RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser,
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL26.51547
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. M.B. van den Toorn-Volkers)
en
(gemachtigde: mr. L. Hartog).
Procesverloop
Met het bestreden besluit van 2 september 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 10 september 2026 op zitting behandeld. Eiser is, met behulp van een beeldverbinding, verschenen, bijgestaan door mr. S.A.M. Fikken als waarnemer van zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [tolk]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Beoordeling door de rechtbank
Toetsingskader
1. Eiser is geboren op [datum] 1997 en heeft de Ghanese nationaliteit.
2. Bij aanvang van de zitting heeft eiser bezwaar gemaakt tegen de toegewezen tolk Engels en gesteld dat hij deze niet goed kon verstaan. Daarbij heeft eiser erop gewezen dat hij afkomstig is uit Ghana, terwijl de tolk afkomstig is uit Nigeria. De rechtbank heeft dit met eiser en de tolk besproken. De tolk heeft daarbij aangegeven dat er naar zijn mening geen verschil is tussen Ghanees en Nigeriaans Engels. Tijdens de verdere behandeling van de zaak is niet gebleken van een zodanig communicatieprobleem tussen eiser en de tolk dat de zitting niet kon worden voortgezet. De rechtbank heeft daarom geen aanleiding gezien de behandeling van de zaak aan te houden.
3. Verweerder kan in vreemdelingenbewaring stellen de vreemdeling die rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8, aanhef en onder f, subonderdeel 2° of onder h, subonderdeel 2° van de Vw voor zover dit betrekking heeft op een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 28 van de Vw, als vreemdelingenbewaring noodzakelijk is met het oog op het vaststellen van de gegevens die ten grondslag liggen aan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 28 van de Vw en die niet zouden kunnen worden verkregen indien de aanvrager niet in vreemdelingenbewaring zou worden gehouden, met name wanneer er sprake is van een onderduikrisico. Deze grond voor vreemdelingenbewaring is aanwezig, indien door middel van vreemdelingenbewaring de gegevens die ten grondslag liggen aan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel kunnen worden verkregen, en zich ten minste twee van de gronden, bedoeld in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb voordoen.
4. Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring. In het besluit tot vreemdelingenbewaring vermeldt verweerder de feitelijke en juridische gronden waarop de vreemdelingenbewaring is gebaseerd en de reden dat geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast.
De aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring
5. Verweerder heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de vreemdelingenbewaring noodzakelijk is met het oog op het vaststellen van de gegevens die ten grondslag liggen aan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 28 van de Vw en die niet zouden kunnen worden verkregen indien de aanvrager niet in vreemdelingenbewaring zou worden gehouden, met name wanneer sprake is van een onderduikrisico. Ook staat in de maatregel dat ten aanzien van eiser is gebleken dat er sprake is van een onderduikrisico. In de maatregel heeft verweerder als gronden vermeld dat eiser:
6. Verweerder heeft ter zitting grond j laten vallen.
7. De rechtbank stelt vast dat eiser de overige gronden die door verweerder in de maatregel van vreemdelingenbewaring zijn opgenomen, niet heeft betwist. De rechtbank is van oordeel dat deze gronden juist zijn en voor zover nodig voldoende zijn toegelicht in de maatregel. De gronden zijn voldoende om de maatregel te dragen. Daarom kan worden aangenomen dat er een risico op onderduiken bestaat.
Lichter middel
8. Eiser heeft aangevoerd dat hij als gevolg van zijn eerdere ervaringen in Bloemendaal is getraumatiseerd en dat detentie daarom niet de plek is waar hij zou moeten verblijven.
9. De rechtbank volgt eiser hierin niet. Gelet op de gronden die aan de maatregel van vreemdelingenbewaring ten grondslag liggen, bestaat er een risico dat hij zal onderduiken. Verweerder heeft ook voldoende gemotiveerd dat niet is gebleken dat een lichter middel doeltreffend kan worden toegepast om dit risico te ondervangen. Ten aanzien van eisers stelling dat hij getraumatiseerd is, overweegt de rechtbank dat deze stelling niet met medische stukken is onderbouwd. Ten overvloede merkt de rechtbank op dat eiser in het detentiecentrum toegang heeft tot medische zorg die gelijkwaardig is aan de gezondheidszorg in de vrije maatschappij. Voorts is niet gebleken van feiten of omstandigheden die de bewaring voor eiser onevenredig bezwarend maken en waarin verweerder aanleiding had moeten zien voor een lichter middel.
Ambtshalve toets
10. De rechtbank ziet ambtshalve geen aanleiding voor het oordeel dat de maatregel van vreemdelingenbewaring op enig moment onrechtmatig was.
Conclusie
11. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
12. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 14 september 2026 door mr. E.F. Bethlehem, rechter, in aanwezigheid van mr. P. Lukanika, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.