ECLI:NL:RBDHA:2026:26715

ECLI:NL:RBDHA:2026:26715

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 14-07-2026
Datum publicatie 14-09-2026
Zaaknummer NL26.36483
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Utrecht

Samenvatting

Bewaring; vervolgberoep; Algerije; opgeheven en uitgezet; geen schadevergoeding; voor het plannen van een vlucht met escorts afhankelijk van de luchtvaartmaatschappij en de Koninklijke Marechaussee; geen lichter middel gelet op gronden bewaring;

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. S.T.V. Le),

de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: K. Kanters).

uitspraak

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL26.36483

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

en

Procesverloop

De minister heeft op 11 april 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.

Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.

De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Hieruit blijkt dat de maatregel van bewaring met ingang van 2 juli 2026 is opgeheven.

Eiser handhaaft het beroep.

Vervolgens heeft de minister een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft.

Overwegingen

Lichter middel
Belangenafweging

1. Eiser stelt van Algerijnse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1991.

2. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.

3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 4 juni 2026 (in de zaak NL26.28700) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek.

4. Eiser voert aan dat de minister onvoldoende voortvarend werkte aan de verwijdering. Eiser stelt zich op het standpunt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat de voortduring van de bewaring noodzakelijk was in de periode waarin reeds een concrete uitzettingsdatum in zicht was. Hoewel de eerste geplande uitzetting van 29 juni 2026 geen doorgang heeft gevonden wegens annulering op 9 juni 2026 door de luchtvaartmaatschappij, is reeds kort daarna opnieuw een vlucht gepland. Vanaf het moment dat een concrete vluchtplanning aanwezig was, lag het op de weg van de minister om te beoordelen of voortduring van de vrijheidsontneming nog strikt noodzakelijk was, mede gelet op de korte resterende duur tot de feitelijke uitzetting en het feit dat de uitzetting logistiek reeds was voorbereid. De minister heeft niet inzichtelijk gemaakt dat in deze fase nog is beoordeeld of minder ingrijpende maatregelen, zoals een vrijheidsbeperkende maatregel, toereikend konden zijn. Door dit na te laten heeft de minister onvoldoende gemotiveerd waarom vrijheidsontneming ook in deze laatste fase van het uitzettingstraject noodzakelijk en proportioneel was, hetgeen maakt dat de maatregel van bewaring in zoverre onrechtmatig is geweest.

5. De rechtbank overweegt als volgt.

Het voortvarendheidsvereiste

6. De rechtbank is - anders dan eiser - van oordeel dat er geen grond bestaat voor de conclusie dat de bewaring op enig moment voor de opheffing ervan onrechtmatig is geworden en om die reden reeds eerder opgeheven had moeten worden. Eiser zou op 29 juni 2026 worden uitgezet naar Algerije. Echter heeft de luchtvaartmaatschappij deze vlucht op 9 juni 2026 geannuleerd. Vervolgens is een nieuwe vlucht geboekt en de minister is voor het plannen van een vlucht met escorts afhankelijk van de luchtvaartmaatschappij en de Koninklijke Marechaussee. De rechtbank acht de benodigde termijn om de uitzetting te realiseren in dit geval niet onredelijk. Daarnaast voerde de minister vertrekgesprekken met eiser, namelijk op 10 juni 2026 en 29 juni 2026. Eiser is op 2 juli 2026 uitgezet naar Algerije. Gelet op voornoemde uitzettingshandelingen is de rechtbank van oordeel dat de minister tot aan de opheffing voldoende voortvarend heeft gehandeld bij de voorbereiding van de uitzetting van eiser. De beroepsgrond slaagt daarom niet.

7. Voor de beroepsgrond over het opleggen van een lichter middel verwijst de rechtbank naar haar eerdere uitspraak van 24 april 2026 (in de zaak NL23.20473), overwegingen 6 en 7. In wat eiser nu aanvoert ziet de rechtbank, gelet op de gronden van bewaring die onverkort aanwezig waren, geen aanleiding voor een ander oordeel. Verweerder heeft dus niet hoeven volstaan met het toepassen van een lichter middel. De beroepsgrond slaagt niet.

8. Over wat eiser in het kader van de belangenafweging aanvoert, oordeelt de rechtbank dat er geen feiten of omstandigheden zijn die – gelet op de duur van

deze bewaring – voor de staatssecretaris aanleiding hadden moeten zijn de bewaring bij een afweging van de belangen op te heffen. Deze beroepsgrond slaagt evenmin.

Ambtshalve toetsing

9. Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe zij gehouden is, is de rechtbank van oordeel dat de maatregel van bewaring tot aan de opheffing niet op enig moment onrechtmatig was.

Conclusie

10. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.A. Berghuis, rechter, in aanwezigheid van N. Dayerizadeh, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

14 juli 2026

Documentcode: [Documentcode]

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. W.A. Berghuis

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand