RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], V-nummer: [v-nummer], eiser,
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
Samenvatting
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.7210
(gemachtigde: mr. F.W. Verweij),
en
(gemachtigde: mr. J. Kamphuis).
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven maar dat de minister het opleggen van een terugkeerbesluit en de weigering van een vergunning regulier op grond van het buitenschuldbeleid voor alleenstaande minderjarige vreemdelingen onvoldoende heeft gemotiveerd. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft op 19 september 2023 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 9 februari 2026 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als ongegrond. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep op 17 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen: de gemachtigde van de minister. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.
Op 17 juli 2026 heeft de rechtbank het onderzoek heropend en eiser in de gelegenheid gesteld om te reageren op het verhandelde ter zitting. Eiser heeft op 17 augustus 2026 een reactie ingediend.
De rechtbank sluit het onderzoek.
Beoordeling door de rechtbank
Het asielrelaas
3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag ten grondslag dat hij uit Syrië is gevlucht door de oorlog. Hierna is eiser naar Turkije gegaan. Omdat eiser in Turkije veel problemen had, heeft hij besloten om naar Nederland te gaan. Bij terugkeer naar Syrië vreest eiser voor verschillende groeperingen die zich nog in Syrië bevinden. Eiser was erg jong toen hij Syrië verliet en weet niet wat hij daar moet doen. Er is geen toekomst meer voor eiser. Eiser is bang dat hij doodgaat en gedwongen wordt om mee te vechten omdat hij geen andere baan kan krijgen.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
De minister stelt zich op het standpunt dat de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig zijn. Eisers vrees kan niet op geloofwaardigheid beoordeeld worden en wordt daarom beoordeeld in het kader van vluchtelingschap en/of ernstige schade.
Is sprake van strijd met het Unierecht?
5. Volgens eiser is het uitgangspunt dat asielaanvragen ex-nunc worden beoordeeld strijdig met het Unierecht, meer in het bijzonder het Unierechtelijke beginsel van rechtszekerheid en het recht op gelijke behandeling. Omdat het recht op asiel is vastgelegd in het Handvest, een belangrijk uitgangspunt van de Procedurerichtlijn gelegen is in een snelle procedure en voormelde toetsing van de minister hieraan afbreuk doet is sprake van een onrechtmatig besluit. De ex-nunc toetsing die de minister voorstaat kan slechts plaatsvinden binnen de maximale beslistermijn.
De rechtbank overweegt dat als uitgangspunt geldt dat bij het nemen van een besluit, het recht wordt toegepast zoals het op dat moment geldt. Alleen in het geval van bijzondere omstandigheden kan van dit uitgangspunt worden afgeweken en de enkele omstandigheid dat een belanghebbende door toepassing van nieuw recht in een ongunstigere positie komt, is onvoldoende. Dit geldt ook voor beleidsregels.
De omstandigheid dat eiser geen verblijfsvergunning heeft verkregen in tegenstelling tot anderen waarbij eerder op de aanvraag is beslist is vervelend, maar kan niet aangemerkt worden als een bijzondere omstandigheid. Ook het feit dat de minister niet tijdig op de aanvraag heeft beslist leidt niet tot het oordeel dat sprake is van een bijzondere omstandigheid. Er zijn immers meer vreemdelingen waarvoor geldt dat de beslistermijn (ruimschoots) is overschreden en waarvan de behandeling van de aanvraag (te) lang is blijven liggen.
De rechtbank ziet ook geen aanleiding voor het oordeel dat de gemaakte ex nunc-beoordeling in strijd is met het Unierecht. Uit het Unierecht volgt juist dat asielaanvragen ex nunc beoordeeld moeten worden. Eisers beroep op het arrest A.S. maakt het voorgaande niet anders. Kort gezegd blijkt uit dit arrest dat als een onderdaan van een derde land of staatloze die op het tijdstip van zijn aankomst op het grondgebied van een lidstaat en de indiening van zijn asielverzoek in die staat jonger dan 18 jaar oud was, maar die gedurende de asielprocedure meerderjarig wordt en vervolgens wordt erkend als vluchteling, moet worden gekwalificeerd als “minderjarige” in de zin van die bepaling. In zoverre is sprake van een toetsing naar het moment van de aanvraag (ex tunc). Dit arrest ziet echter op gezinshereniging onder de Gezinsherenigingsrichtlijn en de rechtbank ziet in wat eiser hierover naar voren heeft gebracht geen reden om deze lijn door te trekken naar asielzaken.
De rechtbank is daarom van oordeel dat de minister eisers aanvraag heeft mogen beoordelen naar het beleid en de situatie in Syrië op het moment van het besluit.
Heeft de minister kunnen concluderen dat eiser geen gevaar loopt als gevolg van de algemene veiligheidssituatie in Syrië?
6. Eiser stelt dat de minister ten onrechte aanneemt dat geen sprake is van een hogere gradatie van willekeurig geweld als bedoeld in artikel 15c van de Kwalificatierichtlijn. Het staakt het vuren ziet specifiek op de regio die door de SDF gecontroleerd wordt en waarover nu dus een gewapend conflict is ontstaan met de overgangsregering. Eiser volgt de minister niet waar verwezen wordt naar de beslisnota, de Kamerbrief en de bijlage van 10 juni 2025 wat betreft de inschatting van het niveau van willekeurig geweld. Het opgelaaide gewapende conflict in Deir ez-Zor dateert immers van na deze stukken en is hierin niet op kenbaar gemotiveerde wijze betrokken. Ten onrechte volstaat de minister met de stelling dat eiser individuele omstandigheden of concrete aanknopingspunten zou moeten aandragen. Daarnaast stelt eiser dat de minister de humanitaire omstandigheden die een gevolg zijn van het gewapende conflict in Syrië moet betrekken bij de beoordeling van het niveau van willekeurig geweld in de provincie Deir ez-Zor. De totale verwoesting van het land hangt derhalve wel degelijk samen met het nog altijd voortdurende gewapend conflict in Syrië en er is niet opeens een ander of nieuw gewapend conflict gaande in Syrië na de val van Assad.
De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
Deze rechtbank en zittingsplaats heeft in de uitspraak van 9 december 2025 een oordeel gegeven over de gradatie van willekeurig geweld in Syrië. Hierin heeft de rechtbank aan de hand van hetgeen was aangevoerd geoordeeld dat er geen aanleiding bestond voor het oordeel dat de minister de situatie in Syrië ten onrechte heeft gekwalificeerd als een 15c-situatie in de laagste gradatie. De rechtbank ziet in hetgeen eiser in deze zaak heeft aangevoerd geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen. De minister heeft uit het meest recente ambtsbericht van januari 2026 terecht geconcludeerd dat het aantal geweldsincidenten in Syrië flink is gedaald, dat ook het aantal burgerdoden is afgenomen en dat de dalende trend in geweldsincidenten ook in Deir ez-Zor te zien is. Uit het ambtsbericht van januari 2026 blijkt verder dat het grootste gedeelte van de provincie Deir ez-Zor onder controle staat van de overgangsregering. Verder is het aantal incidenten met ontplofbare oorlogsresten afgenomen en worden er maatregelen genomen met betrekking tot mijnen. In de verslagperiode was sprake van ontheemding in Deir ez-Zor, maar het is niet duidelijk in hoeverre dit verband hield met conflictgerelateerd geweld. In de verslagperiode keerden echter ook meer dan 84.577 binnenlands ontheemden terug naar hun oorspronkelijke woonplaats in Deir ez-Zor. De overige door eiser genoemde informatie leidt niet tot een ander oordeel.
Ten aanzien van het meewegen van humanitaire omstandigheden verwijst de rechtbank naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 19 mei 2026. Hierin heeft de rechtbank overwogen dat humanitaire omstandigheden die in een te ver verwijderd verband staan met het willekeurig geweld of die in hoofdzaak zijn veroorzaakt door een niet-strijdende actor, niet hoeven te worden betrokken bij de globale beoordeling van de gradatie van geweld. De rechtbank volgt de minister in zijn standpunt dat de slechte humanitaire omstandigheden, zoals beschreven in de ambtsberichten over Syrië en de door eiser genoemde rapporten en artikelen, in overwegende mate het gevolg zijn van het handelen van het Assad-regime, dat geen actor meer is in het huidige gewapende conflict. Weliswaar kan ook het handelen van de thans nog actieve partijen invloed hebben op de humanitaire situatie, maar uit de landeninformatie volgt niet dat de huidige slechte humanitaire omstandigheden in hoofdzaak worden veroorzaakt of in stand gehouden door die partijen. Integendeel, uit de informatie blijkt dat de slechte humanitaire situatie in belangrijke mate wordt bepaald door een samenloop van factoren, waaronder langdurige economische ontwrichting, bestuurlijke en institutionele verzwakking, economische sancties, gebrekkige wederopbouw en de algemene staat van de infrastructuur na jaren van conflict. De slechte humanitaire omstandigheden zijn dus niet in overwegende mate te herleiden tot het actuele willekeurige geweld. Eiser heeft niet inzichtelijk gemaakt waaruit volgt dat de op dit moment actieve partijen in het gewapend conflict de slechte humanitaire situatie in Syrië, en in het bijzonder in Deir ez-Zor, veroorzaken of in stand houden. Gelet hierop heeft de minister de humanitaire omstandigheden in zoverre buiten beschouwing mogen laten bij de vaststelling van de gradatie van het willekeurig geweld.
De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat de minister, met inachtneming van wat in deze zaak is aangevoerd, voldoende heeft gemotiveerd dat sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld.
Heeft de minister voldoende en deugdelijk onderzoek gedaan naar adequate opvang?
7. Eiser stelt wel degelijk te hebben aangetoond dat het op voorhand onmogelijk zou zijn dat hij had kunnen rekenen op de zorg van zijn moeder in Syrië ten tijde van zijn minderjarigheid. Hun huis was gebombardeerd en zijn vader is hierbij omgekomen. Zijn moeder is met eiser gevlucht naar Turkije in 2017, alwaar zij nog steeds verblijft. De minister lijkt te impliceren dat adequate opvang bestond voor eiser in Turkije, doch dit is niet het juiste toetsingskader. Het gaat immers om de vraag of er adequate opvang was in het land van herkomst c.q. terugkeer en dit is Syrië. Deze vraag dient dan ook ontkennend beantwoord te worden en de minister heeft zulks ten onrechte niet erkend.
De rechtbank stelt voorop dat uit het arrest TQ volgt dat de minister, voorafgaand aan het nemen van een terugkeerbesluit, de situatie van een minderjarige algemeen en grondig moet toetsen, waarbij rekening wordt gehouden met het belang van het kind. Daarbij moet de minister meerdere aspecten betrekken, zoals de leeftijd, het geslacht, de bijzondere kwetsbaarheid, de fysieke en mentale gezondheid, het eventuele verblijf in een pleeggezin, het opleidingsniveau en de sociale omgeving van de minderjarige. De minister dient zich er in dit kader van te overtuigen dat voor de minderjarige adequate opvang aanwezig is in het land van terugkeer.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich met de huidige motivering niet op het standpunt kunnen stellen dat gedurende de minderjarigheid van eiser sprake was van adequate opvang. Hoewel de minister terecht stelt dat de moeder van eiser een zorgplicht heeft en verantwoordelijk is voor het effectueren van de zorg voor eiser in Syrië, betekent dit niet per definitie dat adequate opvang ook feitelijk beschikbaar is. Uit het IB 2025/13 volgt dat voor het aannemen van adequate opvang moet blijken dat de ouder(s) of andere volwassenen die eerder zorg hebben gedragen voor het kind, bereid zijn zorg te gaan dragen voor het kind, dan wel op een traceerbaar adres in het land van herkomst of terugkeer aanwezig zijn. Het enkele contact tussen eiser en moeder, is onvoldoende om dit op voorhand aan te nemen. Uit voornoemd IB volgt namelijk ook dat een adres traceerbaar is als de alleenstaande minderjarige vreemdeling (amv) een concreet adres noemt of als de amv – bij het ontbreken van adresgegevens omdat de ouders/verzorgers in een dorp verblijven – specifieke informatie kan geven over de locatie in het dorp. De rechtbank leidt hieruit af dat sprake moet zijn van enige concrete aanknopingspunten om de beschikbaarheid van adequate opvang aan te kunnen nemen. Het enkele contact met de moeder acht de rechtbank onvoldoende, te meer nu de moeder van eiser in Turkije verblijft en eiser slechts een terugkeerbesluit voor Syrië heeft ontvangen, en door de verwoesting van de ouderlijke woning niet gebleken is van een traceerbaar adres of specifieke locatie in het dorp. Daarbij overweegt de rechtbank ook dat de minister moet motiveren in hoeverre sprake kan zijn van adequate opvang in Syrië in een periode waarin door de minister in zijn algemeenheid werd aangenomen dat vreemdelingen vanwege 3 EVRM risico’s, niet naar dat land konden terugkeren.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op het opleggen van een terugkeerbesluit en het weigeren van een vergunning regulier op grond van het buitenschuldbeleid amv. Het is aan de minister om opnieuw af te wegen en deugdelijk te motiveren of alsnog (g)een verblijfsvergunning moet worden verleend en terugkeerbesluit moet worden opgelegd. De minister moet daarom op dat onderdeel een nieuw besluit nemen waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak. Voor het overige blijft het bestreden besluit in stand.
9. Eiser krijgt ook een vergoeding van zijn proceskosten. De rechtbank stelt deze kosten vast op € 934,-.
Beslissing
De rechtbank:
̵ verklaart het beroep gegrond;
̵ vernietigt het bestreden besluit voor zover hierin een terugkeerbesluit is opgelegd en een vergunning regulier buitenschuldbeleid amv is geweigerd;
̵ draagt de minister op om binnen 8 weken na bekenmaking van deze uitspraak, met betrekking tot het terugkeerbesluit en de vergunning regulier buitenschuldbeleid amv een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;- bepaalt dat het bestreden besluit in stand blijft voor zover daarbij de asielaanvraag van eiser is afgewezen als ongegrond;
̵ veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 934,00.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, rechter, in aanwezigheid van mr. D.G. van den Berg, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.