RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], V-nummer: [v-nummer], eiser,
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
Samenvatting
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.7239
(gemachtigde: mr. F.W. Verweij),
en
(gemachtigde: mr. J. Kamphuis).
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft op 8 juni 2023 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 9 februari 2026 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld. Daarbij heeft eiser ook verzocht om een voorlopige voorziening. Hierop wordt bij afzonderlijke uitspraak beslist.
De rechtbank heeft het beroep op 17 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen: de gemachtigde van de minister.
De rechtbank heeft eiser in de gelegenheid gesteld schriftelijk te reageren op het verhandelde ter zitting. De rechtbank heeft deze reactie op 17 augustus 2026 ontvangen.
De rechtbank sluit het onderzoek.
Beoordeling door de rechtbank
Het asielrelaas
3. Eiser heeft de Nigeriaanse nationaliteit en legt aan zijn asielaanvraag ten grondslag dat hij tussen 2007 en 2010 problemen had met zijn oom, die lid was van een bende. Daarnaast heeft hij verklaard dat hij rond oktober 2013 problemen kreeg met leden van de politieke partij APC omdat zij wilden dat hij voor hen ging werken. Eiser weigerde dit en stelt daarop door hen mishandeld te zijn. Daarbij zou eiser zelfs twee keer door hen zijn beschoten. Ook heeft eiser verklaard dat zijn vader wilde dat hij het leger in zou gaan, wat hij heeft kunnen weigeren. Ten slotte heeft eiser nog aangegeven dat zijn overleden zoon in Nederland is begraven.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
De minister stelt zich hierover op het standpunt dat de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser niet geloofwaardig zijn. De problemen in Nigeria worden niet inhoudelijk getoetst.
Wat vindt eiser?
5. Eiser stelt geen notie van het belang van zijn verlopen paspoort te hebben gehad omdat hij tot aan het nader gehoor geen enkele aanleiding had om te veronderstellen dat de minister hem niet zou volgen in zijn nationaliteit en identiteit. Afgezien van het feit dat eiser niet langer beschikt over dit verlopen paspoort is het volkomen irreëel om te verwachten dat eiser in de twee dagen tussen het nader gehoor en het voornemen dit paspoort had kunnen overleggen. Na het nader gehoor en het voornemen heeft eiser opnieuw originele stukken opgevraagd in Nigeria om zijn identiteit en nationaliteit te onderbouwen. Eiser betwist daarnaast dat hij wisselend heeft verklaard over zijn paspoort en dat hij de minister heeft willen misleiden door in Duitsland een geboorteakte over te leggen. In de schriftelijke reactie van 17 augustus 2026 vraagt eiser om aanhouding van de zaak tot Bureau Documenten de op 23 juli 2026 door eiser overgelegde originele documenten heeft kunnen beoordelen. Eiser meent dat hij met deze originele stukken (alsnog) voldaan heeft aan zijn verplichting om zijn identiteit en nationaliteit aan te tonen met documenten.
Daarnaast meent eiser dat het op de weg van de minister ligt om gemotiveerd te stellen dat de MOB-meldingen kunnen worden tegengeworpen. De minister is hierin niet geslaagd. Eiser persisteert bij het nader gehoor waarin hij uitgelegd heeft waarom hij door de omstandigheden het AZC heeft verlaten. Dit raakt wat eiser betreft op geen enkele wijze aan de geloofwaardigheid van zijn relaas. De geloofwaardigheid als persoon (voorwaarde e) kan niet automatisch tot gevolg hebben dat eiser zijn asielrelaas daarom ongeloofwaardig is. De minister ontkomt er ook in dit geval niet aan om een integrale geloofwaardigheidsbeoordeling uit te voeren. Ook mist de redenering dat het asielrelaas van eiser niet geloofwaardig zou zijn omdat hij zich niet aan de wet- en regelgeving in Italië zou hebben gehouden, juridische grondslag. De veroordeling in Italië kan alleen worden tegengeworpen als de minister kan aantonen dat eiser wist van de veroordeling.
