RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.49355
V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. C.F. Wassenaar),
en
(gemachtigde: mr. S.J. Versteeg).
Procesverloop
Bij besluit van 25 augustus 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Verweerder heeft de rechtbank hiervan in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 1 september 2026 op zitting behandeld. De rechtbank heeft een afstandsverklaring ontvangen waarin eiser verklaart afstand te doen van zijn recht om aanwezig te zijn bij de zitting. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Onrechtmatige voorgaande maatregel
1. Eiser stelt dat de voorgaande maatregel van bewaring te laat is omgezet, waardoor die onrechtmatig is geworden. Dit werkt volgens eiser door in de huidige maatregel van bewaring en maakt die onrechtmatig.
Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling), waaronder de uitspraak van 11 december 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5943, volgt dat de onrechtmatigheid van een voorgaande maatregel van bewaring in beginsel geen afbreuk doet aan de rechtmatigheid van een opvolgende, op een andere grondslag gebaseerde maatregel van bewaring. Een uitzondering op dit uitgangspunt is als het gebrek in de voorgaande maatregel een ernstige schending oplevert van het aan de vreemdeling toekomende recht om in vrijheid te worden gesteld wanneer de bewaring onrechtmatig is.
De rechtbank overweegt dat zij in de uitspraak van vandaag, in de zaak NL26.48602, heeft geoordeeld dat de voorgaande maatregel van bewaring in de periode van 20 augustus 2026 tot 25 augustus 2026 onrechtmatig was, omdat die maatregel niet tijdig is omgezet. De rechtbank is echter van oordeel dat de omstandigheid dat de voorgaande maatregel van bewaring enkele dagen te laat is omgezet op zichzelf geen ernstige schending van het recht om in vrijheid te worden gesteld oplevert en daarom de opvolgende (huidige) maatregel van bewaring niet onrechtmatig maakt (vgl. de Afdelingsuitspraak van 25 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1206). Hierbij speelt mee dat er gedurende de gehele onrechtmatige bewaringsperiode een andere bewaringsgrondslag ‘beschikbaar’ was. Van kwade trouw of misleiding van de zijde van verweerder, zoals eiser suggereert, is naar het oordeel van de rechtbank niet gebleken.
Het voorgaande betekent dat het onrechtmatige einde van de voorgaande bewaringsmaatregel niet doorwerkt in de huidige bewaringsmaatregel. De onder 1. weergegeven beroepsgrond slaagt dan ook niet.
Voortvarend handelen
2. Eiser stelt dat verweerder niet voldoende voortvarend heeft gehandeld.
Voor een bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, van de Vw is zicht op uitzetting geen voorwaarde. Dit betekent dat verweerder bij een bewaring op grond van deze bepaling niet gehouden is voortvarend handelingen ter voorbereiding van de uitzetting te verrichten. Wel geldt dat verweerder voldoende voortvarend moet werken aan de asielprocedure. Dat doet verweerder naar het oordeel van de rechtbank ook. Op 1 september 2026 stond namelijk een asielgehoor met eiser gepland. Gelet hierop slaagt de beroepsgrond niet.
Belangenafweging
3. Eiser voert aan dat de belangenafweging in zijn voordeel moet uitvallen, omdat zijn belang om in vrijheid te worden gesteld zwaarder weegt dan het belang van verweerder om hem in bewaring te houden.
Volgens vaste rechtspraak komt gedurende de eerste zes maanden van de bewaring in beginsel meer gewicht toe aan de belangen van verweerder bij voortduring van de bewaring dan aan de belangen van de vreemdeling bij zijn invrijheidstelling. Niettemin kunnen bijzondere omstandigheden ertoe leiden dat aan de belangen van de vreemdeling, ook al is de zesmaandentermijn nog niet verstreken, een groter gewicht toekomt dan aan de belangen van verweerder. Van dergelijke bijzondere omstandigheden is naar het oordeel van de rechtbank in dit geval echter niet gebleken. Daarbij overweegt de rechtbank dat de omstandigheid dat de voorgaande maatregel enige dagen onrechtmatig heeft voortgeduurd niet een dergelijke bijzondere omstandigheid is. Er bestaat dan ook geen grond voor het oordeel dat de belangenafweging in dit stadium in het voordeel van eiser zou moeten uitvallen. De hiertoe aangevoerde beroepsgrond slaagt niet.
Slotsom beroepsgronden
4. Uit het voorgaande volgt dat de beroepsgronden van eiser niet leiden tot het oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
Ambtshalve toetsing
5. De rechtbank overweegt tot slot dat zij, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858, gehouden is ambtshalve de rechtmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring te toetsen. Ook met inachtneming van deze ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F.A. Groeneveld, rechter, in aanwezigheid van mr. N. Felić, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.