RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres] , V-nummer: [V-nummer] , eiseres
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Samenvatting
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.24195
mede namens haar minderjarige kinderen [dochter 1] en [dochter 2]
(gemachtigde: mr. K.S. Kort),
en
(gemachtigde: mr. B.E.M. Goossens).
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiseres en haar kinderen. Eiseres is het met die afwijzing niet eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag niet in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
3. Eiseres is geboren op [datum] 1983 en heeft de Braziliaanse nationaliteit. Op 25 april 2025 heeft zij een asielaanvraag ingediend voor zichzelf en haar twee dochters. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 22 mei 2025 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.
4. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
5. De rechtbank heeft het beroep in eerste instantie gepland voor een behandeling op zitting op 9 oktober 2025. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst en heeft de behandeling van het beroep verder aangehouden in afwachting van een gedragswetenschappelijk rapport van de Rijksuniversiteit Groningen met betrekking tot de kinderen van eiseres. Dit rapport is op 27 februari 2026 uitgebracht. Verweerder heeft op 12 maart 2026 daarop schriftelijk gereageerd. Het beroep is vervolgens op 14 augustus 2026 op zitting behandeld in Breda. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, [tolk] als tolk en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling door de rechtbank
Het asielrelaas
6. Eiseres legt aan haar asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiseres vreest voor haar ex-partner, met wie zij vanaf november 2014 een relatie heeft gehad, en die de vader van de kinderen is. Eiseres is sinds 2018 herhaaldelijk door hem mishandeld en bedreigd met de dood. Zij heeft meerdere aangiftes gedaan en beschermingsmaatregelen gehad. In 2021 heeft hij eiseres en haar dochter [dochter 2] aangevallen. Eiseres heeft om hulp kunnen vragen. De politie was er snel en heeft de man kunnen arresteren, waarna hij strafrechtelijk is veroordeeld. Na zeven maanden is hij voorwaardelijk vrijgelaten. Voor eiseres en haar dochters gold een beschermingsmaatregel tot het einde van de voorwaardelijke straf, die aan haar ex is opgelegd. Eiseres heeft na de vrijlating van de man haar woning verlaten. Zij is desondanks meermaals door derden aangesproken en via hen heeft zij ook bedreigingen van haar ex-man ontvangen. Eiseres vreest dat hij haar zal vermoorden wanneer zij terugkeert naar Brazilië.
Het bestreden besluit
7. Verweerder heeft de gestelde problemen met de ex-partner geloofwaardig geacht. Verweerder vindt de gestelde problemen echter niet zwaarwegend genoeg om op grond daarvan een verblijfsvergunning asiel aan eiseres te verlenen. Verweerder heeft daartoe overwogen dat het land van herkomst, Brazilië, in het algemeen wordt gezien als een veilig land van herkomst. Eiseres heeft volgens verweerder niet aannemelijk gemaakt dat Brazilië ten aanzien van haar persoonlijk zijn verdragsverplichtingen niet nakomt en dat het land voor haar persoonlijk dus niet als een veilig land kan worden beschouwd. Verweerder gaat er dus van uit dat eiseres bij problemen in Brazilië de bescherming van de autoriteiten kan inroepen. Verweerder concludeert om die reden dat eiseres niet kan worden aangemerkt als vluchteling als bedoeld in het Vluchtelingenverdrag en dat zij bij terugkeer naar Brazilië geen reëel risico op ernstige schade loopt zoals bedoeld in artikel 3 van het EVRM.
Wettelijke grondslag
8. De asielaanvraag van eiseres is afgewezen als kennelijk gegrond op grond van artikel 30b, eerste lid, onder b, van de Vw (zoals dat gold ten tijde van het bestreden besluit), omdat Brazilië door verweerder wordt beschouwd als een veilig land van herkomst. Ter zitting is gebleken dat partijen het erover eens zijn dat deze grondslag niet kan worden gehandhaafd na de uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 1 augustus 2025 over veilige landen van herkomst. Verweerder heeft in het verweerschrift toegelicht dat eiseres’ aanvraag ten onrechte in spoor 2 is behandeld, maar dat hij wel bij zijn conclusie blijft dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat Brazilië voor haar niet veilig is en dat zij bij terugkeer een reëel risico loopt op ernstige schade. Verweerder vindt daarom dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand moeten worden gelaten.
9. De rechtbank oordeelt dat het bestreden besluit vanwege de onjuiste wettelijke grondslag voor vernietiging in aanmerking komt. Het beroep zal reeds hierom gegrond worden verklaard. De rechtbank zal hierna beoordelen welke consequenties aan de gegrondverklaring van het beroep moeten worden verbonden.
Inhoudelijke beoordeling
10. Verweerder heeft de door eiseres gestelde problemen met haar ex-partner geloofwaardig geacht. Verweerder heeft overwogen dat eiseres na de vrijlating van haar ex-partner niet meer persoonlijk is bedreigd en dat er sindsdien geen persoonlijk contact is geweest met hem. De rechtbank stelt vast dat eiseres echter ook heeft verklaard – en dat heeft verweerder dus ook geloofwaardig geacht – dat zij na de vrijlating indirect wel degelijk is bedreigd en dat zij is ondergedoken. Eiseres heeft verklaringen van vriendinnen en haar broer overgelegd om dat te onderbouwen.
11. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat Brazilië voor haar niet veilig is, aangezien eiseres bij een eventuele terugkeer van de problemen (weer) de bescherming van de Braziliaanse autoriteiten kan inroepen. Verweerder werpt eiseres tegen dat zij na de vrijlating van haar ex-partner ervoor heeft gekozen om niet de hulp van de autoriteiten in te roepen, maar om onder te duiken.
12. Eiseres heeft een beroep gedaan op de Kwalificatieverordening, waarin is bepaald dat bescherming van de autoriteiten effectief moet zijn en niet tijdelijk van aard. Dit beroep slaagt. Niet in geschil dat eiseres in Brazilië te maken heeft gehad met ernstige schade als bedoeld in artikel 3 van het EVRM. De rechtbank vindt het voldoende aannemelijk dat eiseres in het verleden de bescherming van de Braziliaanse autoriteiten heeft gevraagd en ook heeft gekregen, maar dat die beschermingsmaatregelen niet een blijvend effect hebben gehad. Immers, zij en haar dochter zijn ondanks bescherming van de autoriteiten in 2021 toch (weer) mishandeld. Het ligt op de weg van verweerder om te motiveren dat ernstige schade zich niet opnieuw zal voordoen wanneer eiseres terugkeert naar Brazilië. Die motivering ontbreekt in het bestreden besluit.
13. De rechtbank volgt eiseres ook in haar standpunt dat uit het bestreden besluit niet blijkt in hoeverre en op welke wijze verweerder de belangen van de kinderen heeft vastgesteld en meegewogen, zoals artikel 3 van het IVRK voorschrijft.
Het belang van het kind
14. In beroep heeft het Onderzoeks- en Expertisecentrum voor Kinderen en Vreemdelingenrecht van de Rijksuniversiteit Groningen een gedragswetenschappelijk diagnostisch onderzoek verricht naar het ontwikkelingsbelang van de kinderen van eiseres, een zogenaamd BIC-assessment. Van dat onderzoek is op 27 februari 2026 rapport uitgebracht. Geconcludeerd is – onder meer – dat de opvoedingsomgeving van de kinderen zich kenmerkt door angst, onzekerheid en stress en dat [dochter 1] en [dochter 2] zich in een structureel kwetsbare situatie bevinden. Gerapporteerd is dat de angst om te moeten terugkeren naar het land waar het gezin zich zo onveilig heeft gevoerd, hen belemmert in hun dagelijks functioneren en dat dit een risico op ontwikkelingsschade met zich meebrengt. De angst om bij terugkeer naar Brazilië opnieuw te worden geconfronteerd met vergelijkbare vormen van onveiligheid en de continue vrees die [dochter 1] en [dochter 2] ervaren voor hun eigen leven en dat van hun moeder, vormen een groot risico op hertraumatisering.
15. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in het bestreden besluit, zoals hiervoor al overwogen, onvoldoende rekening heeft gehouden met de belangen van de kinderen. In het aanvullend verweerschrift van 12 maart 2026 heeft verweerder dat gebrek niet hersteld. Verweerder heeft onvoldoende oog gehad voor het gerapporteerde risico op ontwikkelingsschade en groot risico op hertraumatisering bij terugkeer naar Brazilië. De rechtbank leest in het rapport dat de gerapporteerde kwetsbaarheid (angst, onzekerheid en stress) niet zozeer te maken heeft met de onzekerheid over hun verblijf in Nederland, maar met name in de vrees voor de eigen veiligheid en die van hun moeder bij terugkeer naar Brazilië.
Conclusie en gevolgen
16. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit is voorzien van een onjuiste wettelijke grondslag. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten omdat, zoals hiervoor is overwogen, het bestreden besluit op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen en niet deugdelijk is gemotiveerd. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat verweerder een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak.
17. Omdat het beroep gegrond is krijgt eiseres een vergoeding van haar proceskosten.
Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 2.335,- omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en twee keer aan een zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 22 mei 2025;
- draagt verweerder op om een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 2.335,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan op 10 september 2026 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van N.A. D’Hoore, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Uitspraak bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.