ECLI:NL:RBDHA:2026:26719

ECLI:NL:RBDHA:2026:26719

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 28-07-2026
Datum publicatie 14-09-2026
Zaaknummer NL26.30562
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Utrecht

Samenvatting

AMBV, Zwitserland, interstatelijk vertrouwensbeginsel: ervaringen met procedure, beroep ongegrond.

Uitspraak

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. A.J. de Boer),

en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. A.R.J. Maas).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 29 mei 2026 niet in behandeling genomen omdat Zwitserland verantwoordelijk is voor de aanvraag.

De rechtbank heeft het beroep op 30 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van de minister deelgenomen. Eiser en zijn gemachtigde hebben zich afgemeld voor de zitting.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.

3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Toepasselijk recht

4. Op 12 juni 2026 is de Asiel- en Migratiebeheerverordening (AMBV) in werking getreden. Artikel 83, eerste volzin, van de AMBV bepaalt dat de Dublinverordening op 12 juni 2026 wordt ingetrokken. Op grond van het overgangsrecht in artikel 84 van de AMBV en artikel IX van de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 zijn het recht en de voorschriften van vóór 12 juni 2026 van toepassing op een verzoek om internationale bescherming dat is ingediend voor de inwerkingtreding van de AMBV. Dat is het geval is de zaak van eiser. De rechtbank toetst deze zaak dus aan het recht van vóór 12 juni 2026 en gaat daarbij uit van het beleid dat is opgenomen in paragraaf C2/5 van de Vreemdelingencirculaire 2000, zoals dat luidde voor 12 juni 2026.

Totstandkoming van het besluit

5. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. In dit geval heeft Nederland bij Zwitserland een verzoek om terugname gedaan. Zwitserland heeft dit verzoek aanvaard.

Interstatelijk vertrouwensbeginsel

6. Eiser voert aan dat overdracht aan Zwitserland in strijd is met artikel 4 van het Handvest. Volgens eiser is de minister niet inhoudelijk ingegaan op zijn verklaringen over zijn problemen met de Zwitserse procedure. Eiser heeft verklaard dat de aan hem toegewezen advocaat geen beroep wilde indienen tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag. Eiser kon een andere advocaat niet betalen. Hij was daardoor genoodzaakt zelf beroep in te stellen, en heeft een factuur en boete van de rechtbank gekregen. Zijn huisarts heeft verschillende instanties benaderd, en hiervan zijn stukken en een brief beschikbaar. In het bestreden besluit wordt ten onrechte gesteld dat eiser de asielprocedure niet zelf heeft ervaren. Verder is sprake van structurele tekortkomingen in de behandeling van Dublinterugkeerders in Zwitserland. Volgens eiser blijkt uit rapporten van Amnesty International, OSAR (Schweizerische Flüchtlingshilfe) en Human Rights Watch dat Dublinterugkeerders regelmatig geen toegang krijgen tot een inhoudelijke procedure, dat sprake is van snelle uitzettingen zonder voldoende rechtsbescherming, dat de toegang tot rechtsbijstand zeer beperkt is, en dat kwetsbare personen onvoldoende opvang en medische zorg ontvangen. Eiser wijst er ook op dat Zwitserland het claimverzoek heeft aanvaard op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder d van de Dublinverordening, wat wijst op een afgewezen asielaanvraag. De Dublinverordening verplicht dan tot terugneming, maar niet tot het opnieuw behandelen van de asielaanvraag. Volgens eiser is er hierdoor risico dat hij geen toegang krijgt tot een effectieve asielprocedure en dat bij uitzetting naar zijn land van herkomst sprake zal zijn van schending van het verbod op non-refoulement. De minister heeft geen onderzoek verricht naar de Zwitserse praktijk voor het indienen van een opvolgende aanvraag en of eiser toegang heeft tot rechtsbijstand.

7. De rechtbank overweegt als volgt. Het uitgangspunt is dat de minister er op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel van mag uitgaan dat Zwitserland zijn verdragsverplichtingen zal nakomen. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft dit onder meer in de uitspraken van 25 januari 2025 en 10 oktober 2025 bevestigd. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat dit in het algemeen of in zijn specifieke geval niet kan, en dat in Zwitserland sprake is van aan het systeem gerelateerde tekortkomingen van de asielprocedure of de opvangvoorzieningen die resulteren in onmenselijke of vernederende behandelingen in strijd met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest. Daarbij geldt een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid.

8. Naar het oordeel van de rechtbank is eiser er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat ten aanzien van Zwitserland niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. De verklaringen van eiser over zijn ervaringen met de Zwitserse asielprocedure zijn hiervoor onvoldoende. In het bestreden besluit, pagina 4, is weliswaar ten onrechte opgenomen dat eiser de kwaliteit van de asielprocedure en opvang in Zwitserland niet zelf heeft ervaren, maar vervolgens is alsnog ingegaan op zijn verklaringen. Daarover heeft de minister terecht opgemerkt dat eiser de onderbouwende stukken die hij stelt te hebben, niet heeft opgestuurd. Eiser heeft deze stukken, waaruit zou blijken dat de huisarts voor eiser instanties heeft benaderd omdat hij geen advocaat of ondersteuning kreeg, ook in beroep niet overgelegd. Verder heeft de minister op de zitting terecht opgemerkt dat uit eisers verklaringen blijkt dat hij wel een advocaat toegewezen heeft gekregen, maar dat deze de zaak niet wilde doorzetten. Ook blijkt uit artikel 20 en 21 van de Procedurerichtlijn dat er voorwaarden gesteld mogen worden aan kosteloze rechtsbijstand. Uit de verklaringen van eiser blijkt dus nog niet dat de Zwitserse autoriteiten zijn tekortgeschoten.

9. Verder heeft eiser onvoldoende onderbouwd dat sprake is van structurele tekortkomingen in de Zwitserse asielprocedure en opvangvoorzieningen. Een algemene verwijzing naar ‘rapporten’ van organisaties is niet toereikend. Verder heeft de minister op de zitting terecht opgemerkt dat niet is gebleken dat eiser een kwetsbaar persoon is en dat daarom ook niet onderbouwd is dat de opmerkingen over kwetsbaren op hem van toepassing zijn. Daarbij heeft de minister ook nog gewezen op de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam, van 13 januari 2026, waarin is overwogen dat er in Zwitserland weliswaar niet een standaardprocedure is neergelegd in de wet voor het screenen van kwetsbaren, maar dat uit het AIDA-rapport update 2025 niet volgt dat kwetsbaren helemaal niet geïdentificeerd worden. Verder betekent de omstandigheid dat de Dublinverordening in het geval van eiser Zwitserland niet verplicht om een opvolgende asielaanvraag in behandeling te nemen, niet dat de minister nader onderzoek moet doen. Dat is immers in overeenstemming met de Europese regels. Het is bovendien niet gebleken dat eiser geen nieuwe asielaanvraag kan indienen in Zwitserland, en dat hij dan geen zorgvuldige asielprocedure krijgt. De beroepsgrond slaagt niet.

Artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening

10. Eiser voert aan dat de minister geen zelfstandige, zorgvuldige belangenafweging heeft gemaakt in het kader van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. Dit moet juist wanneer sprake is van een reëel risico dat betrokkene geen effectieve toegang krijgt tot bescherming na de overdracht.

11. De rechtbank volgt eiser hierin niet. In het bestreden besluit, pagina 6, is toegelicht dat geen toepassing wordt gegeven aan artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening, omdat eiser geen bijzondere situatie heeft genoemd. Eiser heeft ook in beroep geen bijzondere, individuele omstandigheden naar voren gebracht. Voor zover eiser betoogt dat de omstandigheden die zijn aangevoerd over structurele tekortkomingen in Zwitserland (zijn ervaringen, de rapporten, het feit dat zijn eerdere asielaanvraag is afgewezen) ook moeten worden meegenomen in de motivering of artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening moet worden toegepast, wijst de rechtbank op uitspraak van de Afdeling van 25 februari 2025. Daarin is geoordeeld dat als de minister de omstandigheden waar de vreemdeling zich op heeft beroepen al heeft betrokken bij de beoordeling of hij van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan, dit in beginsel ook een deugdelijke motivering is waarom hij zijn discretionaire bevoegdheid niet gebruikt. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

12. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van der Knijff, rechter, in aanwezigheid van mr. S.J. Valk, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op 28 juli 2026

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. M. van der Knijff

Griffier

  • mr. S.J. Valk

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand