest op 23 juli 2022. Ik zag dat de laatste afschrijving is geweest op 22 april 2023.
Ik zag in het overzicht van de afschriften dat de eerste afschrijving was geweest op
23 juli 2022 op naam van [naam 4] op rekeningnummer [rekeningnummer 2] . Ik zag dat het ging om een bedrag van 150 euro. Ik zag dat op 25 juli 2022 naar hetzelfde bankrekeningnummer een bedrag van 150 euro was afgeschreven. Ik heb een vordering van een bevraging Verwijzingsportaal Bankgegevens opgemaakt. Ik zag in het antwoord hierop dat het bankrekeningnummer op 25 juli 2022 actief was en op naam stond van
[naam 4] geboren op [geboortedatum 4] 1972. Ik zag dat [naam 4] ingeschreven staat op de [adres 1] te 's-Gravenhage. Ik heb vervolgens onderzoek gedaan in de politiesystemen. Ik zag dat [naam 4] de moeder is van [verdachte] geboren op [geboortedatum 1] 2004.
Ik zag in het overzicht dat in de periode van 18 augustus 2022 tot 13 december 2022
zeventwintig keer een bedrag tussen de dertig en de vierhonderd euro is overgemaakt naar het bankrekeningnummer [rekeningnummer 3] . In totaal gaat het om een bedrag van 3176,21 euro. Ik heb een vordering van een bevraging Verwijzingsportaal Bankgegevens opgemaakt. Ik zag in het antwoord hierop dat het bankrekeningnummer op 1 juli 2022 actief was en op naam stond van [verdachte] geboren op [geboortedatum 1] 2004.
3. Het geschrift, te weten bankafschriften van aangeefster [aangeefster 3] ( [rekeningnummer 1] , 01-07-2022 t/m 25-04-2023) (p. 50-101).
4. Het proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 2] , opgemaakt op 14 oktober 2026, voor zover inhoudende (p. 214-228):
Ik deed de bankzaken op mijn oma haar telefoon, maar ook om mijn eigen telefoon. Wanneer ik bankzaken op mijn eigen mobiel deed logde ik op mijn oma haar rekening in. Hiervoor pakte ik stiekem haar ID-kaart om de rekening aan mijn eigen app te koppelen. Daarna verwijderde ik de app weer en logde alleen op mijn eigen rekening in, zodat mijn oma niet meer kon zien dat ik haar rekening aan mijn app gekoppeld had.
V: Gaf jouw oma altijd toestemming als jij toegang tot de bankieren app wilde?
A: Ik loog voor wat ik de app nodig had. [verdachte] stuurde dan een tikkie, zodat je niet kon zien waar het geld heen ging.
V: Hoeveel geld heb je in totaal overgemaakt naar [verdachte] ?A: In totaal zo'n 3000 tot 4000 euro van mijn oma haar rekening.
V: Heb je al het geld dat je van je oma's rekening heb gestuurd enkel naar [verdachte]
gestuurd?
A: Ja. Hij liet mij ook eens zien hoeveel overschrijvingen van mijn oma haar
rekeningen naar hem waren gezien. Ik zag dat het ongeveer 3000 euro was.
5. De verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 18 augustus 2026, voor zover inhoudende:
Ik had geld nodig en [medeverdachte 2] zei dat ze het kon geven. Ik vroeg of het mocht van haar oma en zij zei dat haar oma het goed vond. U vraagt mij of ik aan haar oma heb gevraagd of zij dit goed vond. Nee. Ik stuurde meestal een tikkie naar [medeverdachte 2] en die betaalde zij.
