Omgang en informatieregeling
Beschikking op het op 27 november 2025 ingekomen verzoek van:
[de vader] ,
de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. C. Ekholm te Leiden.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de moeder] ,
de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. C. Batstra te Amsterdam.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken waaronder:
De minderjarige [minderjarige] is in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over het verzoek, maar heeft van deze gelegenheid geen gebruik gemaakt.
Op 3 juli 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
Feiten
- [minderjarige] (roepnaam: [minderjarige] ), geboren op [geboortedatum] 2017 te [geboorteplaats] .
- De moeder is van rechtswege alleen met het ouderlijk gezag over [minderjarige] belast.
- Bij beschikking van deze rechtbank van 17 april 2019 zijn de verzoeken van de vader ter zake de vaststelling van een omgangsregeling tussen hem en [minderjarige] afgewezen.
Verzoek en verweer
De vader verzoekt:
- een opbouwende omgangs-/contactregeling vast te stellen, waarbij:
- de vader één keer per maand een kaart mag sturen naar [minderjarige] ;
- partijen worden verwezen naar een omgangshuis om aldaar begeleide omgang tussen de vader en [minderjarige] te laten plaatsvinden;
- [minderjarige] nadat het traject bij het omgangshuis is afgerond een paar uur per week, nader tussen partijen in onderling overleg (bij het omgangshuis) te bepalen, bij de vader verblijft;
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De moeder voert verweer. Zij verzoekt primair de verzoeken van de vader met betrekking tot omgang, belmomenten en een informatieregeling af te wijzen, en subsidiair de Raad onderzoek te laten verrichten naar de vraag of omgang, belcontact en een informatieregeling in het belang van [minderjarige] kan worden geacht, een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
Beoordeling
Uit de overgelegde stukken en het besprokene op de zitting is de rechtbank het volgende gebleken. De relatie tussen partijen is eind 2017 geëindigd. [minderjarige] was toen enkele maanden oud. Het staat vast dat de vader huiselijk geweld heeft gepleegd tegen de moeder. Hiervoor is hij ook veroordeeld. Medio 2018 heeft de vader de rechtbank (onder meer) verzocht een omgangsregeling vast te stellen. Naar aanleiding hiervan heeft de rechtbank de Raad verzocht een onderzoek te verrichten. Hoewel de Raad destijds heeft geadviseerd omgang tussen vader en [minderjarige] te laten plaatsvinden onder begeleiding van een hulpverlenende instantie, heeft de rechtbank bij beschikking van 17 april 2019 de verzoeken van de vader ter zake de vaststelling van een omgangsregeling afgewezen. Vader heeft [minderjarige] na het einde van de relatie tussen partijen niet meer gezien.
Standpunt vader
De vader wenst contactherstel tussen hem en [minderjarige] . Hij geeft aan dat hij [minderjarige] al jaren niet heeft gezien en dat hij [minderjarige] mist. De vader erkent dat hij in het verleden verkeerde keuzes heeft gemaakt, maar hij stelt na een heftig motorongeluk twee jaar geleden te zijn veranderd. Iedereen in zijn omgeving kan dit beamen. Volgens de vader is contactherstel niet alleen in zijn belang, maar ook in het belang van [minderjarige] . Eventuele angsten bij [minderjarige] kunnen hierdoor worden verminderd en zij kunnen elkaar leren kennen. De vader begrijpt dat, gelet op de voorgeschiedenis tussen de ouders, contactherstel zorgvuldig en stapsgewijs dient plaats te vinden. Tevens geeft hij aan begrip te hebben voor de angsten van moeder en haar PTSS. De vader zou graag de mogelijkheid willen hebben om [minderjarige] af en toe een kaart te sturen zodat [minderjarige] weet wie zijn vader is. Daarnaast zou hij graag één keer per maand een e-mail van de moeder ontvangen met relevante informatie over [minderjarige] . Tot slot vindt de vader het belangrijk dat wordt toegewerkt naar het laten plaatsvinden van belmomenten en begeleide omgang. Verzocht wordt ook de Raad opnieuw onderzoek te laten doen naar de mogelijkheden voor contactherstel.
Standpunt moeder
De moeder geeft aan psychische en lichamelijke schade over te hebben gehouden aan de relatie met de vader. Volgens haar ondervindt [minderjarige] hiervan ook de gevolgen. De moeder verblijft op een geheim adres. Zij vreest dat de vader, indien zijn verzoeken worden toegewezen, haar verblijfplaats zal kunnen achterhalen of anderszins nadere informatie over haar kan verkrijgen. De gedachte aan enige vorm van contact of informatieverstrekking is voor haar al bedreigend. Volgens de moeder kan de veiligheid van haar en [minderjarige] onder de huidige omstandigheden onvoldoende worden gewaarborgd. Tevens voert de moeder aan dat het al langere tijd niet goed genoeg gaat met [minderjarige] om een traject gericht op contactherstel te starten. Volgens haar zou het forceren van contact een ernstige verstoring van de rust en ontwikkeling van [minderjarige] betekenen. Op de zitting heeft de moeder aangegeven dat zij begrijpt dat de vader zijn zoon wil leren kennen, maar acht op dit moment een beperkte informatieregeling het maximaal haalbare. Daarvoor heeft zij iemand uit haar directe omgeving bereid gevonden om maandelijks namens haar informatie over [minderjarige] aan de vader te verstrekken.
Standpunt Raad
De Raad begrijpt de wens van vader om contact met [minderjarige] op te bouwen en heeft daarbij opgemerkt dat het, wanneer een ouder geen informatie over zijn kind heeft, op een later moment moeilijker kan zijn om aansluiting te vinden. In dat licht bezien acht de Raad een informatieregeling van belang. Gelet op de complexe voorgeschiedenis tussen de ouders is omgang volgens de Raad op dit moment nog niet aan de orde. De moeder en [minderjarige] hebben naar het oordeel van de Raad meer tijd nodig voor herstel en om te wennen aan de gedachte dat de vader een plek zal krijgen in het leven van [minderjarige] .
Beoordeling rechtbank
De moeder heeft voldoende toegelicht dat haar situatie en die van [minderjarige] op dit moment heel kwetsbaar zijn. De moeder is gezien haar ervaringen in het verleden zeer angstig voor de vader. Zij heeft er geen vertrouwen in dat de vader (voldoende) is veranderd en ervaart geen draagkracht voor het opstarten van omgang tussen de vader en [minderjarige] .
De rechtbank is met de Raad van oordeel dat het belang van de moeder en [minderjarige] bij het hebben van rust op dit moment zwaarder weegt dan het belang van vader bij het leren kennen van [minderjarige] en het hebben van omgang met hem. Zij acht het in het belang van [minderjarige] dat de moeder – als enige verzorgster van [minderjarige] – overeind blijft. Onder de huidige omstandigheden ziet de rechtbank geen mogelijkheden voor het opstarten van begeleide omgang tussen de vader en [minderjarige] . De rechtbank is wel van oordeel dat het van belang is dat er meer duidelijkheid komt over de vraag of er ruimte is om in de toekomst contact tussen de vader en [minderjarige] tot stand te brengen. Zij ziet dan ook aanleiding om een raadsonderzoek te gelasten.
De rechtbank zal de Raad verzoeken een onderzoek in te stellen, daarover te rapporteren en de rechtbank van advies te voorzien. Aan de Raad worden de volgende onderzoeksvragen voorgelegd:
In afwachting van de uitkomst van het raadsonderzoek zal de rechtbank iedere verdere beslissing omtrent de omgang pro forma aanhouden tot na te noemen datum.
Nu de moeder heeft aangegeven bereid te zijn maandelijks via een tussenpersoon informatie over [minderjarige] aan de vader te verschaffen, zal het verzoek van de vader tot vaststelling van een informatieregeling worden toegewezen.
Beslissing
De rechtbank:
bepaalt dat de moeder – via een door haar aan te dragen tussenpersoon – de vader maandelijks schriftelijk (via e-mail) informatie zal verschaffen over belangrijke aangelegenheden betreffende de minderjarige [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2017 te [geboorteplaats] , en daarbij een recente foto van [minderjarige] meestuurt, en verklaart deze beschikking in zoverre uitvoerbaar bij voorraad;
*
verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming een onderzoek te verrichten met het hiervoor omschreven doel en daarover aan de rechtbank te rapporteren en advies uit te brengen; de Raad kan daartoe telefonisch een eerste afspraak maken met de ouders, die te bereiken zijn op de volgende telefoonnummers: [telefoonnummer 1] (advocaat vader) en [telefoonnummer 2] (advocaat moeder);
*
bepaalt dat de griffier een afschrift van de processtukken aan de Raad voor de Kinderbescherming zal toesturen;
*
houdt de behandeling aan tot 1 maart 2027 pro forma; uiterlijk op die datum dient de Raad voor de Kinderbescherming zo mogelijk zijn rapport met advies te hebben uitgebracht aan de rechtbank met kopie aan beide ouders en hun advocaten;
*
bepaalt dat de behandeling van de zaak, na ontvangst van het rapport en advies, zal worden voortgezet op een nader te bepalen wijze;
*