Tot slot stelt eiser dat het niet aan hem is om te onderbouwen waarom er geen sprake is geweest van het voeren van een alias. In de zienswijze is al geschreven dat eiser niet eens weet op welke informatie van de Italiaanse overheid gedoeld wordt, zodat eiser ook geen kennis heeft kunnen nemen van deze informatie en derhalve niet in staat is om hierop te reageren anders dan met de stelling dat hij zich nog nooit uitgegeven heeft als iemand anders en nog nooit een alias heeft gebruikt of genoemd.
Oordeel rechtbank
6. De rechtbank oordeelt dat de minister de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser niet ten onrechte niet geloofwaardig heeft geacht. Eiser is nadrukkelijk gewezen op het belang van het overleggen van documenten, zoals het paspoort. Dat eiser deze niet heeft overgelegd kan hem daarom worden tegengeworpen, te meer nu ook niet is gebleken van enige inspanning om het document naar Nederland te laten komen. Daarnaast heeft de minister ook kunnen overwegen dat eiser in grote lijnen niet als geloofwaardig kan worden beschouwd nu hij een misleidend document heeft overgelegd. Dat eiser niet van plan was om dit document aan de Nederlandse autoriteiten te overleggen staat niet in de weg aan de conclusie van de minister. Het blijft eisers verantwoordelijkheid om juiste, volledige en authentieke documenten te overleggen, ongeacht het land waar hij asiel aanvraagt en de enkele en niet onderbouwde stelling dat eiser de minister niet heeft willen misleiden, is onvoldoende. In zoverre eiser met de op 23 juli 2026 overgelegde documenten zijn identiteit en nationaliteit alsnog heeft willen onderbouwen, overweegt de rechtbank dat het originele paspoort geen onderdeel is van de overgelegde stukken en dat de rechtbank daarom geen aanleiding ziet om de zaak aan te houden. Het gebrek aan inspanningen om dit paspoort te overleggen, evenals de geboorteakte die met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet echt is, rechtvaardigen reeds de conclusie van de minister dat de identiteit en nationaliteit van eiser niet geloofwaardig zijn. Dat de minister daarbij geen integrale beoordeling heeft gemaakt, is de rechtbank niet gebleken.
Daarnaast heeft de minister naar het oordeel van de rechtbank ook kunnen betrekken dat eiser meerdere malen met onbekende bestemming is vertrokken. Eiser geeft aan hier redenen voor te hebben gehad, maar de minister overweegt terecht dat eiser die niet heeft onderbouwd. Bovendien valt voor de rechtbank niet in te zien waarom eiser, wat die redenen ook zijn geweest, de autoriteiten hier niet van op de hoogte had kunnen stellen. Ook relevant is het handelen van eiser in Italië. Dit handelen heeft namelijk invloed op de geloofwaardigheid van eiser: van een vreemdeling die genoodzaakt is asiel aan te vragen mag worden verwacht dat hij zich in dat land houdt aan de wet- en regelgeving. Omdat eiser dit niet heeft gedaan, kan hem dat worden tegengeworpen. Of eiser al dan niet wist dat hij veroordeeld was, is daarbij niet relevant.
Tot slot oordeelt de rechtbank dat ook eisers grond ten aanzien van de aliassen niet slaagt. De minister heeft op basis van informatie van de Italiaanse autoriteiten aan eiser tegengeworpen dat hij daar onder twee aliassen bekend stond. De enkele stelling van eiser dat hij nooit een alias heeft gebruikt, is onvoldoende voor het oordeel dat de minister niet van informatie van de Italiaanse autoriteiten uit mag gaan.
7. Omdat de minister de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser niet ten onrechte niet geloofwaardig heeft geacht, heeft hij terecht het tweede asielmotief niet inhoudelijk beoordeeld.
Conclusie en gevolgen
8. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als kennelijk ongegrond.
Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, rechter, in aanwezigheid van mr. D.G. van den Berg, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.