RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam] , eiser,
de minister van Asiel en Migratie, de minister
Samenvatting
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.62256
geboren op [geboortedatum] ,
van Jemenitische nationaliteit,
V-nummer: [v-nummer] ,
(gemachtigde: mr. B. de Haan),
en
(gemachtigde: mr. A.E. Geçer).
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vw. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Mede aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag wel in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 20 november 2025 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als ongegrond. Daarbij is aan eiser een terugkeerbesluit opgelegd.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het beroep op 4 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, een tolk en de gemachtigde van de minister. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
Het asielrelaas
3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser heeft in 2006 Jemen verlaten voor studie in China. Eiser wordt sinds 2004 in de gaten gehouden door de inlichtingendienst nadat een militair hem beschuldigde van afluisteren. Eiser is zowel thuis als op zijn werk lastiggevallen. Ook in China werd eiser door de inlichtingendienst gemonitord. Eiser vreest dat hij bij terugkeer naar Jemen niet meer met rust zal worden gelaten, omdat hij tussen 2017 en 2024 berichten heeft verplaatst op Facebook waarin hij kritiek uitte tegen het regime.
Het bestreden besluit
4. De minister heeft de volgende asielmotieven aangemerkt:
De minister acht de identiteit, nationaliteit en herkomst, de discriminatie op basis van afkomst en de politieke overtuiging geloofwaardig. De problemen met de autoriteiten acht de minister niet geloofwaardig. Hiertoe overweegt de minister dat eiser zijn verklaringen niet heeft onderbouwd met objectieve documenten die zijn asielmotief volledig onderbouwen. Ook vormen de verklaringen van eiser over de problemen geen samenhangend en aannemelijk geheel. Zo acht de minister de verklaringen van eiser over de reden van zijn problemen met de inlichtingendiensten niet aannemelijk omdat er geen objectieve aanwijzingen zijn dat de ontmoeting met de militair ooit heeft plaatsgevonden en daarmee gevolgen heeft gehad. Ook acht de minister het feit dat geloof in bovennatuurlijke krachten aan de basis ligt van de geheime operatie tegen eiser niet aannemelijk. Verder heeft eiser vaag en ongerijmd verklaard over hoe de inlichtingendiensten hem vermeend hebben gemonitord. De aannames die eiser doet over het handelen van de inlichtingendiensten zijn volgens de minister niet gebaseerd op feitelijke waarnemingen, maar op vermoedens, interpretaties en vermoedelijke bedoelingen van anderen. Verder werpt de minister aan eiser tegen dat hij zijn asielaanvraag niet zo spoedig mogelijk heeft ingediend en daarvoor geen goede verklaring kan geven. Volgens de minister leiden de geloofwaardige asielmotieven niet tot een gegronde vrees voor vervolging of een reëel risico op ernstige schade. Hiertoe overweegt de minister dat het niet aannemelijk is dat eiser door het plaatsen van berichten op sociale media opnieuw in negatieve zin onder de aandacht van de autoriteiten zou komen te staan. Het is namelijk niet gebleken dat eiser, ondanks een veel groter bereik in het verleden, in negatieve zin is opgemerkt door het regime. Verder overweegt de minister dat eisers verklaringen geen aanwijzingen bevatten dat zijn bestaansmogelijkheden daadwerkelijk worden beperkt als gevolg van discriminatie. Eiser is de mogelijkheid tot werk nooit ontzegd, noch tot scholing, zorg of huisvesting. Ook heeft eiser volgens de minister niet aannemelijk gemaakt dat hij persoonlijk een reëel risico loopt om slachtoffer te worden van de hoge mate van willekeurig geweld ten opzichte van andere burgers. Eiser heeft al een langere periode niet meer in Jemen verbleven en bovendien heeft eiser verklaard dat zijn familieleden geen problemen ondervinden als gevolg van de oorlogssituatie. De minister heeft asielaanvraag van eiser daarom afgewezen.
Herhaling zienswijze
5. Eiser verwijst naar de zienswijze en verzoekt om de inhoud daarvan als herhaald en ingelast te beschouwen.
De rechtbank stelt vast dat de minister in het bestreden besluit gemotiveerd is ingegaan op wat eiser in de zienswijze heeft aangevoerd. Het enkel verwijzen naar de zienswijze in de beroepsgronden, zonder daarbij aan te geven op welke punten en waarom de motivering van het besluit volgens eiser niet toereikend is, is naar het oordeel van de rechtbank geen gemotiveerde betwisting van het besluit en kan daarom niet tot vernietiging van het besluit leiden.
15c-situatie in Jemen en de provincie Lahj
6. Eiser voert aan dat de minister zich ten onrechte op het standpunt stelt dat ten aanzien van de provincie Lahj in Jemen kan worden uitgegaan van een relatief hoger niveau van willekeurig geweld als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. Eiser wijst op de brieven van VWN van 5 januari 2026, 6 januari 2026 en 7 november 2025. Ook wijst eiser op het algemeen ambtsbericht Jemen van april 2025 en op een recent nieuwsbericht van Al-Manar. Verder voert eiser aan dat de minister bij de beoordeling van de 15c-situatie de humanitaire omstandigheden in Lahj onvoldoende heeft gewogen. Eiser wijst op de uitspraak van de Afdeling van 16 juli 2025 en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, van 5 juni 2025.
De rechtbank overweegt als volgt. De minister van Buitenlandse Zaken heeft op 18 april 2025 een nieuw ambtsbericht uitgebracht over de veiligheidssituatie in Jemen. Naar aanleiding van dit ambtsbericht en de hiervoor genoemde uitspraak van de Afdeling van 16 juli 2025 is het landenbeleid van Jemen op 17 oktober 2025 gewijzigd. Deze wijzigingen zijn opgenomen in WBV 2025/20. De wijziging houdt in dat de minister per provincie heeft beoordeeld welk niveau van willekeurige geweld geldt. Voor onder meer de provincie Lahj is sprake van een relatief hoger niveau van willekeurig geweld. De minister heeft de asielaanvraag van eiser aan de hand van het gewijzigde beleid beoordeeld.
De rechtbank overweegt verder dat de meervoudige kamer van deze zittingsplaats recentelijk een drietal uitspraken heeft gedaan waarin is geoordeeld dat de minister zich deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat zich in Jemen een relatief hoger niveau van willekeurig geweld voordoet. In deze uitspraken is ook geoordeeld dat de minister inzichtelijk heeft gemaakt hoe de humanitaire omstandigheden zijn betrokken en dat daarmee in lijn is gehandeld met de Afdelingsuitspraak van 16 juli 2025. De rechtbank ziet in hetgeen eiser heeft aangevoerd geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen.
De minister heeft er allereerst terecht op gewezen dat de brief van VWN van
6 januari 2026 specifiek op de situatie in Sana’a ziet en daarom niet van belang is voor eiser die moet terugkeren naar Lahj. Verder heeft de minister in het verweerschrift nader toegelicht waarom in de provincie Lahj geen sprake is van de meest uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. Hoewel in Lahj sprake is van een relatief hoge mate van willekeurig geweld, is de intensiteit en schaal van het geweld niet zodanig dat burgers alleen al door hun aanwezigheid in deze provincie een reëel risico lopen op ernstige schade. De minister wijst er op dat Lahj grotendeels onder controle staat van de PLC en hieraan gelieerde groepen. Ook acht de minister van belang dat het aantal burgerslachtoffers, afgezet tegen de omvang van de bevolking van de provincie, relatief beperkt is. Dit geldt ook voor het aantal veiligheidsincidenten met dodelijke burgerslachtoffers als gevolg van ontplofbare resten en mijnen. De minister neemt daarnaast in aanmerking dat de humanitaire situatie in Lahj slecht is, maar acht deze omstandigheden niet van zodanige aard dat zij zelfstandig of in samenhang met geweld leiden tot de conclusie dat sprake is van een uitzonderlijke situatie. Hoewel uit het laatste ambtsbericht volgt dat Lahj één van de provincies is die met de meeste voedselonzekerheid kampt, blijkt ook dat er in 2024 een lichte verbetering van de toegankelijkheid van humanitaire hulp heeft plaatsgevonden en dat er mensenrechtenorganisaties actief zijn. Ook wijst de minister op de Afdelingsuitspraak van 16 juli 2025, waaruit volgt dat met name de zuidelijke provincies, waaronder Lahj, over het geheel genomen betere toegang hebben tot hulporganisaties. De minister blijft daarom bij de kwalificatie dat sprake is van een relatief hoger, maar niet het hoogste niveau van willekeurig geweld. Ten aanzien van de brief van VWN van 7 november 2025 heeft de minister er nog terecht op gewezen dat deze met name ziet op door de Houthi’s gecontroleerde gebieden, terwijl Lahj geen Houthi-gebied is. Ook is niet gebleken dat eiser activist of journalist is of (actief) aanhanger van een politieke partij. De minister heeft hierbij terecht gewezen op het feit dat eiser zich al jaren niet meer kritisch uit heeft gelaten.
Nu terecht wordt uitgegaan van het relatief hoger niveau van willekeurig geweld, is het aan eiser om op basis van zijn individuele omstandigheden aannemelijk te maken waarom juist hij specifiek een reëel risico loopt om slachtoffer te worden van de hoge mate van willekeurig geweld ten opzichte van andere burgers. De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende deugdelijk heeft gemotiveerd dat eiser daarin niet is geslaagd. De minister heeft hierbij terecht betrokken dat eiser gedurende een langere periode niet meer in Jemen heeft verbleven. Ook heeft de minister terecht betrokken dat eiser familie heeft in Jemen en dat hij heeft verklaard dat zijn familieleden geen problemen ondervinden vanwege de oorlogssituatie. Door eiser zijn in beroep geen nadere individuele omstandigheden naar voren gebracht op basis waarvan hij een groter risico zou lopen om bij terugkeer slachtoffer te worden van willekeurig geweld ten opzichte van andere burgers.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de minister deugdelijk heeft gemotiveerd dat in Jemen, meer specifiek de provincie Lahj, geen sprake is van een hoogste niveau van willekeurig geweld. De minister heeft de humanitaire omstandigheden hierbij op een deugdelijke wijze betrokken en daarmee in lijn gehandeld met de uitspraak van de Afdeling van 16 juli 2025. Ook heeft de minister voldoende onderzocht en gemotiveerd op welke wijze de individuele omstandigheden van eiser niet leiden tot een verhoogd risico op willekeurig geweld bij terugkeer naar Jemen.
Artikel 3 van het EVRM
7. Eiser voert aan dat hij, gelet op de door hem genoemde algemene informatie, in Jemen een ernstig risico loopt op een met het bepaalde in artikel 3 van het EVRM strijdige behandeling.
De rechtbank oordeelt dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat er geen reden is om aan te nemen dat eiser terecht zal komen in een situatie van materiële deprivatie of in slechte humanitaire omstandigheden als bedoeld in artikel 3 van het EVRM. Eiser heeft geen individuele omstandigheden aangedragen waaruit blijkt dat hij op basis van willekeur kan worden onderworpen aan een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM.
Conclusie en gevolgen
8. De rechtbank verklaart beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en de afwijzing van zijn asielaanvraag in stand blijft. Ook het terugkeerbesluit blijft van kracht. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.J. van der Veen, rechter, in aanwezigheid van
mr. V. Vegter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.