ECLI:NL:RBDHA:2026:26716

ECLI:NL:RBDHA:2026:26716

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 08-09-2026
Datum publicatie 14-09-2026
Zaaknummer NL26.49897
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

bewaring, vervolgberoep, zicht op uitzetting en voortvarend handelen, ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Samenvatting

Zittingsplaats Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.49897

V-nummer: [v-nummer]

(gemachtigde: mr. E. El Assrouti),

en

1. Deze uitspraak gaat over het voortduren van de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met het voortduren van de vreemdelingenbewaring. Hij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van vreemdelingenbewaring. Omdat eiser ook verzoekt om schadevergoeding beoordeelt de rechtbank ook of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het voortduren van de maatregel van vreemdelingenbewaring is niet onrechtmatig. De maatregel van vreemdelingenbewaring voldoet aan de voorwaarden. Er is dus geen reden voor het toekennen van een schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.

In deze uitspraak gebruikt de rechtbank de volgende afkortingen voor wet- en regelgeving:

Vw: Vreemdelingenwet 2000

Vb: Vreemdelingenbesluit 2000

Procesverloop

2. Met het besluit van 20 juli 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. Bij uitspraak van 31 juli 2026 heeft de rechtbank het beroep van eiser tegen dat besluit ongegrond verklaard (zaaknummer NL26.40597).

Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel beroep ingesteld. Eiser heeft ook verzocht om schadevergoeding.

Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.

De rechtbank heeft het vooronderzoek op 3 september 2026 gesloten en bepaald dat de zaak niet op zitting wordt behandeld.

Beoordeling door de rechtbank

Toetsingskader

3. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van vreemdelingenbewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.

Uit de uitspraak van 31 juli 2026 volgt dat de maatregel van vreemdelingenbewaring tot het moment van sluiten van dat onderzoek, rechtmatig was. Daarom beoordeelt de rechtbank nu alleen of de maatregel van vreemdelingenbewaring sinds het moment van sluiten van dat onderzoek, op 29 juli 2026 rechtmatig is. De in deze uitspraak te toetsen periode loopt dus van 29 juli 2026 tot 3 september 2026.

Bestaat een redelijk vooruitzicht op uitzetting en handelt verweerder voldoende voortvarend?

4. Eiser voert aan dat er geen redelijk vooruitzicht op uitzetting bestaat en dat verweerder onvoldoende voortvarend werkt aan zijn uitzetting. Hij stelt dat zijn uitzettingsproces loopt sinds 20 juli 2026 en dat hij inmiddels een maand in vreemdelingenbewaring zit zonder te zijn uitgezet naar Marokko. Volgens eiser is door verweerder in maart 2025 al een laissez-passer (lp) traject opgestart, maar is sinds de uitspraak op zijn eerste beroep niet meer gerappelleerd bij de Marokkaanse autoriteiten. Eiser wijst er verder op dat hij nog nooit is gepresenteerd bij de Marokkaanse autoriteiten. Zelfs als dat wel zou zijn gebeurd, zou volgens hem geen lp worden afgegeven, omdat hij geen Marokkaanse onderdaan is. Gelet hierop acht eiser het onwaarschijnlijk dat de Marokkaanse autoriteiten op korte termijn een lp zullen afgeven. Daardoor zal hij naar eigen zeggen maanden onnodig in detentie verblijven, zodat het voortduren van de bewaring onder deze omstandigheden onrechtmatig is wegens het ontbreken van zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn. Daarnaast stelt eiser dat verweerder sinds de uitspraak op zijn eerste beroep slechts één keer heeft gerappelleerd en één vertrekgesprek met hem heeft gehouden. Volgens eiser had verweerder meer inspanningen moeten verrichten, temeer nu al sinds begin 2025 lp-trajecten lopen. Nu verweerder dat heeft nagelaten, concludeert eiser dat onvoldoende voortvarend is gehandeld.

De rechtbank volgt eiser niet in zijn standpunten. De rechtbank ziet in wat eiser aanvoert geen aanleiding voor het oordeel dat geen redelijk vooruitzicht op uitzetting bestaat of dat verweerder onvoldoende voortvarend werkt aan de verwijdering uit Nederland. Op 5 augustus 2026 hebben de Marokkaanse autoriteiten eisers nationaliteit niet bevestigd. De stelling van eiser dat verweerder opnieuw had moeten rappelleren of eiser had moeten presenteren bij de Marokkaanse autoriteiten, volgt de rechtbank dan ook niet. De rechtbank wijst er verder op dat op eiser de verplichting rust om actief en volledig mee te werken aan zijn terugkeer en aan het lp-traject. Dat doet eiser tot op heden onvoldoende, nu hij geen initiatief neemt om documenten te verkrijgen waaruit zijn identiteit en nationaliteit blijken. In het vertrekgesprek van 14 augustus 2026 heeft de regievoerder eiser gevraagd mee te werken aan een taalanalyse, zodat kan worden vastgesteld uit welk land hij afkomstig is. Eiser heeft die medewerking geweigerd. De gevolgen daarvan, namelijk dat thans geen lp-traject meer loopt, komen voor eisers rekening en risico.

Uit het voortgangsrapport volgt verder dat verweerder tot het moment van opstellen van de voortgangsrapportage op 28 augustus 2026, in ieder geval op 14 augustus 2026 een vertrekgesprek met eiser heeft gevoerd. De rechtbank is daarom, mede in het licht van het voorgaande, van oordeel dat verweerder voldoende voortvarend werkt aan eisers uitzetting.

De beroepsgronden slagen niet.

Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?

5. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door verweerder en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M.J. Adriaansen, rechter, in aanwezigheid van

mr. M. Stehouwer, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. A.M.J. Adriaansen

Griffier

  • mr. M. Stehouwer

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand