RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.48602
V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. C.F. Wassenaar),
en
(gemachtigde: mr. S.J. Versteeg).
Procesverloop
Verweerder heeft op 9 augustus 2026 aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft op 24 augustus 2026 tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
Verweerder heeft op 25 augustus 2026 de maatregel van bewaring opgeheven en aan eiser een nieuwe maatregel op een andere grondslag opgelegd.
De rechtbank heeft het beroep op 1 september 2026 op zitting behandeld. De rechtbank heeft een afstandsverklaring ontvangen waarin eiser verklaart afstand te doen van zijn recht om aanwezig te zijn bij de zitting. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Inleiding
1. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
2. De rechtbank stelt verder voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 19 augustus 2026 (in de zaak NL26.45302) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek (op 13 augustus 2026) dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek op 13 augustus 2026.
3. De in deze uitspraak te toetsen periode loopt gezien het voorgaande dus van 13 augustus 2026 tot 25 augustus 2026.
Voortduring bewaring van 20 augustus 2026 tot 25 augustus 2026
Is de bewaring op 25 augustus 2026 opgeheven?
4. Eiser voert aan dat uit het dossier niet blijkt dat de maatregel daadwerkelijk op 25 augustus 2026 is opgeheven. In het dossier zit weliswaar een M113-formulier, maar dat ziet op de opheffing van een maatregel op grond van artikel 59 van de Vw.
De rechtbank ziet geen aanleiding om eraan te twijfelen dat de hier ter toetsing voorliggende maatregel van bewaring, die is opgelegd op grond van artikel 59a van de Vw, op 25 augustus 2026 is opgeheven. Weliswaar heeft het M113-formulier van 25 augustus 2026 – dat overigens geen constitutief vereiste is voor de opheffing van de bewaring, maar slechts een administratief document betreft – als titel ‘Opheffing van … als bedoeld in artikel 59 van de Vreemdelingenwet 2000’, maar in dat formulier staat ook dat het de maatregel van bewaring van 9 augustus 2026 is die wordt opgeheven. Gelet hierop kan er geen misverstand over bestaan dat het M113-formulier ziet op de hier ter toetsing voorliggende maatregel van bewaring die op 9 augustus 2026 is opgelegd. Daarbij komt dat in het M113-formulier ook is vermeld dat de maatregel op 25 augustus 2026 is opgeheven en dat eiser aanvullend in bewaring is gesteld op grond van een nieuwe maatregel. Uit het dossier blijkt dat verweerder ook daadwerkelijk op 25 augustus 2026 een nieuwe maatregel op een andere grondslag aan eiser heeft opgelegd.
Gelet op het voorgaande neemt de rechtbank aan dat de maatregel op 25 augustus 2026 is opgeheven. De onder 4. weergegeven beroepsgrond slaagt niet.
Niet-tijdige omzetting
5. Eiser voert verder aan dat verweerder de maatregel niet tijdig heeft omgezet. Slovenië heeft namelijk op 20 augustus 2026 (nogmaals) het claimverzoek van verweerder geweigerd. Daarmee werd duidelijk dat er geen overdracht meer zou plaatsvinden. Verweerder had vanaf dat moment twee dagen de tijd om de maatregel om te zetten, maar heeft dat pas op 25 augustus 2026 gedaan. Dat is te laat, zo stelt eiser.
Verweerder heeft erkend dat hij de maatregel te laat heeft omgezet en dat dit tot gevolg heeft dat de maatregel van bewaring van 20 augustus 2026 tot 25 augustus 2026 onrechtmatig heeft voortgeduurd.
De rechtbank is met partijen van oordeel dat verweerder de maatregel van bewaring niet tijdig heeft omgezet en stelt vast dat dit betekent dat de maatregel van 20 augustus 2026 (de datum van definitieve afwijzing van het claimverzoek door Slovenië) tot 25 augustus 2026 (de datum van opheffing van de maatregel) onrechtmatig heeft voortgeduurd. De hiertoe aangevoerde beroepsgrond slaagt.
Voortduring bewaring van 13 augustus 2026 tot 20 augustus 2026
Grondslag van de maatregel
6. Eiser stelt dat de maatregel van bewaring gedurende de gehele te toetsen periode, dus ook vóór 20 augustus 2026, onrechtmatig is geweest. Daartoe voert eiser aan dat hij, na een eerdere bewaring op grond van artikel 59b van de Vw, niet meer op grond van artikel 59a van de Vw in bewaring kon worden gesteld en dat op het moment van oplegging van de maatregel op grond van artikel 59a van de Vw sowieso alle termijnen uit de Asiel- en migratiebeheerverordening al waren verstreken, aangezien hij al in november 2025 een als asielaanvraag aan te merken asielwens kenbaar had gemaakt.
De rechtbank stelt vast dat eiser dezelfde argumenten ook al had aangevoerd in zijn eerste bewaringsberoep tegen deze maatregel van bewaring. Dit is namens hem ter zitting ook erkend. De rechtbank heeft in die argumenten in de uitspraak op het eerste bewaringsberoep geen grond gezien voor het oordeel dat de maatregel van bewaring onrechtmatig was (zie de uitspraak van 19 augustus 2026, NL26.45302, r.o. 4. en verder). De rechtbank ziet in wat eiser in onderhavige procedure heeft aangevoerd geen aanleiding om hierover thans anders te oordelen. Gelet hierop slaagt de onder 6. weergegeven beroepsgrond niet.
Slotsom beroepsgrond
7. Uit het voorgaande volgt dat wat eiser heeft aangevoerd niet leidt tot het oordeel dat het voortduren van de maatregel van bewaring in de periode van 13 augustus 2026 tot 20 augustus 2026 op enig moment onrechtmatig is geweest.
Ambtshalve toetsing
8. Ook los van wat eiser heeft aangevoerd, ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat het voortduren van de maatregel van bewaring in de periode van 13 augustus 2026 tot 20 augustus 2026 op enig moment onrechtmatig is geweest.
Conclusie en gevolgen
9. Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring is, gelet op wat er is overwogen onder 5.2, gegrond. De maatregel was onrechtmatig in de periode van 20 augustus 2026 tot 25 augustus 2026.
10. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 6 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vreemdelingenbewaring ten bedrage van (6 x € 120,- =) € 720,-.
11. Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,-, omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van € 720,- aan schadevergoeding aan eiser, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F.A. Groeneveld, rechter, in aanwezigheid van mr. N. Felić, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.