Omgang
Beschikking op het op 12 oktober 2022 ingekomen verzoek van:
[de vader],
de vader,
wonende te [woonplaats 1],
advocaat: mr. A. Alam-Khan te Delft.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de moeder],
de moeder,
wonende te [woonplaats 2],
advocaat: mr. M. de Boorder te Den Haag.
Procedure
Bij beschikking van deze rechtbank van 22 december 2023 is een voorlopige omgangsregeling tussen de vader en [minderjarige] bepaald, inhoudende dat [minderjarige] en de vader één uur per twee weken begeleide omgang zullen hebben op een neutrale plek, te bepalen door het omgangshuis, en waarbij deze omgang onder regie van het omgangshuis kan worden uitgebreid in duur, frequentie en locatie, indien dit in het belang van [minderjarige] wordt geacht. Daarnaast zijn de ouders verwezen naar het Kenniscentrum Kind en Scheiding voor deelname aan het hulpverleningstraject omgangsbegeleiding.
De rechtbank heeft wederom kennis genomen van de stukken, waaronder nu ook:
het F9 formulier van 15 januari 2025 van de vader;
het F9 formulier van 15 januari 2025 van de moeder;
het F9 formulier van 8 april 2025 van de moeder;
het e-mailbericht van 16 april 2025 van de vader;
het e-mailbericht van 23 april 2025 van de vader;
het F9 formulier van 15 augustus 2025 van de moeder;
het e-mailbericht van 27 augustus 2025 van de vader;
het F4 formulier van 19 februari 2026 van de vader;
het F9 formulier van 24 februari 2026 van de moeder;
het e-mailbericht van 9 april 2026 van de vader.
[minderjarige] is in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over het verzoek.
Op 15 juli 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
[naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming.
Van de zijde van de moeder is op de zitting het “Eindverslag Parallel Solo Ouderschap voor de moeder van [minderjarige] 2026” overgelegd. Na de zitting heeft de rechtbank van de zijde van de vader het “Eindverslag Parallel Solo Ouderschap voor de vader van [minderjarige]” ontvangen.
Beoordeling
Omgangsregeling
Uit de stukken en dat wat op de zitting is besproken, is gebleken dat de omgang tussen de vader en [minderjarige] is opgebouwd van begeleid naar onbegeleid contact voor vier uur per week. Vervolgens is de omgang tussen de vader en [minderjarige] weer gestopt en is er geen contact geweest tussen de vader en [minderjarige] en tussen de vader en de moeder. Beide ouders hebben van [zorginstantie] een Eindverslag Parallel Solo Ouderschap ontvangen, welke verslagen niet hetzelfde zijn. De rechtbank heeft bij [zorginstantie] hierover navraag gedaan. [zorginstantie] heeft teruggekoppeld dat beide ouders afzonderlijk een traject Parallel Solo Ouderschap hebben gevolgd, ieder met een eigen begeleider. Deze trajecten worden onafhankelijk van elkaar uitgevoerd en daardoor kunnen de einddatum van het traject en het moment waarop het eindverslag wordt opgesteld per ouder verschillen. Kennelijk heeft dit ook tot gevolg gehad dat de in de verslagen opgenomen adviezen verschillen.
De rechtbank acht het in het belang van [minderjarige] dat er een structurele omgangsregeling komt tussen de vader en [minderjarige]. Daar is op de zitting over gesproken en de ouders zijn overeen gekomen dat de opbouw van de omgang start na de zomervakantie, waarbij de omgang onbegeleid kan plaatsvinden en moet worden toegewerkt naar een regeling waarbij [minderjarige] in de oneven weken van zaterdagochtend 10.00 uur tot zondagavond 18.00 uur bij de vader is. De rechtbank zal daarbij een opbouwregeling bepalen, inhoudende dat gedurende de eerste vier weken, en dus gedurende de eerste twee keer, [minderjarige] in de oneven weken op zaterdag of op zondag van 10.00 uur tot 14.00 uur bij de vader is. Voor gedurende de acht weken daarna zal [minderjarige] in de oneven weken op zaterdag of zondag van 10.00 uur tot 18.00 uur bij de vader zijn. Daarna gaat de weekendregeling van start, namelijk de regeling waarbij [minderjarige] van zaterdagochtend 10.00 uur tot zondagavond 18.00 uur bij de vader is. Daarnaast zal de rechtbank bepalen dat [minderjarige] vanaf de meivakantie 2027 bij de vader zal zijn gedurende de helft van de mei- zomer- en kerstvakantie, in onderling overleg te verdelen. Ook zal [minderjarige] vanaf 2027 op Vaderdag bij de vader zijn, voor zover dit niet in het weekend van de vader valt.
De rechtbank heeft daarnaast een aantal randvoorwaarden met partijen afgesproken, namelijk dat de moeder één keer per maand een e-mail stuurt aan de vader over wat er in het leven van [minderjarige] gebeurt, zodat de vader goed bij hem kan aansluiten. De vader reageert daarop met een bericht over hoe de omgang met [minderjarige] is gegaan. De vader zal verder een pre paid telefoonnummer aanschaffen, waarmee hij de moeder kan bellen, indien hij wat later is voor de omgang of onverhoopt echt niet kan komen. Het is echter in het belang van [minderjarige] dat de regeling goed wordt nageleefd door beide ouders en op structurele basis doorgang vindt, zodat [minderjarige] een goede en fijne band kan opbouwen met zijn vader en daarin niet meer teleurgesteld wordt.
Beslissing
De rechtbank:
*
bepaalt dat een omgangsregeling zal gelden tussen de vader en [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2016 te [geboorteplaats], waarbij:
[minderjarige] vanaf na de zomervakantie gedurende vier weken (en dus twee keer) in de oneven weken bij de vader is op zaterdag of zondag van 10.00 uur tot 14.00 uur;
[minderjarige] in de acht weken daarna (en dus vier keer) in de oneven weken bij de vader is op zaterdag of zondag van 10.00 uur tot 18.00 uur;
[minderjarige] daarna bij de vader zal zijn in de oneven weken van zaterdagochtend 10.00 uur tot zondagavond 18.00 uur;
*
bepaalt dat een vakantieregeling tussen de vader en [minderjarige] zal gelden, waarbij [minderjarige] vanaf de meivakantie 2027 bij de vader zal zijn gedurende de helft van de mei- zomer- en kerstvakantie, in onderling overleg te verdelen, en op Vaderdag;
*
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
*
wijst af het meer of anders verzochte.