Bewijsoverwegingen
Ten aanzien van dagvaarding II
Op 30 maart 2026 tussen 00.15 en 00.30 ontving de politie een melding van de getuige [getuige 2] dat er twee personen bij het keukenraam van het adres [adres 2] te Wateringen liepen. De getuige heeft deze personen meerdere keren heen en weer zien lopen en vervolgens via de achterkant van de woning weg zien gaan. De verbalisanten hebben vervolgens de aangever [aangever] ingelicht dat sprake was van een poging woninginbraak, waarna de aangever kon mededelen dat hij zag dat het kozijn en de raamlijst van het keukenraam waren beschadigd. De verbalisanten van de hondenbrigade zijn ter plaatse gekomen en hebben de diensthond in de omgeving van de woning laten zoeken. De diensthond heeft een geurspoor opgevangen op de [straatnaam 3] te Wateringen en de verbalisant ziet vervolgens twee personen wegrennen ter hoogte van [adres 4] . Doordat deze personen niet voldoen aan de vorderingen van de verbalisant, wordt de diensthond ingezet. Eén van de personen, [medeverdachte 1] , wordt door de diensthond overmeesterd en door de verbalisant aangehouden. Vervolgens is de verbalisant met zijn diensthond verder gaan zoeken, waarop een geurspoor wordt gevonden bij de tuin van [adres 4] . Na een aantal minuten zoeken hoort de verbalisant een persoon, na later blijkt de verdachte, zeggen “Ik zit hier en geef mij over”, waarop ook hij wordt aangehouden.
Vervolgens staat de rechtbank voor de vraag of de verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] betrokken zijn bij de poging tot woninginbraak op het adres [adres 2] te Wateringen. De rechtbank is, overeenkomstig het standpunt van de officier van justitie, van oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen hetgeen de verdachte ten laste is gelegd. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.
De verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] worden een korte tijd na de poging tot woninginbraak aangetroffen in de omgeving van de woning. In plaats van te voldoen aan de vorderingen van de politie rennen ze allebei weg en verstopt de verdachte zich in de tuin van een nabije woning.
Het signalement van de verdachte komt overeen met een van de daders zoals zichtbaar op camerabeelden van de getuige [getuige 2] . Daarop is te zien dat twee personen handelingen verrichten bij het keukenraam van de woning van de aangever. Te zien is dat één van deze personen een jas aanheeft waarvan de armen een donkere kleur hebben en de romp van de jas een lichte kleur heeft. De andere persoon heeft een donkere broek aan waarop heel kenmerkend een lichte streep te zien is die van heup tot knie loopt. Beide personen hebben donkere schoenen aan met daarop lichtgevende/witte onderdelen. Tijdens zijn aanhouding draagt de verdachte een zelfde soort jas met twee kleurdelen en zwarte schoenen met witte onderdelen, op de plekken zoals die op de camerabeelden zijn te zien. De medeverdachte [medeverdachte 1] heeft tijdens zijn aanhouding een zwarte broek met een witte streep over zijn dijbeen en zwarte schoenen met witte onderdelen aan.
De verdachte geeft vervolgens ter terechtzitting een onaannemelijke verklaring voor zijn aanwezigheid in de omgeving van de woning, met name gezien het late tijdstip en het feit dat de verdachte daar niet woonachtig was.
De rechtbank komt op basis van alle omstandigheden, de camerabeelden en de onaannemelijke verklaring van de verdachte tot de conclusie dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] betrokken waren bij de poging tot inbraak in de woning.
Ten aanzien van dagvaarding III, feit 1
Op 15 april 2023 merkt de aangeefster [aangeefster 2] op dat er een hoeveelheid gouden sieraden en munten is meegenomen uit haar woning op het adres [adres 9] te ’s-Gravenhage. Zij ziet bij thuiskomst dat een zwarte tas met gouden voorwerpen niet meer in de voorraadkast in de woonkamer ligt. Er blijken verder geen andere goederen te zijn meegenomen uit haar woning en tevens blijkt dat de voordeur bij thuiskomst niet op slot zat. De aangeefster vindt dit opvallend aangezien zij de dag hiervoor aan haar nichtje [medeverdachte 2] heeft verteld dat deze gouden voorwerpen in de voorraadkast lagen en hoort tevens dat de sleutel van haar voordeur aan de sleutelbos van haar moeder, [aangeefster 3] , ontbreekt.
Vervolgens heeft [medeverdachte 2] verklaard dat zij in die periode contact had met [verdachte] , de verdachte, en hij in die periode haar meermaals vroeg of zij, net als veel andere Turkse gezinnen, goud in haar bezit had. Zij heeft verklaard dat zij hem in vertrouwen heeft verteld dat haar familie in het bezit was van goud, waar het goud lag en dat zij aan haar sleutelbos de voordeursleutel van haar tante [aangeefster 2] had hangen. [medeverdachte 2] heeft verder verklaard dat zij die dag in de auto van haar oudtante voor haar woning aan de [straatnaam 2] aan het wachten was en vervolgens de verdachte op zijn scooter door de straat zag rijden. Op een later moment worden er camerabeelden van de woning van [aangeefster 2] bekeken en wordt een persoon waargenomen die in de richting van haar woning loopt. Deze persoon wordt door meerdere personen herkend als zijnde de verdachte.
Vervolgens staat de rechtbank voor de vraag of de verdachte betrokken is bij de diefstal op het adres [adres 9] te ’s-Gravenhage. De rechtbank is, overeenkomstig het standpunt van de officier van justitie, van oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen hetgeen de verdachte ten laste is gelegd. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.
Blijkens de verklaring van [medeverdachte 2] was de verdachte op de hoogte van de aanwezigheid van de gouden voorwerpen in de woning van [aangeefster 2] en wist hij dat zij de beschikking had over een reservesleutel van deze woning. Vervolgens is de verdachte op de camerabeelden bij de woning gezien, terwijl hij zelf heeft verklaard dat hij niet bekend is met het adres en daar niets te zoeken heeft. Deze verklaring is des te meer opvallend, omdat op zijn telefoon op 14 april 2023 een zoekslag naar dit adres is gemaakt. Daarnaast zijn op zijn telefoon meerdere zoekopdrachten te zien die te maken hadden met gouden sieraden en is ook gezocht naar een goudwisselkantoor. De rechtbank komt op basis van deze omstandigheden, de camerabeelden en de onaannemelijke verklaring van de verdachte tot de conclusie dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte betrokken was bij de diefstal van de gouden sieraden en munten.
Ten aanzien van dagvaarding III, feit 2
In de periode van 1 juli 2022 tot 1 juli 2023 zijn meermaals bedragen overgemaakt van een rekeningnummer op naam van [aangeefster 3] naar een rekeningnummer op naam van de verdachte en tweemaal naar een rekeningnummer op naam van de moeder van de verdachte. De aangeefster [aangeefster 3] heeft verklaard hier geen toestemming voor te hebben gegeven. De medeverdachte [medeverdachte 2] heeft verklaard dat zij in deze periode, zonder toestemming van de aangeefster en op verzoek van de verdachte, meerdere geldbedragen heeft overgemaakt naar het rekeningnummer van de verdachte.
Vervolgens staat de rechtbank voor de vraag of de verdachte betrokken is bij de diefstal van deze geldbedragen. De rechtbank is, overeenkomstig het standpunt van de officier van justitie, van oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen hetgeen de verdachte primair ten laste is gelegd. De rechtbank overweegt daartoe het volgende. De medeverdachte [medeverdachte 2] is degene geweest die beschikte over de bankrekening van de aangeefster en haar identiteitskaart. De verdachte heeft Tikkies naar de medeverdachte [medeverdachte 2] gestuurd, die zij heeft betaald door in te loggen op de bankapp van de aangeefster en door het geld over te maken. De verklaring van de verdachte dat de aangeefster het goed vond dat ruim € 3.000,- naar hem werd overgemaakt, is onaannemelijk, aangezien ze elkaar niet eens kennen. Aangeefster ontkent dit ook.
Het is vervolgens de vraag of dit handelen van de verdachte en de medeverdachte kan worden gekwalificeerd als medeplegen. Op grond van het voorgaande oordeelt de rechtbank dat sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en de medeverdachte die in de kern bestaat uit een gezamenlijke uitvoering. Daarmee acht de rechtbank het ten laste gelegde medeplegen bewezen.
De bewezenverklaring
De rechtbank is met betrekking tot de bij dagvaarding I onder 1 tot en met 3 ten laste gelegde feiten, het bij dagvaarding II ten laste gelegde feit en de bij dagvaarding III ten laste gelegde feiten van oordeel dat deze feiten wettig en overtuigend zijn bewezen.
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
Ten aanzien van parketnummer 09/140786-26 (dagvaarding I):
1hij op 16 mei 2026 te 's-Gravenhage een mobiele telefoon (Iphone), die geheel aan [aangeefster 1] toebehoorde, heeft weggenomen met het oogmerk om die zich wederrechtelijk toe te eigenen.
2hij op 16 mei 2026 te 's-Gravenhage [aangeefster 1] heeft mishandeld, door die [aangeefster 1] met zijn vuisten meermaals in haar gezicht te slaan.
3hij op 16 mei 2026 te 's-Gravenhage als bestuurder van een motorrijtuig(personenauto, kenteken [kenteken] ) heeft gereden op de weg, te weten de [straatnaam 2] en de [straatnaam 4] , zonder dat aan hem door de daartoe bevoegde autoriteit, als bedoeld in artikel 116 lid 1 van de Wegenverkeerswet 1994, een rijbewijs was afgegeven voor de categorie van motorrijtuigen, waartoe dat motorrijtuig behoorde;
De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;
Ten aanzien van parketnummer 09/096515-26 (dagvaarding II):
hij op 30 maart 2026 te Wateringen tezamen en in vereniging met een ander, ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededader voorgenomen misdrijf, om in een woning, gelegen aan de [adres 2] te Wateringen, alwaar verdachte en zijn mededader zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevonden, een of meer goederen die geheel of ten dele aan [aangever] toebehoorden weg te nemen met het oogmerk om die zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen door middel van braak met een voorwerp heeft geprobeerd een raam van die woning te forceren, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
Ten aanzien van parketnummer 09/300800-24 (dagvaarding III):
1hij op 15 april 2023 te ’s-Gravenhage gouden sieraden en gouden munten, die aan [aangeefster 2] toebehoorden, heeft weggenomen met het oogmerk om die zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en die weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, door de reservesleutel van de voornoemde persoon te gebruiken om haar woning binnen te komen;
2hij in de periode tussen 1 juli 2022 tot 1 juli 2023 te ’s-Gravenhage tezamen en in vereniging met een ander 3476,21 euro, die geheel aan [aangeefster 3] toebehoorden, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en zijn mededader dat weg te nemen geld onder hun bereik hebben gebracht door middel van een valse sleutel, door vanaf de rekening van die [aangeefster 3] meerdere geldbedragen op zijn bankrekening en een andere bankrekening te storten;
Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.
4. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.
5. De strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.
6. De strafoplegging
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 90 dagen, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan 62 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren en de bijzondere voorwaarden die zijn genoemd in het reclasseringsrapport van 17 augustus 2026 en een taakstraf van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van de feiten die bij dagvaarding II en dagvaarding III ten laste zijn gelegd. De verdediging heeft de rechtbank bij bewezenverklaring van de bij dagvaarding I onder 1 tot en met 3 ten laste gelegde feiten verzocht om rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte bij het opleggen van een straf.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straffen zijn in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
De ernst van de feiten
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan diefstal van een telefoon en de mishandeling van het slachtoffer [aangeefster 1] , waarbij sprake is van eendaadse samenloop. Door zijn handelen heeft de verdachte een inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer en gevoelens van angst en onveiligheid veroorzaakt. Het is bovendien algemeen bekend dat dergelijk handelen voor een langere tijd voor gevoelens van angst en onveiligheid bij slachtoffers kan zorgen.
Verder heeft de verdachte gereden zonder een rijbewijs in bezit te hebben. Het rijden zonder rijbewijs brengt de algemene verkeersveiligheid in gevaar en vergroot de kans op ongelukken en gevaar op de weg.
Daarnaast heeft de verdachte zich samen met een ander schuldig gemaakt aan een poging tot woninginbraak, gepleegd in de nachtelijke uren. Woninginbraken zijn zeer vervelende strafbare feiten, die een grove schending van de persoonlijke levenssfeer van de bewoners opleveren. Het is voor bewoners vaak bijzonder onaangenaam om te leven met de wetenschap dat een vreemde heeft geprobeerd om in hun woning te komen en hun persoonlijke bezittingen te doorzoeken. Het is bovendien algemeen bekend dat (pogingen tot) woninginbraken lange tijd voor gevoelens van angst en onveiligheid kunnen zorgen bij zowel de bewoners van de betreffende woning, als bij de buurtbewoners.
Ook heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan diefstal uit een woning door middel van een valse sleutel, door de reservesleutel van de woning te gebruiken om daar naar binnen te komen en over te gaan tot de diefstal van een grote hoeveelheid gouden sieraden en munten. Zoals hiervoor besproken, hebben woninginbraken een grote impact op bewoners en omwonenden en wordt daarmee een grove schending gemaakt op hun persoonlijke levenssfeer. Bovendien werd er misbruik gemaakt van de vertrouwensrelatie die aangeefster met de medeverdachte had.
Tot slot heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan een diefstal door middel van een valse sleutel, door vanaf de rekening van het slachtoffer [aangeefster 3] geldbedragen op zijn rekening te storten. De verdachte heeft in totaal ruim drieduizend euro op zijn rekening gekregen en handelde daarbij in een nauw samenwerkingsverband met de medeverdachte. De verdachte heeft hiermee niet alleen schade en overlast veroorzaakt; ook worden door dergelijke feiten gevoelens van onrust en onveiligheid versterkt. Ook hier is sprake van het misbruik maken van de vertrouwensrelatie van aangeefster met de medeverdachte.
De rechtbank rekent deze feiten de verdachte zwaar aan.
Het strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 14 juli 2026, waaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor gewelds- en vermogensfeiten.
De persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van een reclasseringsadvies over de verdachte van 10 juni 2026 dat is opgemaakt ten aanzien van dagvaarding I, waaruit volgt dat het risico op recidive niet kan worden uitgesloten, aangezien de verdachte in zijn lopende proeftijd wederom in aanraking is gekomen met politie en justitie. Hierdoor wordt interventie vanuit de reclassering als noodzakelijk gezien, onder meer door een behandeling bij De Waag die gericht is op emotieregulatie. De reclassering rapporteert verder dat de verdachte zijn leven in praktisch opzicht verder op orde heeft, aangezien sprake is van een stabiele thuis- en woonsituatie, dagbesteding, zijn financiële situatie op orde is en hij voornemens is om weer naar school te gaan.
Verder heeft de rechtbank kennisgenomen van een reclasseringsadvies over de verdachte van 17 augustus 2026 dat tevens is opgemaakt ten aanzien van dagvaarding I, waaruit volgt dat de verdachte zich gedurende zijn schorsing heeft gehouden aan de voorwaarden, maar dat wegens lange wachtlijsten nog niet gestart kon worden met behandeling en hij momenteel ook nog geen begeleid wonen plek heeft. De verdachte heeft zijn leven op orde, maar wel acht de reclassering het van belang dat zijn cannabisgebruik wordt gemonitord. De reclassering acht het positief dat hij aan alle voorwaarden wilt meewerken.
Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van contextinformatie vanuit het Exit-programma, waaruit blijkt dat de verdachte gemotiveerd is om zijn leven op orde te krijgen en daartoe zelf stappen heeft ondernomen. De verdachte heeft werk gevonden als ZZP’er in de zonnepanelenbranche en is ingeschreven voor de opleiding niveau 2 Installatiemonteur. Daarnaast staat de verdachte ingeschreven bij het Leger des Heils Interwonen in Wassenaar voor begeleid wonen, waar hij op dit moment op positie 6 van de wachtlijst staat. Tijdens de terechtzitting van 18 augustus 2026 gaf de verdachte aan dat hij in september 2026 een intake heeft bij het Leger des Heils. Uit de contextinformatie komt naar voren dat detentie van de verdachte deze positieve ontwikkelingen zou verstoren, omdat hierdoor het risico ontstaat dat werkmogelijkheden, opleidingstrajecten en woonbegeleiding zullen worden
stopgezet.
De straf
De rechtbank heeft bij de bepaling van de strafmodaliteit en strafmaat aansluiting gezocht bij de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting. De rechtbank acht, alles overwegende, een gevangenisstraf van 90 dagen passend, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan 62 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren en daaraan gekoppeld de in het reclasseringsrapport van 17 augustus 2026 opgenomen bijzondere voorwaarden. Het voorwaardelijk strafdeel heeft tot doel om de verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst opnieuw aan strafbare feiten schuldig te maken. Daarnaast acht de rechtbank een taakstraf van 240 uren passend en geboden. De rechtbank geeft de verdachte hiermee een allerlaatste kans om zichzelf te bewijzen en zijn leven te beteren. De rechtbank ziet dat de verdachte hier op dit moment al actief mee bezig is en dat hij op meerdere leefgebieden stabiliteit heeft gevonden. De rechtbank benadrukt dat, gezien zijn justitiële documentatie en de bewezen verklaarde feiten, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zeker in de rede had gelegen en hij deze kans daardoor met beide handen aan moet grijpen.
Toepassing van artikel 9a Sr
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan overtreding van artikel 107 WVW 1994. De officier van justitie heeft ten aanzien van dit feit gevorderd dat aan de verdachte een geldboete van € 450,- wordt opgelegd.
De rechtbank acht oplegging van een separate straf voor deze overtreding, gelet op de op te leggen straffen voor de overige strafbare feiten en de daaraan verbonden bijzondere voorwaarden alsmede de omstandigheden waaronder het feit is begaan, niet opportuun.
De rechtbank zal de verdachte ten aanzien van het bij dagvaarding I onder 3 ten laste gelegde feit dan ook schuldig verklaren en bepalen dat aan hem daarvoor geen straf of maatregel wordt opgelegd.
7. De vordering van de benadeelde partij/de schadevergoedingsmaatregel
Ten aanzien van dagvaarding II
[aangever] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 4.651,91, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 3.151,91 aan materiële schade en € 1.500,- aan immateriële schade.
Ten aanzien van dagvaarding III, feit 1
[aangeefster 3] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 60.700,-, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot gedeeltelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [aangever] tot een bedrag van € 500,-, met de wettelijke rente en de schadevergoedingsmaatregel en tot niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij voor het overige.
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot gedeeltelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [aangeefster 3] tot een bedrag van € 15.000,-, met de wettelijke rente en de schadevergoedingsmaatregel en tot niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij voor het overige.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft primair verzocht om de benadeelde partijen [aangever] en [aangeefster 3] niet-ontvankelijk te verklaren in hun respectievelijke vorderingen, omdat de raadsman heeft verzocht om vrijspraak van deze ten laste gelegde feiten. De raadsman heeft zich subsidiair gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank in het geval van een bewezenverklaring van deze ten laste gelegde feiten.
Het oordeel van de rechtbank
Ten aanzien van de vordering van [aangever] (dagvaarding II)
De vordering, voor zover deze betrekking heeft op de post materiële schade, is namens de verdachte niet (gemotiveerd) betwist en door de benadeelde partij voldoende onderbouwd.
Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan naar het oordeel van de rechtbank worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het bij dagvaarding II bewezen verklaarde feit. De rechtbank maakt gebruik van haar schattingsbevoegdheid (artikel 6:97 van het Burgerlijk Wetboek), omdat de omvang van de geleden (materiële) schade niet nauwkeurig kan worden vastgesteld. Er is schade aan het kozijn. De benadeelde partij vordert 50% van de kosten voor vervanging door een compleet nieuw raam met kozijn. De benadeelde partij heeft recht op herstel van de schade, maar niet op een compleet nieuw raam, ook niet met een aftrek van 50% wegens nieuw voor oud. De rechtbank zal daarom de werkelijke schade (kosten van reparatie van het beschadigde kozijn) schatten op € 500,- en zal de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.
De rechtbank zal, voor zover de vordering betrekking heeft op de posten immateriële schade en de vrij genomen uren, de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. Dit deel van de vordering is door de benadeelde partij onvoldoende onderbouwd. De benadeelde partij de gelegenheid geven voor een nadere onderbouwing van dit deel van de vordering zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 30 maart 2026, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.
Omdat de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Schadevergoedingsmaatregel
De verdachte zal voor het bij dagvaarding II bewezen verklaarde strafbare feit worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij [aangever] aansprakelijk voor schade die door dit feit aan hem is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte hoofdelijk de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 500,-, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 30 maart 2026 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald; ten behoeve van [aangever] .
Ten aanzien van de vordering van [aangeefster 3] (dagvaarding III, feit 1)
De vordering bestaat uit drie onderdelen: (1) schade geleden door haar overleden dochter [aangeefster 2] ; (2) door haarzelf geleden schade; (3) schade geleden door haar kleindochter (de rechtbank begrijpt: [medeverdachte 2] ).
De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.
Wat betreft de schade onder (1) geldt het volgende.
[aangeefster 2] is overleden. Dan is vervolgens de vraag of de erfgenamen als benadeelden kunnen worden aangemerkt in deze procedure. Dat is niet het geval. De rechtbank verwijst hierbij naar een arrest van de Hoge Raad van 19 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AS9225 waarin wordt gerefereerd aan de wetsgeschiedenis (Kamerstukken II 1989-1990, 21 345, nr. 3, blz. 11):
"Blijkens de wetsgeschiedenis heeft de wetgever, buiten het zich hier niet voordoende geval van art. 51a, tweede lid, Sv niet de mogelijkheid willen openen dat in geval van overlijden van het slachtoffer de erfgenamen zich op de voet van art. 51a, eerste lid, Sv in het strafproces voegen ter zake van door het slachtoffer geleden schade. Die schade is dus door de wetgever voor wat die erfgenamen betreft niet als rechtstreekse schade in de zin van die bepaling beschouwd."
Overigens is niet vastgesteld dat [aangeefster 3] erfgenaam is van [aangeefster 2] .
De rechtbank komt daarmee tot de conclusie dat ten aanzien van [aangeefster 2] geen sprake is van rechtstreekse schade, waardoor zij niet als benadeelde in deze procedure kan worden aangemerkt.
Wat betreft de schade onder (2) geldt dat [aangeefster 3] geen aangifte heeft gedaan van diefstal van haar goederen; de verdachte is daar ook niet voor veroordeeld. Een causaal verband met het bewezenverklaarde ontbreekt.
Hetzelfde geldt voor de schade onder (3). Voor die schade geldt bovendien dat [aangeefster 3] niet zonder volmacht namens de kleindochter schade kan vorderen.
8. De vorderingen tot tenuitvoerlegging
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft bij vordering van 13 juli 2026 gevorderd dat de bij parketnummer 09/140785-22 door de kinderrechter van de rechtbank Den Haag op 9 september 2022 voorwaardelijk opgelegde werkstraf van 30 uren, ten uitvoer wordt gelegd wegens niet naleven van de algemene voorwaarden.
De officier van justitie wijzigt de vordering tot tenuitvoerlegging van
de bij parketnummer 09/233662-23 door de meervoudige kamer van de rechtbank Den Haag op 5 juni 2024 voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van 12 maanden, in die zin dat wordt gevorderd dat de proeftijd wordt verlengd met één jaar.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich ten aanzien van de vordering tot tenuitvoerlegging met parketnummer 09/140785-22 gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. De raadsman heeft ten aanzien van de vordering tot tenuitvoerlegging met parketnummer 09/233662-23 verzocht om deze af te wijzen.
Het oordeel van de rechtbank
Ten aanzien van parketnummer 09/140785-22
De rechtbank acht termen aanwezig voor toewijzing van de vordering van de officier van justitie van 13 juli 2026 tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk deel van de opgelegde werkstraf, waartoe de verdachte werd veroordeeld bij onherroepelijk geworden vonnis van de kinderrechter in deze rechtbank d.d. 9 september 2022, omdat uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de verdachte de algemene voorwaarde niet heeft nageleefd, doordat hij zich voor het einde van de proeftijd die bij voormeld vonnis was opgelegd, wederom heeft schuldig gemaakt aan strafbare feiten en de omzetting daarvan in een taakstraf, bestaande uit een werkstraf van na te melden duur.
Ten aanzien van parketnummer 09/233662-23
De rechtbank acht termen aanwezig voor verlenging van de proeftijd van het voorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf, waartoe de verdachte werd veroordeeld bij onherroepelijk geworden vonnis van de meervoudige kamer in deze rechtbank d.d. 5 juni 2024, omdat uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de verdachte de algemene voorwaarde niet heeft nageleefd, doordat hij zich voor het einde van de proeftijd die bij voormeld vonnis was opgelegd, wederom heeft schuldig gemaakt aan strafbare feiten.
9. De toepasselijke wetsartikelen
10. De beslissing
De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen:
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals die ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.
De rechtbank:
verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de bij dagvaarding I onder 1 tot en met 3, het bij dagvaarding II en de bij dagvaarding II onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.6 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:
ten aanzien van dagvaarding I, feiten 1 en 2:
de eendaadse samenloop van:
diefstal
en
mishandeling ;
ten aanzien van dagvaarding I, feit 3:
overtreding van artikel 107, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994;
ten aanzien van dagvaarding II:
poging tot diefstal in een woning door iemand die zich aldaar buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevindt, terwijl deze diefstal vergezeld gaat van de in artikel 311, eerste lid, onder 4º en 5º, van het Wetboek van Strafrecht vermelde omstandigheden;
ten aanzien van dagvaarding III, feit 1:
diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels;
ten aanzien van dagvaarding III, feit 2:
diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van 90 (NEGENTIG) DAGEN;
bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
bepaalt dat een gedeelte van die straf, groot 62 (TWEEËNZESTIG) DAGEN, niet zal worden ten uitvoer gelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op drie jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:
- zich meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de
reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn;
- zich laat behandelen door De Waag, of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De
zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling;
- op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zoekt of heeft met de
aangeefster [aangeefster 1] , geboren op [geboortedatum 5] 2008;
- gedurende de proeftijd meewerkt aan controles om zicht te krijgen op het
gebruik cannabis. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd;
geeft opdracht aan Reclassering Nederland tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde voorwaarde(n) en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;
voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht daaronder begrepen;
veroordeelt de verdachte voorts tot:
een taakstraf voor de tijd van 240 (TWEEHONDERDVEERTIG) UREN;
beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de tijd van 4 (VIER) MAANDEN;
ten aanzien van het bij dagvaarding I onder 3 bewezen verklaarde feit;
bepaalt dat ter zake van het bij dagvaarding I onder 3 bewezen verklaarde feit geen straf of maatregel wordt opgelegd;
voorlopige hechtenis
heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte;
de vordering van de benadeelde partij [aangever]
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [aangever] deels toe tot een bedrag van € 500,- en veroordeelt de verdachte hoofdelijk om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 30 maart 2026 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [aangever] ;
bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding en dat de benadeelde partij dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
veroordeelt de verdachte tevens hoofdelijk in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;
bepaalt dat als de mededader de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald de verdachte niet meer verplicht is om dat deel te betalen of te voldoen;
de vordering van de benadeelde partij [aangeefster 3]
bepaalt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding;
veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen die vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil;
de schadevergoedingsmaatregel
legt aan de verdachte hoofdelijk op de verplichting om aan de Staat te betalen een bedrag van € 500,-, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 30 maart 2026 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [aangever] ;
bepaalt dat als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 5 dagen; de toepassing van gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op;
bepaalt dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, en dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen;
de vorderingen tenuitvoerlegging van een voorwaardelijk opgelegde straf
gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voorwaardelijk opgelegd bij voormeld vonnis van de kinderrechter in deze rechtbank d.d. 9 september 2022, gewezen onder parketnummer 09/140786-26, te weten een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 30 uren, subsidiair 15 dagen jeugddetentie;
verlengt de proeftijd van de bij vonnis van de meervoudige kamer in deze rechtbank d.d. 5 juni 2024, gewezen onder parketnummer 09/233662-23, opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf met één jaar.
Dit vonnis is gewezen door
mr. V.J. de Haan voorzitter,
mr. G. Kuijper, rechter,
mr. H.M.P. Hillenaar, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. I.C. Melieste, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 1 september 2026.