RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
de minister van Asiel en Migratie, de minister
Samenvatting
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.50901
(gemachtigde: mr. S. Faber),
en
(gemachtigde: mr. J.A.A. Willems).
1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een beroepsgrond aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgrond beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is niet onrechtmatig. De maatregel van vreemdelingenbewaring voldoet aan de voorwaarden. Er is dus geen reden voor het toekennen van een schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
In deze uitspraak gebruikt de rechtbank de volgende afkortingen voor de wet- en regelgeving:
Vw: Vreemdelingenwet 2000
Vb: Vreemdelingenbesluit 2000
Procesverloop
2. Met het bestreden besluit van 31 augustus 2026 heeft de minister aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 7 september 2026 met behulp van een beeldverbinding op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en H. Barzizaoua als tolk.
De minister heeft op 7 september 2026 een verweerschrift ingediend. Eiser heeft hierop op 8 september 2026 gereageerd.
De rechtbank heeft het onderzoek gesloten op 9 september 2026.
Beoordeling door de rechtbank
Toetsingskader
3. De minister kan in vreemdelingenbewaring stellen de vreemdeling die rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8, aanhef en onder f, subonderdeel 2° of onder h, subonderdeel 2° van de Vw voor zover dit betrekking heeft op een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 28 van de Vw, als vreemdelingenbewaring noodzakelijk is met het oog op vaststelling van de identiteit of nationaliteit van de vreemdeling. Deze grond voor vreemdelingenbewaring is aanwezig, als de identiteit of de nationaliteit van de vreemdeling met onvoldoende zekerheid bekend is en zich ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6., tweede lid van het Vb zich voordoen of als vreemdelingenbewaring noodzakelijk is met het oog op het vaststellen van de gegevens die ten grondslag liggen aan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 28 van de Vw en die niet zouden kunnen worden verkregen indien de aanvrager niet in vreemdelingenbewaring zou worden gehouden, met name wanneer er sprake is van een onderduikrisico. Deze grond voor vreemdelingenbewaring is aanwezig, als door middel van vreemdelingenbewaring de gegevens die noodzakelijk zijn voor beoordeling van een aanvraag tot het verkrijgen van een verblijfsvergunning kunnen worden verkregen en zich ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.
De minister stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring. In het besluit tot vreemdelingenbewaring vermeldt de minister de feitelijke en juridische gronden waarop de vreemdelingenbewaring is gebaseerd en de reden dat geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast.
Onrechtmatigheid van de maatregel (grondslag)
4. Aan eiser is de maatregel van vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vw opgelegd. Eiser voert aan dat hij aan het begin van het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling heeft aangegeven dat hij asiel wilde aanvragen, maar dat hij hier uiteindelijk van heeft afgezien. Eiser heeft nooit een asielaanvraag ondertekend of ingediend. Eiser stelt zich dan ook op het standpunt dat de maatregel van begin af aan onrechtmatig is, omdat hij op onjuiste grondslag in bewaring is gesteld.
5. De rechtbank oordeelt dat de minister eiser in vreemdelingenbewaring heeft kunnen stellen op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vw. Uit het op ambtseed opgemaakte proces-verbaal van 31 augustus 2026 blijkt dat eiser een asielverzoek heeft ondertekend en dat dit is ingestuurd naar de IND. Daarbij heeft de minister bij haar verweerschrift de door eiser op 31 augustus 2026 ondertekende asielaanvraag aan het digitale dossier toegevoegd. De beroepsgrond slaagt niet.
De aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring
6. De minister heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de vreemdelingenbewaring noodzakelijk is met het oog op de vaststelling van de identiteit of nationaliteit van eiser en op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor beoordeling van een asielaanvraag.
In de maatregel heeft de minister als gronden vermeld dat eiser:
a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;b. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;c. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;d. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat;p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan;u. arbeid heeft verricht in strijd met de Wet arbeid vreemdelingen.
7. De rechtbank stelt vast dat de gronden van de maatregel van vreemdelingenbewaring niet zijn betwist. De rechtbank oordeelt dat de gronden feitelijk juist en voor zover nodig voldoende gemotiveerd zijn om een onderduikrisico aan te nemen en daarmee de maatregel van vreemdelingenbewaring te kunnen dragen.
Ambtshalve toetsing
8. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.
Conclusie en gevolgen
9. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.A. Berghuis, rechter, in aanwezigheid van S.N. Lekatompessij, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
11 september 2026
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.