Beschikking op het op 5 augustus 2024 ingekomen verzoek van:
[de vader],
de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. A.J. van Steensel in Den Haag.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de moeder],
de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. M.C. Rosier in Amsterdam, voorheen: mr. A J. Robbers in Amsterdam.
Procedure
Bij beschikking van 13 augustus 2025 van deze rechtbank is bepaald dat het contact tussen de vader en [minderjarige] onder regie van de gecertificeerde instelling wordt hersteld en is ieder beslissing ten aanzien van de definitieve zorgregeling aangehouden tot 1 mei 2026.
De rechtbank heeft opnieuw kennisgenomen van de stukken, waaronder nu ook:
De minderjarige [minderjarige] is in de gelegenheid gesteld zijn mening te geven, maar heeft daarvan geen gebruik gemaakt.
Op 29 juli 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank met gesloten deuren voortgezet in de vorm van een gecombineerde behandeling van zowel onderhavig verzoek als het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling (C/09/707542 / JE RK 26-1090). Op het laatstgenoemde verzoek wordt bij afzonderlijke beschikking beslist. Daarbij zijn verschenen:
Aanvullend verzoek en verweer
De moeder heeft aanvullend verzocht:
De vader voert verweer, dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Beoordeling
De rechtbank handhaaft al hetgeen bij genoemde beschikking is overwogen en beslist, voor zover in deze beschikking niet anders wordt overwogen of beslist.
Verdeling van de zorg- en opvoedingstaken
De vader voert aan ondanks de inzet van de jeugdbeschermer en de tussenbeschikking van 13 augustus 2025 er nog altijd geen contact is met [minderjarige]. De vader maakt zich grote zorgen over de ontwikkeling van [minderjarige], in het bijzonder nu hij sinds de herfstvakantie 2025 niet meer naar school gaat terwijl hij volgens de school [schoolnaam] wel een goede ontwikkeling doormaakte. De vader is van mening dat het afgelopen jaar tijdens de ondertoezichtstelling te weinig is geprobeerd om het contact met [minderjarige] te herstellen, en hoopt dat hier op korte termijn wel stappen in gezet kunnen worden.
De moeder voert verweer. Zij is van mening dat [minderjarige] overbelast is waardoor hij niet naar school kan of thuis met de moeder schoolwerk kan maken. Er moet eerst worden ingezet op hulpverlening door [zorginstantie 1] en een SI-therapeut voordat het contact met de vader hersteld kan worden.
De rechtbank overweegt als volgt. Vorig jaar is de ondertoezichtstelling over [minderjarige] uitgesproken en was één van de doelstellingen van deze ondertoezichtstelling om toe te werken naar contact met de vader. Bij tussenbeschikking van 13 augustus 2025 in deze procedure is daarom ook bepaald dat het contact tussen de vader en [minderjarige] zo snel mogelijk hersteld moet worden onder regie van de gecertificeerde instelling, waarbij het streven is dat er niet later dan 1 november 2025 een dagdeel per weekend contact is. De rechtbank constateert dat dit niet van de grond is gekomen en dat er zelfs geen enkel contactmoment heeft plaatsgevonden. Uit de stukken van de ondertoezichtstelling en het raadsrapport van vorig jaar volgen geen duidelijke oorzaken waarom er geen contact is tussen de vader en [minderjarige], afgezien van de autisme- en angststoornis van [minderjarige] die ook al bestond toen hij wel contact had met de vader. De ouders verschillen echter van visie of eerst hulpverlening ingezet moet worden voordat gestart kan worden met contactherstel.
De rechtbank is van oordeel dat contactherstel nog steeds in het belang is van [minderjarige] en dat niets daar in de weg lijkt te staan, met dien verstande dat gelet op de problematiek van [minderjarige], het contact wel zorgvuldig opgebouwd moet worden. In dat licht zal de rechtbank bepalen dat onder regie van de gecertificeerde instelling binnen drie maanden moet zijn toegewerkt naar een vorm van structureel en fysiek contact, waarbij de gecertificeerde instelling het tempo, de frequentie en de duur van deze contactmomenten zal bepalen. Op termijn moet worden uitgebreid naar een zorgregeling zoals verzocht door de vader waarbij [minderjarige] om het weekend en de helft van de vakanties bij hem is. De rechtbank verwacht van beide ouders dat zij zich hierbij constructief zullen opstellen en dat de moeder [minderjarige] zal stimuleren in het contact met de vader.
Gezien het tijdsverloop sinds de indiening van het verzoekschrift op 5 augustus 2024, ziet de rechtbank geen aanleiding om de zaak verder aan te houden. Het is aan beide ouders om onder regie van de gecertificeerde instelling het contact tussen de vader en [minderjarige] te herstellen.
Eenhoofdig gezag
De moeder verzoekt opnieuw om belast te worden met het eenhoofdig gezag over [minderjarige]. De afgelopen periode is volgens haar opnieuw gebleken dat de vader herhaaldelijk niet zijn toestemming wil geven voor hulpverleningstrajecten en onderzoeken voor [minderjarige]. De vader erkent hierbij de problematiek van [minderjarige] niet en blijft hij aandringen op contactherstel terwijl [minderjarige] volledig overbelast is. De vader handelt hierdoor niet in het belang van [minderjarige]. Volgens de moeder is het in belang van [minderjarige] dat er stabiliteit, continuïteit en veiligheid komt. Door de moeder met het eenhoofdig gezag te belasten kan dit worden bereikt en kan worden ingezet op effectieve hulpverlening zonder obstructie van de vader. Van de moeder kan immers niet verwacht worden dat zij kosten blijft maken voor het voeren van rechtszaken voor de juiste hulpverlening, school en onderzoeken voor [minderjarige] omdat de vader geen toestemming wil geven.
De vader voert verweer en stelt dat niet voldaan is aan de wettelijke criteria. Dat de ouders een andere visie en ideeën hebben over wat [minderjarige] nodig heeft, is volgens de vader onvoldoende om de moeder te belasten met het eenhoofdig gezag. Daarnaast blijkt nergens uit dat de vader aan gezagsbeslissingen in de weg heeft gestaan.
De rechtbank overweegt dat de moeder op de zitting van 22 juli 2025 haar verzoek tot eenhoofdig gezag heeft ingetrokken en nu het verzoek opnieuw doet. Aan het huidige verzoek ligt vooral de weigerende houding van de vader voor aanmelding bij [zorginstantie 1] en de SI-therapeut ten grondslag. De rechtbank overweegt dat [zorginstantie 2] in januari 2026 een behandeladvies heeft uitgebracht, wat op 17 februari 2026 met de ouders en de voormalige jeugdbeschermer is besproken. Op 14 april 2026 is naar aanleiding van een verzoek van de moeder, een e-mail gestuurd door [zorginstantie 2] dat [zorginstantie 1] ook een passend vervolg zou kunnen bieden op de bevindingen van [zorginstantie 2] met de kanttekening dat indien een autismestoornis voorliggend is, het aanbod van [zorginstantie 1] wellicht niet goed aansluit bij de problematiek van [minderjarige]. Op verzoek van de gecertificeerde instelling heeft [zorginstantie 2] op 24 juni 2026 aangegeven dat zowel aanmelding bij [zorginstantie 1] als een SI-therapeut tot passend zijn voor [minderjarige]. De rechtbank overweegt dat in dat licht aan de vader geen verwijt kan worden gemaakt dat hij niet eerder zijn toestemming voor [zorginstantie 1] heeft geven. Bovendien heeft de vader naar aanleiding van de mail van 24 juni 2026 van [zorginstantie 2] aan de nieuwe jeugdbeschermers laten weten akkoord te zijn met aanmelding bij [zorginstantie 1] en een SI-therapeut. Dat de moeder het lastig vindt om met de vader om te gaan en dat de ouders regelmatig van mening verschillen over wat goed is voor [minderjarige], is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende voor toewijzing van het verzoek tot eenhoofdig gezag. Daarnaast is niet gebleken dat de vader niet in het belang van [minderjarige] handelt of dat [minderjarige] klem en/of verloren zal raken als beide ouders het gezag behouden. Gelet op het bovenstaande, zal de rechtbank het verzoek van de moeder afwijzen.
Vervangende toestemming hulpverlening
Behandeling door [zorginstantie 1]
Op de zitting is gebleken dat de vader expliciet zijn toestemming heeft verleend. De gecertificeerde instelling heeft toegelicht dat [minderjarige] inmiddels is aangemeld bij [zorginstantie 1] en dat de komende weken wordt beoordeeld of [zorginstantie 1] kan starten met een behandeling. Zodra dit bekend is wordt dit teruggekoppeld aan de moeder die de behandelingsformulieren toegestuurd krijgt. Deze formulieren dienen daarna naar de vader te worden gestuurd.
Omdat de vader per e-mail en op de zitting expliciet heeft aangegeven akkoord te zijn met aanmelding van [zorginstantie 1], gaat de rechtbank ervan uit dat hij ook deze behandelingsformulieren zal tekenen. De rechtbank gaat daarom het verzoek tot vervangende toestemming afwijzen.
Onderzoek naar hoogbegaafdheid door [zorginstantie 1]
De moeder vindt het belangrijk dat er onderzoek wordt gedaan naar hoogbegaafdheid bij [minderjarige] door [zorginstantie 1] omdat al langere tijd het vermoeden bestaat dat hij hoogbegaafd is. Gelet op zijn overige problematiek is het belangrijk om dit uit te sluiten of vast te stellen. De moeder vreest dat de vader hiervoor niet zijn toestemming wil geven. De vader voert verweer. Hij heeft een psychologisch onderzoek van oktober 2024 overgelegd (met een geldigheid van twee jaar) waaruit volgt dat [minderjarige] een gemiddeld IQ heeft van 96. Hoewel de vader akkoord is met behandeling door [zorginstantie 1], zijn er volgens hem ook overigens geen specifieke aanwijzingen voor hoogbegaafdheid.
De rechtbank overweegt dat de gecertificeerde instelling op de zitting heeft aangegeven dat hoogbegaafdheid een klein onderdeel uitmaakt van het onderzoek en diagnostiek door [zorginstantie 1]. De rechtbank is net als de gecertificeerde instelling van oordeel dat het aan [zorginstantie 1] is om te bepalen hoe zij dat onderzoek vormgeeft. De rechtbank zal het verzoek van de moeder daarom afwijzen.
Aanmelding SI-therapeut
De moeder vindt het belangrijk dat [minderjarige] naar een SI-therapeut gaat zodat hij begeleiding krijgt bij het verwerken van prikkels. Daarnaast ziet de behandeling op het stabiliseren en het kalmeren van zijn zenuwstelsel. De moeder denkt dat [minderjarige] hier veel baat bij kan hebben.
Op de zitting heeft de moeder de toestemmingsformulieren voor aanmelding bij de SI-therapeut overhandigd aan de vader, die heeft toegezegd deze na de zitting te zullen ondertekenen. De rechtbank zal het verzoek van de moeder daarom wegens gebrek aan belang afwijzen.
Beslissing
De rechtbank – met wijziging in zoverre van de beschikking van 13 augustus 2025 deze rechtbank – :
*
bepaalt dat onder regie van de gecertificeerde instelling binnen drie maanden wordt toegewerkt naar structureel contact tussen de vader en [minderjarige], waarbij het tempo, de frequentie en de duur van deze contactmomenten wordt bepaald door de gecertificeerde instelling. Daarbij moet -zo mogelijk- worden toegewerkt naar een regeling waarbij [minderjarige] om het weekend en de helft van de vakanties bij de vader is;
*
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
*
wijst af het meer of anders verzochte.