RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser,
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.10558
V-nummer: [V-nummer] ,
(gemachtigde: mr. M.S. Yap),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Procesverloop
Eiser heeft op 25 februari 2026 beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag.
Op 24 juni 2026 heeft verweerder eiser kennisgegeven van de beslissing op zijn aanvraag.
De rechtbank doet op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.
Overwegingen
1. Verweerder heeft niet binnen de hiervoor geldende termijn op de aanvraag van eiser heeft beslist, maar nu op 24 juni 2026 alsnog tot een besluit is gekomen, is verweerder geheel aan het beroep van eiser tegemoetgekomen. Eiser heeft, gelet op artikel 6:20, derde lid, van de Awb, in zoverre geen procesbelang meer zodat het beroep niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.
2. Ook wanneer een beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard, is een proceskostenveroordeling mogelijk. Dit is in het bijzonder het geval als het bestuursorgaan aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen. Gelet op wat hiervoor is overwogen, doet deze situatie zich hier voor.
3. De rechtbank stelt vast dat verweerder geen beslissing op de aanvraag van eiser heeft genomen voordat de beslistermijn op 1 oktober 2024 was verlopen. Daarnaast is er een correcte ingebrekestelling ontvangen op 6 februari 2026 en niet binnen veertien dagen vanaf die dag beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op de aanvraag. Daarmee is er voldaan aan de vereisten van artikel 6:12, tweede lid, van de Awb. Geconcludeerd kan worden dat het beroep van 25 februari 2026 niet ten onrechte is ingesteld. Daarom ziet de rechtbank reden om verweerder te veroordelen in de proceskosten van eiser.
4. De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht.
Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Bpb voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 467,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934,- met een wegingsfactor 0,5). De rechtbank is van oordeel dat de wegingsfactor ‘licht’ van toepassing is aangezien het beroep alleen ziet op het niet tijdig nemen van het besluit.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep niet-ontvankelijk;
veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 467,- (vierhonderdzevenenzestig euro).
Deze uitspraak is gedaan op 9 september 2026 door mr. E.J. Govaers, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Strik, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.