ECLI:NL:RBDHA:2026:26717

ECLI:NL:RBDHA:2026:26717

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 14-07-2026
Datum publicatie 14-09-2026
Zaaknummer NL26.36548
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Utrecht

Samenvatting

Bewaring; vervolgberoep; Marokko; geen rappel op dossierniveau; duur onderzoek niet doorslaggevend omdat de minister afhankelijk is van de werkwijze van de Marokkaanse autoriteiten; rechtsplicht eiser;

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. R.M. Seth Paul),

de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: R. Hopman).

Samenvatting

uitspraak

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL26.36548

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

en

1. Deze uitspraak gaat over het voortduren van de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met het voortduren van de vreemdelingenbewaring. Hij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van vreemdelingenbewaring. Omdat eiser ook verzoekt om schadevergoeding beoordeelt de rechtbank ook of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het voortduren van de maatregel van vreemdelingenbewaring is niet onrechtmatig. De maatregel van vreemdelingenbewaring voldoet aan de voorwaarden. De minister hoefde niet te kiezen voor een lichter middel. Er is dus geen reden voor het toekennen van een schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.

In deze uitspraak gebruikt de rechtbank de volgende afkortingen voor wet- en regelgeving:

- Vw: Vreemdelingenwet 2000

Procesverloop

2. Met het besluit van 27 maart 2026 heeft de minister aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. Bij uitspraak van 24 april 2026 heeft de rechtbank het beroep van eiser tegen dat besluit ongegrond verklaard.

De minister heeft een kennisgeving voortduren vreemdelingenbewaring aan de rechtbank gezonden. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep.1 Eiser heeft ook verzocht om schadevergoeding.

De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd. Vervolgens heeft de minister een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft het vooronderzoek op 8 juli 2026 gesloten en bepaald dat de zaak niet op zitting wordt behandeld.

Beoordeling door de rechtbank

Toetsingskader

3. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van vreemdelingenbewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.2

4. Uit de uitspraak van 24 april 2026 volgt dat de maatregel van vreemdelingenbewaring tot het moment van sluiten van dat onderzoek, rechtmatig was. Daarom beoordeelt de rechtbank nu alleen of de maatregel van vreemdelingenbewaring sinds het moment van sluiten van dat onderzoek, op 20 april 2026 rechtmatig is.

Bestaat een redelijk vooruitzicht op verwijdering en handelt de minister voldoende voortvarend?

5. Eiser voert aan dat er geen zicht op uitzetting is en dat de minister onvoldoende voortvarend handelt. De Marokkaanse autoriteiten hebben een kopie paspoort van eiser en dit zou daarom snel moeten leiden tot afgifte van een lp. Nu de Marokkaanse autoriteiten zelfs na drie maanden onderzoek nog geen lp hebben verstrekt of het hebben toegezegd had de minister hierover vragen moeten stellen aan de Marokkaanse autoriteiten. De minister had op zijn minst op dossierniveau moeten rappelleren, aldus eiser.

Deze beroepsgronden slagen niet. Het onderzoek bij de Marokkaanse autoriteiten loopt nog. De minister rappelleert regelmatig bij deze autoriteiten in verband met de afgifte van een laissez passer (lp), laatstelijk op 1 juli 2026. Wat betreft eisers beroepsgrond over het rappelleren op dossierniveau overweegt de rechtbank dat eiser geen bijzondere omstandigheden heeft aangevoerd die maken dat de minister bij de huidige stand van zaken op dossierniveau had moeten rappelleren. Dat het onderzoek drie maanden duurt is niet doorslaggevend, te meer nu de Marokkaanse autoriteiten niet op voorhand te kennen hebben gegeven geen lp te zullen verstrekken ten behoeve van eisers uitzetting. De rechtbank merkt daarbij op dat de minister voor wat betreft de afgifte van een lp afhankelijk is van de werkwijze van de Marokkaanse autoriteiten. Daarnaast heeft de minister op 23 april 2026, 4 mei 2026, 5 juni 2026 en 1 juli 2026 een vertrekgesprek gevoerd met eiser. Daarbij wijst de rechtbank er op dat op eiser de rechtsplicht rust Nederland te verlaten, welke plicht onder meer meebrengt dat hij volledige en actieve medewerking dient te verlenen aan het

1. Dit volgt uit artikel 94, eerste lid, van de Vw.

2 Dit volgt uit artikel 96, derde lid, van de Vw.

onderzoek naar zijn identiteit en nationaliteit om zijn terugkeer naar zijn land van herkomst of enig ander land waar zijn toelating is gewaarborgd, te bewerkstelligen. Het is dus ook aan eiser om zijn nationaliteit te onderbouwen met documenten of relevante informatie. Het is de rechtbank niet gebleken dat eiser alle hem ten dienste staande mogelijkheden heeft benut om invulling te geven aan zijn medewerkingsplicht. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat er geen zicht op uitzetting is naar Marokko in eisers geval of dat verweerder onvoldoende voortvarend werkt aan de uitzetting.

Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?

6. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.3

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

3 Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 en 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647.

Beslissing

De rechtbank:

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.A. Berghuis, rechter, in aanwezigheid van

N. Dayerizadeh, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

14 juli 2026

Documentcode: [Documentcode]

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. W.A. Berghuis

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand