ECLI:NL:RBDHA:2026:26711

ECLI:NL:RBDHA:2026:26711

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 04-09-2026
Datum publicatie 14-09-2026
Zaaknummer NL26.49098
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

bewaring, vervolgberoep, grondslag van de maatregel, voortvarend handelen, belangenafweging/lichter middel, ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Samenvatting

Zittingsplaats Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.49098

V-nummer: [v-nummer]

(gemachtigde: mr. M.K. Bhadai),

en

1. Deze uitspraak gaat over het voortduren van de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met het voortduren van de vreemdelingenbewaring. Hij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van vreemdelingenbewaring. Omdat eiser ook verzoekt om schadevergoeding beoordeelt de rechtbank ook of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.

Omdat de vreemdelingenbewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling van de maatregel van vreemdelingenbewaring zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband beoordeelt de rechtbank onder meer aan de hand van de beroepsgronden van eiser of de tenuitvoerlegging van de maatregel van vreemdelingenbewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het voortduren van de maatregel van vreemdelingenbewaring is niet onrechtmatig. De maatregel van vreemdelingenbewaring voldoet aan de voorwaarden. Verweerder hoefde niet te kiezen voor een lichter middel. Er is dus geen reden voor het toekennen van een schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.

In deze uitspraak gebruikt de rechtbank de volgende afkortingen voor wet- en regelgeving:

Vw: Vreemdelingenwet 2000

Vb: Vreemdelingenbesluit 2000

Procesverloop

2. Met het besluit van 9 augustus 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. Bij uitspraak van 19 augustus 2026 heeft de rechtbank het beroep van eiser tegen dat besluit ongegrond verklaard (zaaknummer NL26.45277).

Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel beroep ingesteld. Eiser heeft ook verzocht om schadevergoeding.

Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.

Verweerder heeft op 27 augustus 2026 de maatregel van bewaring opgeheven.

De rechtbank heeft het vooronderzoek op 1 september 2026 gesloten en bepaald dat de zaak niet op zitting wordt behandeld.

Beoordeling door de rechtbank

Toetsingskader

3. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van vreemdelingenbewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.

Uit de uitspraak van 19 augustus 2026 volgt dat de maatregel van vreemdelingenbewaring tot het moment van sluiten van dat onderzoek, rechtmatig was. Daarom beoordeelt de rechtbank nu alleen of de maatregel van vreemdelingenbewaring sinds het moment van sluiten van dat onderzoek, op 13 augustus 2026, tot het moment van de opheffing van de maatregel, op 27 augustus 2026, rechtmatig is.

De grondslag van de maatregel

4. Eiser is op 9 augustus 2026 als asielzoeker in bewaring gesteld op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vw (rechtmatig verblijf). Deze asielaanvraag heeft verweerder bij beschikking van 22 augustus 2026 afgewezen als kennelijk ongegrond. Op 27 augustus 2026 is de voornoemde maatregel van bewaring opgeheven en heeft verweerder eiser in bewaring gesteld op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw (onrechtmatig verblijf). De rechtbank toetst in deze uitspraak alleen de voortduring van de bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vw, tot het moment van de omzetting en opheffing op 27 augustus 2026.

Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat na de afwijzende asielbeschikking van 22 augustus 2026 niet is gebleken van een kenbare herbeoordeling van de grondslag van de maatregel.

De rechtbank merkt in dat kader op dat de M120 dateert van 26 augustus 2026. De rechtbank is er ambtshalve mee bekend dat verweerder de maatregel op 27 augustus 2026 heeft omgezet, zoals hiervoor onder 5 vermeld. Voorzover eiser alsdan heeft bedoeld te betogen dat verweerder - na afwijzing van eisers asielaanvraag - de maatregel eerder had moeten omzetten naar een andere grondslag, volgt de rechtbank dit niet. Dit omdat eiser naar het oordeel van de rechtbank, ook na afwijzing van zijn asielaanvraag als kennelijk ongegrond, nog immer (procedureel) rechtmatig verblijf had, in afwachting van het al dan niet aanwenden van rechtsmiddelen tegen de afwijzende asielbeschikking. De rechtbank verwijst in dat kader naar haar uitspraak van 3 september 2026 met betrekking tot de kennisgeving van verweerder inzake eisers inbewaringstelling van 27 augustus 2026 (zaaknummer NL26.50033). Eiser heeft dus naar het oordeel van de rechtbank tot het moment van de omzetting en opheffing op 27 augustus 2026 rechtmatig op de onderhavige grondslag in bewaring gezeten.

Heeft verweerder voldoende voortvarend gewerkt aan de uitzetting?

5. Eiser voert aan dat verweerder onvoldoende voortvarend werkt aan zijn uitzetting. Volgens eiser blijkt uit de voortgangsrapportage over zijn uitzetting, het M120-formulier, dat sinds de oplegging van de maatregel van vreemdelingenbewaring geen concrete uitzettingshandelingen zijn geregistreerd. Op 22 augustus 2026 is zijn asielaanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond en zijn een terugkeerbesluit en een inreisverbod tegen hem uitgevaardigd. Juist vanaf dat moment mocht van verweerder worden verwacht dat zichtbare, concrete handelingen zouden worden verricht gericht op eisers feitelijke vertrek, aldus eiser.

De rechtbank volgt eiser hierin niet. Verweerder is tijdens een asielprocedure niet gehouden om voortvarend handelingen te verrichten ter voorbereiding van de uitzetting. De vrijheidsontneming is dan niet gericht op eisers terugkeer naar zijn land van herkomst. Dat verweerder in de periode van 22 augustus 2026 (de afwijzing van de asielaanvraag) tot 27 augustus 2026 (de omzetting en opheffing van de maatregel) geen uitzettingshandelingen heeft verricht, maakt naar het oordeel van de rechtbank nog niet dat verweerder onvoldoende voortvarend heeft gehandeld.

Was voortduring van de bewaring noodzakelijk en evenredig dan wel had verweerder moeten volstaan met een lichter middel?

6. Eiser stelt dat niet blijkt dat verweerder heeft beoordeeld of de bewaring in de huidige fase nog noodzakelijk en evenredig is. Een belangenafweging ontbreekt. Evenmin is gemotiveerd waarom niet met een lichter middel kan worden volstaan.

Dit betoog faalt. Zoals de rechtbank eerder in de uitspraak van 19 augustus 2026 heeft overwogen, heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat geen andere afdoende, minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Er was sprake van een onderduikrisico, blijkend uit de gronden van de maatregel, welke gronden de maatregel ook rechtvaardigen. Feiten of omstandigheden die zulks anders zouden maken, zijn gesteld noch gebleken. Voor zover eiser aanvoert dat na de beslissing op de asielaanvraag en het uitvaardigen van het terugkeerbesluit en het inreisverbod geen kenbare herbeoordeling of belangenafweging in het kader van de onderhavige inbewaringstelling heeft plaatsgevonden, overweegt de rechtbank dat verweerder daartoe niet gehouden was.

Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?

7. Los van de door eiser aangevoerde beroepsgronden, ziet de rechtbank in de door verweerder en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M.J. Adriaansen, rechter, in aanwezigheid van

mr. M. Stehouwer, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. A.M.J. Adriaansen

Griffier

  • mr. M. Stehouwer

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand