RECHTBANK DEN HAAG
vonnis
Team Handel
zaaknummer / rolnummer: C/09/625957 / HA ZA 22-219
Vonnis in de hoofdzaak en in incident van 16 september 2026
in de zaak van
1. [eiser 1] ,
en zijn (inmiddels meerderjarige) kinderen [meerderjarige 1] en [meerderjarige 2],
allen wonende te [woonplaats 1] , Irak
2. [eiser 2] ,
in persoon en als wettelijk vertegenwoordiger van de minderjarige
[minderjarige 1] ,
beiden wonende te [woonplaats 2] ,
3. [eiser 3] ,
wonende te [woonplaats 2] ,
4. [eiser 4] ,
wonende te [woonplaats 1] , Irak,
5. [eiser 5] ,
in persoon en als wettelijk vertegenwoordiger van de minderjarigen
[minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4], alsmede in persoon zijn inmiddels meerderjarige zoon [meerderjarige 3],
allen wonende te [woonplaats 1] , Irak,
6. [eiser 6] ,
wonende te [woonplaats 1] , Irak,
7. [eiser 7]
en haar (meerderjarige) kinderen [meerderjarige 4] , [meerderjarige 5] en [meerderjarige 6] ,
allen wonende te [woonplaats 3] , Irak,
8. [eiser 8] ,
wonende te [woonplaats 3] , Irak,
9. [eiser 9] ,
wonende te [woonplaats 3] , Irak,
10. [eiser 10] ,
en zijn echtgenote [naam 1], moeder [naam 2] en zus [naam 3],
allen wonende te [woonplaats 3] , Irak,
11. [eiser 11] ,
in persoon en als wettelijk vertegenwoordigster van de minderjarige [minderjarige 5]
, alsmede in persoon hun meerderjarige zoon/broer [meerderjarige 7],
allen wonende te [woonplaats 4] , Irak.
eisers,
advocaten: mr. L. Zegveld en mr. T.J.R. van der Sommen te Amsterdam,
tegen
De Staat der Nederlanden te Den Haag,
gedaagde (hierna te noemen: de Staat),
advocaten: mr. W.I. Wisman en mr. E.V. Koppe te Den Haag,
1. De procedure / wat aan dit vonnis is voorafgegaan
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het vonnis van de geheimhoudingskamer van 17 juni 2026 en de daarin genoemde stukken;
- de akte na tussenvonnis geheimhoudingskamer d.d. 17 juni 2026 van de zijde van eisers;
- de akte uitlaten vonnis geheimhoudingskamer, tevens houdende overlegging producties 28C, 29C, 35C, 36C, 39C, 40C, 41C, 46C, 49C en 50C van de zijde van de Staat;
- de akte na rolbeslissing d.d. 15 juli 2026 van de zijde van eisers; en
- de akte uitlaten beperkte kennisneming productie 26B Staat van de zijde van de Staat.
Ten slotte is vonnis bepaald op heden.
2. De nadere beoordeling
Op 17 juni 2026 heeft de geheimhoudingskamer vonnis gewezen en de zaak terugverwezen naar de (hoofd)kamer die vandaag vonnis wijst.
De geheimhoudingskamer heeft beslissingen genomen over de verzoeken van de Staat om de kennisneming van bepaalde (passages uit) stukken te beperken tot de hoofdkamer en te onthouden aan eisers op grond van gewichtige redenen.
De geheimhoudingskamer heeft dat verzoek toegewezen voor zover dat betrekking heeft op de target folder, de gelakte onderdelen in de processen-verbaal van de verhoren die de Koninklijke Marechaussee heeft afgenomen van de Red Card Holder (RCH) en de verbindingsofficieren (LNO’s), de gelakte onderdelen in het Memorandum dat is gericht aan de Commandant der Strijdkrachten getiteld ‘Onderzoek CIVCAS melding 2 juni 2015 ‘VBIED Facility’ van 30 juni 2016, gelakte onderdelen in een aantal andere door de Staat overgelegde producties (31B tot en met 41B, 44B tot en met 51B en 53B), en de bewegende beelden genoemd onder 3.2.8 van de akte na tussenvonnis van 22 mei 2024.
De geheimhoudingskamer heeft het verzoek van de Staat afgewezen voor zover dat betrekking heeft op de door de Staat overgelegde producties 42B, 43B, 52B en 54B.
De geheimhoudingskamer heeft verder eisers in de gelegenheid gesteld om kenbaar te maken of zij de hoofdkamer toestemming geven te beslissen mede op grond van de stukken ten aanzien waarvan het verzoek tot beperkte kennisname is toegewezen. Daarnaast is eisers gelegenheid gegeven te laten weten of zij gebruik wensen te maken van een minimaal gelakte versie van het proces-verbaal van verhoor van de RCH (productie 27C te noemen) onder de voorwaarden dat alleen de advocaten van eisers kennis nemen van deze versie, dat ten aanzien van deze versie een mededelingsverbod zal gelden voor de gegevens die niet reeds openbaar zijn en dat de behandeling ter zitting van deze versie achter gesloten deuren zal plaatsvinden. Bij akte van 17 juni 2026 hebben eisers te kennen gegeven prijs te stellen op bedoelde productie 27C en in te stemmen met de voorwaarden waaronder deze productie verstrekt zal worden. De hoofdkamer zal bepalen dat productie 27C onder deze voorwaarden zal worden verstrekt.
