RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
de minister van Asiel en Migratie,
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.50585
(gemachtigde: mr. W.M. Blaauw),
en
(gemachtigde: R. Hopman).
Procesverloop
Bij besluit van 31 augustus 2026 (het bestreden besluit) is aan eiser met toepassing van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.
De minister heeft de rechtbank op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw van het besluit tot oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 7 september 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door mr. M.H.K. van Middelkoop, als waarnemer van zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen K.K. Mkrttsjan.
De minister heeft op 8 september 2026 een verweerschrift ingediend. Eiser heeft hierop op 8 september 2026 gereageerd.
De rechtbank heeft het onderzoek gesloten op 9 september 2026.
Overwegingen
1. Indien de rechtbank bij de beoordeling van het beroep van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 94, zesde lid, van de Vw het beroep gegrond.
2. Op grond van artikel 5.1a van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) wordt een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw opgelegd in het kader van het grensbewakingsbelang. Deze wordt niet opgelegd of voortgezet indien sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die vrijheidsontneming onevenredig bezwarend maken.
Medische screening
3. Eiser voert aan dat hij tijdens zijn screening niet is onderzocht door gekwalificeerd medisch personeel. De Koninklijke Marechaussee (KMar), die de screening uitvoert, kan niet worden gezien als gekwalificeerd medisch personeel en dat maakt de maatregel onrechtmatig. Eiser wijst hierbij op een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, van 10 augustus 2026.
4. De rechtbank overweegt het volgende. De maatregel van bewaring van eiser is gebaseerd op artikel 6, derde lid, van de Vw. Uit deze bepaling volgt dat in het kader van het nemen van een beslissing over de toegang tot Nederland en/of het uitvoeren van de screening als bedoeld in de Screeningsverordening een vrijheidsontnemende maatregel kan worden opgelegd aan de vreemdeling die aan de buitengrens van Nederland zijn asielwens kenbaar maakt. Uit de maatregel die aan eiser is opgelegd volgt dat deze zowel is opgelegd in het kader van het nemen van een beslissing op zijn asielaanvraag als het screenen van eiser. Aangezien eiser niet voldeed aan de voorwaarden voor toegang tot Nederland, hij aan de buitengrens een asielwens heeft geuit en de minister op de daarna geformaliseerde asielaanvraag nog niet heeft beslist, wordt al voldaan aan de voorwaarden voor oplegging van grensdetentie op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw. Dat er geen voorlopige medische controle heeft plaatsgevonden maakt dit niet anders. Dat de screening van eiser volledig is uitgevoerd is namelijk geen voorwaarde voor het opleggen van grensdetentie. Hierdoor hoeft er ook nog geen voorlopige medische controle te hebben plaatsgevonden voordat aan eiser grensdetentie wordt opgelegd. Wanneer eiser toch medische problemen had ervaren, dan had hij dit kunnen aangeven bij de KMar waarna zij eventueel de medische dienst zouden kunnen inschakelen. Uit artikel 16, eerste lid, van de Schengengrenscode, volgt immers dat ambtenaren van de KMar zijn opgeleid op het gebied van het herkennen van en het omgaan met situaties waarin kwetsbare personen betrokken zijn. De rechtbank ziet in dit geval niet in dat er sprake is van een schending van artikel 8, vijfde lid onder a en artikel 12, eerste lid, van de Procedureverordening. De beroepsgrond slaagt niet.
Proces-verbaal gehoor
5. Eiser voert aan dat uit het gehoor van 29 augustus 2026 blijkt dat, onder het kopje “algemeen”, wordt medegedeeld dat een vrijheidsontnemende maatregel aan hem wordt opgelegd en dat hij gedurende de behandeling van zijn asielaanvraag wordt ingesloten in een vreemdelingendetentiecentrum. Het opleggen van de maatregel wordt slechts medegedeeld aan eiser. Pas daarna worden vragen in het kader van een lichter middel gesteld. Of terwijl, de vragen worden gesteld nadat aan eiser is medegedeeld dat hij zijn asielaanvraag in vreemdelingendetentie moet afwachten.
6. De rechtbank overweegt dat uit het dossier duidelijk volgt dat eiser op 29 augustus 2026 om 12.35 uur is gehoord en dat vervolgens om 15.43 uur de maatregel aan hem is opgelegd. Daarom is de rechtbank van oordeel dat eiser zijn bezwaren tegen het opleggen van de maatregel naar voren heeft kunnen brengen, alvorens de maatregel werd opgelegd. Hoewel de formulering in het proces-verbaal van het gehoor duidelijker had gekund, ziet de rechtbank hierin geen reden voor het oordeel dat de maatregel daarom onrechtmatig zou zijn. De beroepsgrond slaagt niet.
Lichter middel
7. Eiser stelt dat de minister had moeten volstaan met het opleggen van een lichter middel. Hiertoe voert eiser aan dat in de maatregel geen sprake is van een individuele beoordeling. Verder voert eiser aan dat grensdetentie een uiterst rechtsmiddel is en daarom voor hem onevenredig bezwarend. Eiser heeft een geldig paspoort en geen strafblad.
8. De rechtbank oordeelt dat uit de maatregel voldoende blijkt dat de minister heeft beoordeeld of met een lichter middel had kunnen worden volstaan - ook al geeft hij dan het grensbewakingsbelang prijs. Daarbij heeft de minister betrokken dat eiser heeft verklaard dat hij geen probleem heeft met een tijdelijke insluiting. Verder is niet gebleken van individuele omstandigheden op grond waarvan de maatregel onevenredig bezwaarlijk geacht dient te worden. De beroepsgrond slaagt niet.
Ambtshalve toetsing
9. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.
Conclusie
10. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.A. Berghuis, rechter, in aanwezigheid van S.N. Lekatompessij, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
11 september 2026
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.