Verder hebben eisers in de akte van 17 juni 2026 de hoofdkamer toestemming gegeven om te oordelen op grond van de stukken waarvan de geheimhoudings-kamer het verzoek tot beperkte kennisneming heeft toegewezen (inclusief productie 26B die abusievelijk niet in het dictum is opgenomen). Ten aanzien van de toestemming betreffende het ongelakte proces-verbaal van verhoor van de RCH (productie 27B) hebben eisers echter te kennen gegeven daar in een later stadium op terug te willen komen, vanwege de verstrekking van productie 27C.
De hoofdkamer verzoekt eisers zo spoedig mogelijk een standpunt in te nemen over de toestemming voor kennisname van productie 27B.
De geheimhoudingskamer heeft in het vonnis van 17 juni 2026 de Staat gelegenheid gegeven zich uit te laten over de vraag of de advocaten van eisers in de gelegenheid zullen worden gesteld (een) deskundige(n) te raadplegen over de inhoud van productie 27C, waarbij ook door deze deskundige(n) geheimhouding zal moeten worden betracht. Bij akte van 8 juli 2026 heeft de Staat zich tegen kennisname door (een) deskundige(n) verzet. Hij wijst op de bijzondere vertrouwelijkheid van het stuk en stelt zich op het standpunt dat controle en handhaving van een mededelingsverbod in het geval van deskundigen beperkter is dan in geval van advocaten voor wie immers tuchtrecht geldt.
De hoofdkamer is echter met eisers en in lijn met de overwegingen van de geheimhoudingskamer van oordeel dat het evenwicht tussen partijen vereist dat de advocaten van eisers niet alleen kennis kunnen nemen van productie 27C, maar dat zij daarover ook overleg moeten kunnen voeren met een deskundige vanwege de vermoedelijk specialistische militaire kennis die benodigd is om de verklaringen van de RCH te kunnen duiden. Het komt de hoofdkamer voor dat één deskundige zal kunnen volstaan. Het bezwaar van de Staat betreffende de controle en handhaving legt onvoldoende gewicht in de schaal, omdat ook voor de deskundige een mededelingsverbod zal gelden, waarvan overtreding bovendien strafbaar is.
Het is uiteraard aan de advocaten van eisers om hun eigen deskundige te selecteren. Vanwege de vertrouwelijkheid en de naleving daarvan zal echter wel op voorhand aan de Staat gelegenheid worden geboden om eventuele bezwaren tegen de persoon van de deskundige kenbaar te maken.
Anders dan eisers bepleiten zal worden gehonoreerd het verzoek van de Staat om ter zitting achter gesloten deuren te behandelen de inhoud van de processen-verbaal van de verhoren van de LNO’s (producties 28 en 29), alsmede de vanwege een technische oorzaak onbedoeld ter kennis van eisers gekomen producties 42B, 43B, 52B en 54B (door eisers in het geding gebracht als hun producties 121, 122 en 124 tot en met 127). Met de Staat is de hoofdkamer van oordeel dat het mededelings-verbod dat reeds ten aanzien van deze stukken is opgelegd, zich niet verhoudt met een bespreking van deze stukken tijdens een openbare zitting. Daarbij is nog van belang dat de hoofdkamer onvoldoende aanleiding ziet om het mededelingsverbod dat de geheimhoudingskamer ten aanzien van producties 28 en 29 heeft opgelegd, op te heffen. Dit laatste moet wel tot gevolg hebben, zoals eisers terecht betogen, dat de deskundige van eisers ook (onder het verband van een mededelingsverbod) inzage zal kunnen hebben in producties 28 en 29. De verhoren van de LNO’s hangen immers samen met het verhoor van de RCH en in dit verband gelden dus dezelfde overwegingen als ten aanzien van de omgang met dat verhoor.
De verdere inhoudelijke, mondelinge behandeling van deze zaak zal plaatsvinden op donderdag 11 maart 2027 vanaf 10:00 uur in het Paleis van Justitie te Den Haag. In aanloop naar die zitting zal de rechtbank uiteraard in samenspraak met partijen een zittingsagenda opstellen en zal zij eventuele nadere regie-instructies geven.
3. De beslissing
De rechtbank:
gebiedt de Staat de advocaten van eisers productie 27C te verstrekken, ten aanzien van welke verstrekking de volgende voorwaarden gelden:
i) Kennisneming van deze productie is voorbehouden aan mrs. Zegveld en Van der Sommen in hun hoedanigheid van raadslieden van eisers. Kennisname door een deskundige van de zijde van eisers zal eerst plaats kunnen vinden nadat de rechtbank daarover bij latere beslissing expliciet heeft besloten en een mededelingsverbod voor deze deskundige zal hebben uitgevaardigd;
ii) Voor mrs. Zegveld en Van der Sommen geldt een mededelingsverbod ten aanzien van de inhoud van productie 27C als bedoeld in artikel 28, eerste lid, aanhef en onder b, Rv voor zover de informatie daarin niet reeds via andere weg openbaar is gemaakt;
iii) De inhoud van productie 27C zal tijdens de mondelinge behandeling slechts kunnen worden besproken tijdens het gedeelte daarvan dat achter gesloten deuren zal plaatsvinden (vgl. artikel 27, eerste lid, aanhef en onder b en c Rv en artikel 28, eerste lid, aanhef en onder a Rv).
bepaalt dat ook de mondelinge behandeling van de producties 28 en 29, alsmede 42B, 43B, 52B en 54B achter gesloten deuren zal plaatsvinden;
verwijst de zaak naar de rolzitting van 30 september 2026 voor het nemen van een akte door eisers waarin zij de naam en het cv van de door hen beoogde deskundige in het geding zullen brengen, waarna de Staat zich bij akte zal kunnen uitlaten over de persoon van de deskundige;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.R. Glass, mr. R.C. Hartendorp en mr. A.M. Boogers en in het openbaar uitgesproken op 16 september 2026.