ECLI:NL:RBDHA:2026:26762

ECLI:NL:RBDHA:2026:26762

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 16-09-2026
Datum publicatie 14-09-2026
Zaaknummer C/09/711225 / KG ZA 26-911
Rechtsgebied Civiel recht; Verbintenissenrecht
Procedure Kort geding
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

kort geding: Besluit houdende tijdelijke economische beperkingen voor het tegengaan van het in stand houden van de onrechtmatige nederzettingen in de door Israël bezette gebieden’ wordt niet buiten toepassing verklaard. Geen strijd met Europees recht of op andere wijze onrechtmatig. Categorie: verbintenissenrecht algemeen.

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/711225 / KG ZA 26-911

Vonnis in kort geding van 16 september 2026

in de zaak van

1. IPC ISRAEL PRODUCTS CENTRE B.V. te Nijkerk,

2. EUROPEAN JEWISH ASSOCIATION (EJA) te Brussel, België,

eisers,

advocaten: mr. A. Mouritz te Amsterdam, mr. M.E. Beukers te Bussum en mr. S.P. Koerselman te Zoetermeer,

tegen:

DE STAAT DER NEDERLANDEN (ministerie van Buitenlandse Zaken en ministerie van Financiën/de Douane te Den Haag,

gedaagde,

advocaten: mrs. M.R. Botman en E. Boele van Hensbroek te Den Haag.

Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘IPC’, ‘EJA’ en ‘de Staat’.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 20 augustus 2026, met producties 1 tot en met 5;

- de op 24 augustus 2026 door IPC en EJA overgelegde producties 6 tot en met 8;

- de conclusie van antwoord, met producties 1 tot en met 19;

- de tijdens de mondelinge behandeling op 26 augustus 2026 door partijen overgelegde pleitnotities.

2. De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

Sanctiebesluit en Nota van Toelichting

Op 13 juli 2026 is op voordracht van de minister van Buitenlandse Zaken, gedaan in overeenstemming met de minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking, het ‘Besluit houdende tijdelijke economische beperkingen voor het tegengaan van het in stand houden van de onrechtmatige nederzettingen in de door Israël bezette gebieden’ (hierna: ‘het Sanctiebesluit’) vastgesteld.

Het Sanctiebesluit treedt blijkens artikel 9 in werking met ingang van de dag liggende twee maanden na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst. Op 21 juli 2026 is het Sanctiebesluit gepubliceerd in het Staatsblad (Staatsblad 2026, 222). Het Sanctiebesluit geldt in beginsel voor een periode van drie jaar en voorziet niet in overgangsrecht.

Het Sanctiebesluit is blijkens artikel 2 van toepassing op goederen die geheel of gedeeltelijk verkregen zijn uit of geproduceerd zijn in een onrechtmatige nederzetting in de door Israël bezette gebieden. Het Sanctiebesluit voorziet in een aantal handelsverboden, waaronder een invoerverbod, aankoopverbod, verkoopverbod, een verbod tot het verlenen van tussenhandeldiensten en een omzeilingsverbod. Deze handelsverboden gelden uitsluitend voor goederen afkomstig uit onrechtmatige nederzettingen in de door Israël bezette gebieden en niet voor Israëlische goederen in het algemeen. Voor wat betreft die nederzettingen wordt aangesloten bij de door de Europese Commissie opgestelde lijst van plaatsen en hun postcodes (EU-postcodelijst) van waaruit goederen niet in aanmerking komen voor preferentiële behandeling onder het op 20 november 1995 gesloten associatieakkoord tussen de Europese Gemeenschappen en Israël. Voormelde handelsverboden hebben op grond van artikel 8 van het Sanctiebesluit te gelden als bepalingen van bijzonder dwingend recht als bedoeld in artikel 9 van Verordening (EG) nr. 593/2008 van 17 juni 2008 (PbEU 2008, L 177).

De Nederlandse regering heeft op 22 mei 2026 op de voet van artikel 24, lid 2, van Verordening (EU) nr. 2015/478 (hierna: ‘EU-Invoerverordening’) en artikel 33 van Verordening (EU) nr. 2015/936 (textielproducten) aan de Europese Commissie mededeling gedaan van haar voornemen om het Sanctiebesluit in te voeren. Op 5 juni 2026 heeft de Nederlandse regering op grond van artikel 5, lid 1, van Richtlijn (EU) nr. 2015/1535 (hierna: ‘de TRIS-richtlijn’) het ontwerpbesluit voorgelegd aan de Europese Commissie met een beroep op de spoedprocedure.

Daarnaast heeft de Nederlands regering de Fiscale inlichtingen en opsporingsdienst (FIOD) en het Openbaar Ministerie (OM) informeel over de inhoud van het ontwerpbesluit geïnformeerd. De FIOD en het OM hebben onder meer opgemerkt dat het lastig is om de herkomst van een product te controleren. De Douane heeft het ontwerpbesluit getoetst op handhaafbaarheid, uitvoerbaarheid en fraudebestendigheid. De Douane acht het besluit uitvoerbaar, maar ziet ten aanzien van de handhaving en fraudebestendigheid wel grote risico’s. Daarbij heeft de Douane evenals de FIOD opgemerkt dat de herkomst van een product lastig valt te controleren. In paragraaf 8.2 van de Nota van Toelichting valt te lezen dat de Nederlandse regering deze risico’s onderkent en ter verkleining daarvan heeft gekozen voor een drietrapsaanpak van een douanemaatregel (invoerverbod), diverse markttoezichtmaatregelen (aankoopverbod, verkoopverbod en verbod op het verlenen van tussenhandeldiensten) en een verbod op het omzeilen van deze verboden.

Op 22 mei 2026 heeft de Nederlandse regering het ontwerp van het Sanctiebesluit ter advisering aanhangig gemaakt bij de Afdeling advisering van de Raad van State. De Raad van State heeft op 24 juni 2026 zijn advies uitgebracht. Hierin adviseert de Raad van State de regering om nader uiteen te zetten hoe de voorgestelde maatregelen zo goed mogelijk zullen worden gehandhaafd en toe te lichten hoe de keuze om af te zien van internetconsultatie zich verhoudt tot het uitgangspunt dat in principe alle wet- en regelgeving in internetconsultatie wordt gebracht.

In de Nota van Toelichting bij het Sanctiebesluit wordt in paragraaf 1 uiteengezet dat de Israëlische bezetting van de Palestijnse Gebieden en de Syrische Golanhoogvlakte onrechtmatig is en dat de Israëlische nederzettingen aldaar onrechtmatig zijn. Het Israëlische nederzettingenbeleid, het kolonistengeweld en het optreden van het Israëlische leger zorgen voor een steeds verder verslechterende situatie op de Westelijke Jordaanoever. De situatie op de Golanhoogvlakte komt verder onder druk te staan als gevolg van de verdere inname van Syrisch grondgebied na de val van het Assad-regime, uitingen van de Israëlische regering over permanente aanwezigheid en verdere uitbreiding van nederzettingen aldaar. Met het Sanctiebesluit worden wegens het uitblijven van EU-maatregelen nationale maatregelen geïntroduceerd om te voorkomen dat economische activiteiten bijdragen aan het bestendigen van deze met het internationaal recht strijdige situatie. Het gaat om gerichte en beperkte maatregelen die uitsluitend strekken ter bevordering van het internationaal recht, als onderdeel van de openbare orde. Het Sanctiebesluit is volgens de regering in de Nota van Toelichting onderdeel van de inzet van de Nederlandse regering om de Israëlische regering via druk en dialoog te bewegen van koers te veranderen ten aanzien van de Westelijke Jordaanoever en de Golanhoogvlakte.

Blijkens de Nota van Toelichting wordt onder toepassing van artikel 2, lid 1, van de Sanctiewet 1977 met het Sanctiebesluit invulling/uitvoering gegeven aan:

a. a) artikel 90 van de Grondwet, waaruit een verplichting voor de Nederlandse regering volgt om actief de ontwikkeling van de internationale rechtsorde te bevorderen;

b) het advies van het Internationaal Gerechtshof (IGH) van 19 juli 2024, waarin het IGH wijst op de verplichting van VN-lidstaten om maatregelen te nemen om handels- of investeringsrelaties te voorkomen die bijdragen aan het in stand houden van de als zodanig door de Nederlandse regering erkende onrechtmatige situatie, die Israël met de schending van verschillende regels van internationaal recht in de door haar bezette gebieden heeft gecreëerd;

c) resolutie ES-10/24 van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties (AVVN) van 18 september 2024, waarin wordt geëist dat Israël de illegale bezetting binnen 12 maanden zal staken en lidstaten worden opgeroepen om maatregelen te treffen om de onder b) bedoelde relaties te voorkomen;

d) resolutie A-79/90 van de AVVN van 4 december 2024, waarin Israël onder meer wordt opgeroepen om eerdere VN-resoluties na te leven en af te zien van de bouw van nederzettingen op de Syrische Golanhoogvlakte;

e) resolutie 465 van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties (VNVR) van 1 maart 1980, waarin lidstaten worden opgeroepen om geen enkele assistentie te verlenen aan Israël, die gebruikt zou kunnen worden in verband met de onrechtmatige nederzettingen in bezet gebied;

f) resolutie 497 van de VNVR van 17 december 1981, waarin onder meer het besluit van Israël om zijn eigen wetten, bestuur en rechtspraak op te leggen aan de bezette Syrische Golanhoogvlakte ongeldig wordt verklaard;

g) een drietal moties van de Tweede Kamer van respectievelijk 11 september 2025 (motie Paternotte c.s.), 27 november 2025 (motie Van Baarle) en 28 januari 2026 (motie Piri) om zo spoedig mogelijk een verbod op handel met de onrechtmatige nederzettingen in te voeren.

In hoofdstuk 5 van de Nota van Toelichting licht de Nederlandse regering toe dat het Sanctiebesluit niet leidt tot een ongeoorloofde schending van mensenrechten en/of handelsverdragen. Evenmin wordt volgens de Nederlandse regering met het Sanctiebesluit Europees recht geschonden. Meer in het bijzonder wijst de Nederlandse regering daarbij – kort gezegd – op artikel 24, lid 2 sub a, van de EU-Invoerverordening, dat voorziet in de bevoegdheid voor lidstaten om ter bescherming van de openbare orde verboden, kwantitatieve beperkingen of toezichtmaatregelen vast te stellen. Daarbij heeft de regering aansluiting gezocht bij de rechtspraak van het Europese Hof van Justitie over deze grond in artikel 36 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU). In dat verband stelt de regering dat het Israëlisch optreden als zodanig een werkelijke en ernstige bedreiging van de internationale rechtsorde vormt en dat daarmee sprake is van een voldoende ernstige bedreiging van een fundamenteel maatschappelijk belang, dat vereist is voor een geslaagd beroep op artikel 36 VWEU. Volgens de regering biedt het Unierecht ruimte om met een beroep op de openbare orde (mede) aan internationaalrechtelijke verplichtingen te voldoen. De in het Sanctiebesluit opgenomen maatregelen zijn volgens de regering rechtstreeks gericht op de bescherming van de mensenrechten en de internationale rechtsorde.

In paragraaf 8.4 van de Nota van Toelichting valt tot slot te lezen dat vanwege de vereiste spoed voor de totstandkoming van het Sanctiebesluit geen internetconsultatie heeft plaatsgevonden. Die spoed is gelegen in de wens om zo spoedig mogelijk te reageren op de steeds verslechterende situatie op de Westelijke Jordaanoever en de Syrische Golanhoogvlakte. Snelle (maar zorgvuldige) totstandkoming past bij het karakter van sanctiemaatregelen, waarmee zo snel mogelijk wordt gereageerd op ontwikkelingen die indruisen tegen fundamentele rechten en de bevordering van de ontwikkeling van de internationale rechtsorde, aldus de Nederlandse regering in de Nota van Toelichting.

Introductie eisende partijen

IPC is een op 12 januari 1981 opgerichte Nederlandse speciaalzaak en groothandel, die zich toelegt op de invoer en distributie van Israëlische producten voor de Nederlandse en Europese markt. Daarbij gaat het onder meer om kosjere producten, waaronder wijnen, en religieuze/spirituele voorwerpen die worden geproduceerd in gebieden waarop het Sanctiebesluit ziet.

EJA is een vereniging naar Belgisch recht. Zij heeft onder meer tot doel het verdedigen en bevorderen van de fundamentele rechten van de leden van de Joodse gemeenschap als minderheid in Europa en in het bijzonder binnen elke lidstaat van de Europese Unie.

Gevoerde correspondentie tussen IPC/EJA en de Staat

IPC en EJA hebben de Staat bij brief van hun advocaat van 16 juli 2026 – voor zover thans van belang – verzocht te bevestigen dat hij zal afzien van de invoering van het Sanctiebesluit dan wel de invoering/inwerkingtreding zal opschorten. Daarbij hebben IPC en EJA zich op het standpunt gesteld dat sprake is van a) onverbindendheid wegens strijd met EU-recht, b) inbreuk op het eigendomsrecht en schending van het vertrouwensbeginsel, c) strijd met het gelijkheids- en non-discriminatiebeginsel, d) inbreuk op de vrijheid van godsdienst, e) strijd met het rechtszekerheids- en legaliteitsbeginsel en f) een onzorgvuldige totstandkoming.

De Staat heeft zich bij brief aan IPC en EJA van 22 juli 2026 – kort gezegd – op het standpunt gesteld dat het Sanctiebesluit niet onrechtmatig is en dat hij vasthoudt aan een onverkorte inwerkingtreding per 22 september 2026.

De advocaat van IPC en EJA heeft de Staat hierop bij brief van 24 juli 2026 onder aanzegging van een kort geding verzocht een aantal vragen te beantwoorden, een aantal stukken integraal te verstrekken en primair schriftelijk te bevestigen dat de artikelen 2 tot en met 7 niet jegens IPC zullen worden toegepast totdat effectieve rechterlijke toetsing heeft plaatsgevonden dan wel subsidiair dat zal worden voorzien in een redelijke overgangs- en afbouwregeling voor rechtmatig verkregen voorraden en bestaande contracten.

De Staat heeft bij brief van 12 augustus 2026 aan de advocaat van IPC en EJA bericht dat geen van de bij brief van 24 juli 2026 gedane verzoeken wordt ingewilligd.

3. Het geschil

IPC en EJA hebben een dagvaarding uitgebracht met daarin een aantal gezamenlijk door hen ingestelde vorderingen en een aantal vorderingen dat specifiek door IPC of EJA wordt ingesteld. Daarbij gaat het om de volgende vorderingen:

I. primair namens IPC en EJA: de Staat te verbieden om vanaf de inwerkingtreding van het Sanctiebesluit de artikelen 2 tot en met 7 daarvan jegens hen, alsmede jegens de directe en indirecte afnemers, detailhandelaren en wederverkopers (lees: de afnemersketen) van de door IPC geleverde of in de toekomst te leveren goederen toe te passen, in te roepen of door onder zijn verantwoordelijkheid werkzame bestuursorganen en toezichthouders te doen toepassen of inroepen, zulks – voor zover noodzakelijk – totdat in een binnen vier weken te starten bodemprocedure in eerste aanleg eindvonnis is gewezen dan wel tot een door de voorzieningenrechter te bepalen moment;

II. primair namens IPC: de Staat te gebieden de Douane, de FIOD en de krachtens de Sanctiewet aangewezen toezichthouders schriftelijk te instrueren dat:

a) de inkomende zendingen en inkooporders van IPC niet op grond van het Sanctiebesluit worden geblokkeerd of geweigerd;

b) partijen behorend tot de afnemersketen niet strafrechtelijk of bestuursrechtelijk zullen worden vervolgd of gehandhaafd wegens het aanbieden, verkopen of in voorraad houden van producten die zij direct of indirect van IPC hebben afgenomen;

c) IPC en partijen behorend tot de afnemersketen in geen geval strafrechtelijk of bestuursrechtelijk zullen worden vervolgd of gehandhaafd wegens het in voorraad houden, aanbieden en (door)verkopen van historische handelsvoorraden die reeds vóór de inwerkingtreding van het Sanctiebesluit legaal door hen zijn ingekocht en/of ingeslagen;

III. primair namens EJA: de Staat te verbieden het Sanctiebesluit toe te passen op, dan wel te handhaven jegens importeurs en de afnemersketen voor zover het de invoer, aankoop en verkoop betreft van kosjere levensmiddelen (waaronder wijn) en religieuze goederen die essentieel zijn voor de uitoefening van de godsdienstvrijheid door de Joodse gemeenschappen in Nederland;

IV. subsidiair namens IPC en EJA: de Staat te verbieden artikel 3, lid 2, en artikel 7 van het Sanctiebesluit jegens hen toe te passen of in te roepen, alsmede de artikelen 3, lid 1, en artikel 5 voor zover deze als technische voorschriften onder de TRIS-richtlijn zijn genotificeerd, zolang de Staat niet heeft aangetoond dat de spoedprocedure rechtsgeldig is toegepast en, indien die procedure niet geldig was, de standstill-termijn is nageleefd;

V. meer subsidiair namens IPC: de Staat te verbieden het Sanctiebesluit toe te passen op of te hanshaven ten aanzien van de handelsvoorraden die door IPC en de afnemersketen reeds vóór de datum van inwerkingtreding van het Sanctiebesluit legaal zijn ingekocht en/of ingeslagen, althans te bepalen dat het in- en verkoopverbod gedurende een in redelijkheid te bepalen overgangstermijn van minimaal twaalf maanden niet van toepassing is op de verkoop van deze bestaande voorraden alsmede de inkoop-, invoer- en verkoopactiviteiten van IPC en de afnemersketen;

VI. voor landbouwproducten: de Staat te verbieden het Sanctiebesluit toe te passen of in te roepen op de agrarische- en landbouwproducten die door IPC worden verhandeld dan wel in de toekomst zullen worden verhandeld – wijnbouwproducten daaronder begrepen – voor zover deze onder Verordening (EU) 1308/2013 (hierna: ‘GMO-Verordening’) of een andere toepasselijke sectorale Unieregeling vallen die voor het betrokken nationale invoerverbod geen ruimte laat;

VII. communicatie: de Staat te gebieden binnen 24 uur na het vonnis de relevante onderdelen van het vonnis kenbaar te maken aan de Douane en de krachtens de Sanctiewet aangewezen toezichthouders die met IPC of haar zendingen te maken kunnen krijgen;

VIII. althans in goede justitie een passende voorziening te treffen om de effectieve werking van het Unierecht en de handelsactiviteiten van IPC te waarborgen;

een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom en met veroordeling van de Staat in de proces- en nakosten, te vermeerderen met wettelijke rente.

Daartoe voeren IPC en EJA – samengevat – het volgende aan.

Grond 1a – Algemene handelspolitiek is exclusief EU domein

De handelsverboden in het Sanctiebesluit vallen onder de gemeenschappelijke handelspolitiek en op dat terrein kan op grond van het VWEU uitsluitend de Europese Unie wetgevend optreden en juridisch bindende handelingen vaststellen. Artikel 1, lid 2, van de EU-Invoerverordening waarborgt voor de onder die verordening vallende goederen de hoofdregel van vrije invoer. Het uitblijven van de door de regering gewenste handelspolitieke maatregelen in EU-verband, schept volgens IPC en EJA niet de bevoegdheid voor een lidstaat om op nationaal niveau in die maatregelen te voorzien. IPC en EJA stellen dat de Staat geen beroep toekomt op artikel 24, lid 2 sub a, van de EU-Invoerverordening. Daartoe stellen zij dat de Staat niet heeft aangetoond welke concrete, actuele en voldoende ernstige bedreiging voor de Nederlandse samenleving/openbare orde wordt veroorzaakt door de invoer, aankoop of verkoop van de betrokken goederen. Met de redenering van de Staat dat schendingen van het internationaal recht een bedreiging van de internationale rechtsorde vormen en daarom tevens een bedreiging zijn van een fundamenteel maatschappelijk belang in Nederland, wordt volgens IPC en EJA de openbare orde gelijkgesteld aan de Nederlandse visie op de internationale gemeenschap. Dit is naar de mening van IPC en EJA een te ruime uitleg van het begrip openbare orde. Iedere lidstaat zou dan een eigen opvatting als nationaal fundamenteel belang kunnen kwalificeren en onder de noemer openbare orde een eigen handelsbeleid kunnen voeren. Daarbij merken IPC en EJA op dat de Staat ondanks een verzoek daartoe geen bewijsstukken heeft overgelegd waaruit blijkt van het bestaan van een actuele en voldoende ernstige bedreiging van de Nederlandse openbare orde. Artikel 90 Grondwet maakt dit niet anders, aangezien de daarin verwoorde opdracht moet worden uitgevoerd binnen de hiervoor geschetste bevoegdheidsverdeling. Het door de regering aangehaalde IGH-advies (dat overigens geen betrekking heeft op de Golanhoogvlakte) en de genoemde VN-resoluties gelden niet als een aan Nederland gerichte machtiging om in afwijking van de Europese bevoegdheidsverdeling op nationaal niveau handelsverboden vast te stellen. Een aan de Europese Unie opgedragen bevoegdheid kan niet door een nationale beleidsdoelstelling worden teruggehaald. De artikelen 2 tot en met 7 van het Sanctiebesluit moeten volgens IPC en EJA dan ook op grond van artikel 94 Grondwet en het voorrangsbeginsel jegens hen buiten toepassing blijven.

Grond 1b – Zelfstandige sectorale Unierechtelijke uitsluiting van een eenzijdig nationaal invoerverbod voor landbouw- en agrarische producten

Volgens IPC vallen de door haar geïmporteerde wijnbouwproducten onder de gelding van de GMO-Verordening. Voor producten die onder deze sectorale Unieregeling vallen, kan de Staat volgens IPC en EJA slechts op eigen gezag een nationaal invoerverbod vaststellen voor zover de Unieregeling daartoe de ruimte laat. Die ruimte is er volgens IPC en EJA op basis van de GMO-Verordening niet.

Grond 2 – De maatregel is niet geschikt, coherent of noodzakelijk

Het Sanctiebesluit geldt alleen in Nederland. Hierdoor kunnen volgens IPC en EJA de door dit besluit geraakte goederen via andere lidstaten in het vrije verkeer worden gebracht en verhandeld worden. Het Sanctiebesluit leidt daarmee tot verlegging van handelsstromen, marktfragmentatie en concurrentienadeel voor Nederlandse ondernemingen. Er is geen kwantitatieve analyse van de Nederlandse handel die uit de nederzettingen afkomstig is, geen causale analyse van de bijdrage van die handel aan de instandhouding van die nederzettingen en geen onderbouwde raming van het effect van het Sanctiebesluit op het beleid van de Israëlische regering. Daarbij wijzen IPC en EJA in het kader van de vereiste proportionaliteit op de grote gevolgen van het Sanctiebesluit op de werkgelegenheid voor Palestijnse werknemers binnen Israëlische landbouw- en productiebedrijven binnen de nederzettingen. Daarnaast stellen IPC en EJA dat niet is aangetoond dat een algemene verklaring per zending noodzakelijk is, hoeveel verboden goederen daardoor worden onderschept en waarom de bestaan EU-oorsprong- en douanecontrole onvoldoende is. De handelsverboden zijn naar de mening van IPC en EJA slechts symboolpolitiek en leiden voorts tot onaanvaardbare rechtsonzekerheid, omdat de grens tussen een verboden gedeeltelijke verkrijging enerzijds en een toegestane ingrijpende bewerking onvoldoende duidelijk is. Daarbij wijzen IPC en EJA op de kritische kanttekeningen die de eigen handhavingsinstanties van de Staat en de Afdeling advisering van de Raad van State bij de uitvoerbaarheid van het Sanctiebesluit hebben geplaatst. De overhaaste en onzorgvuldige totstandkoming van het Sanctiebesluit wordt volgens IPC en EJA verder geïllustreerd door het feit dat de Staat in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel de verplichte openbare internetconsultatie achterwege heeft gelaten. Ook had volgens IPC en EJA kunnen worden volstaan met minder ingrijpende alternatieven.

Grond 3 – Andere Unierechtelijke bepalingen blijven volledig gelden

Artikel 24 van de EU-Invoerverordening geldt uitdrukkelijk onverminderd andere bepalingen van het Unierecht. De Staat dient hoe dan ook het Associatieakkoord EU-Israël, de douane-unie, het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: ‘Handvest’) en de TRIS-richtlijn onverkort te eerbiedigen. Voor goederen die in een andere lidstaat rechtmatig in het verkeer zijn gebracht, vormen de Nederlandse handelsverboden maatregelen van gelijke werking in de zin van artikel 34 VWEU en dit betreft volgens IPC en EJA een rechtstreeks inroepbare norm. Een beroep van de Staat op artikel 36 VWEU verlangt eenzelfde strikte openbare orde-, noodzakelijkheids- en coherentietoets. Het Sanctiebesluit creëert een ongeoorloofde nationale breuk in de interne markt en leidt tot afwijkende douanebehandelingen binnen de EU. Hoewel voor wat betreft producten uit nederzettingen niet zonder meer aanspraak kan worden gemaakt op preferentiële douanetarieven, ontbreekt een nationale bevoegdheid voor een lidstaat om deze producten volledig van een nationale markt te weren.

Grond 4 – De TRIS-spoedprocedure is niet rechtsgeldig onderbouwd

De TRIS-richtlijn verplicht lidstaten ontwerpen van technische voorschriften aan de Europese Commissie mee te delen en in beginsel gedurende drie maanden niet vast te stellen. Artikel 6, zevende lid, van deze richtlijn staat afwijking van de stand still-termijn slechts toe wegens urgente redenen die zijn veroorzaakt door ernstige en onvoorziene omstandigheden. In de Nota van Toelichting is niet vermeld welke ernstige en onvoorziene gebeurtenis onmiddellijke vaststelling noodzakelijk maakte. Een politiek verlangen om zo spoedig mogelijk te handelen is niet hetzelfde als een juridisch ernstige en onvoorziene omstandigheid. Volgens IPC en EJA had de Staat al in aanloop naar dit kort geding het volledige notificatiedossier dienen over te leggen. Bij gebreke hiervan kan niet worden vastgesteld of een stand still-termijn gold en of het besluit vóór afloop daarvan is vastgesteld.

Grond 5 – Handvest, EVRM en rechtszekerheid

De onmiddellijke strafrechtelijke handhaving van het verkoopverbod ten aanzien van bestaande handelsvoorraden levert een flagrante schending op van het legaliteitsbeginsel als neergelegd in artikel 1 Wetboek van Strafrecht, artikel 7 EVRM en artikel 49 Handvest. IPC beroept zich tevens op artikel 1 van het Eerste Protocol EVRM (EP EVRM). Daarbij stelt zij dat haar ‘possessions’ bestaan uit aanwezige voorraden, vorderingen, opgebouwde goodwill en de vermogenswaarde van haar bestaande onderneming als going concern. Artikel 1 EP EVRM en artikel 17 Handvest beschermen volgens IPC de concrete bestaande vermogenswaarden waarin de handelsvrijheid reeds economisch is neergeslagen. Bij ingrijpende sanctiewetgeving is een fundamenteel vereiste van behoorlijk bestuur dat wordt voorzien in adequaat overgangsrecht (wind-down periode), zodat lopende contractuele verplichtingen kunnen worden afgewikkeld en bestaande voorraden kunnen worden verkocht. Door hier in strijd met het evenredigheidsbeginsel niet in te voorzien en ook geen compensatie aan te bieden, levert het Sanctiebesluit een ernstige inmenging in het eigendomsrecht op in de zin van artikel 1 EP EVRM en artikel 17 Handvest. Volgens IPC en EJA onttrekt de Staat essentiële notificatie- en uitvoeringsdocumenten aan een effectieve rechterlijke toetsing. Zij beroepen zich in dat verband op artikel 47 Handvest, artikel 22 en 194 Rv en op artikel 6 EVRM. Ook zijn volgens IPC en EJA relevant artikel 8 en 14 EVRM en artikel 20 en 21 Handvest. IPC en EJA stellen ten slotte dat ondernemingen met het Sanctiebesluit en de daarin door de Staat gecreëerde normatieve onduidelijkheid worden blootgesteld aan een risico op willekeurige strafrechtelijke vervolging, hetgeen strijdig is met artikel 7 EVRM en artikel 49 Handvest.

De Staat voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4. De beoordeling van het geschil

Ontvankelijkheid IPC

IPC stelt – naar de voorzieningenrechter begrijpt – haar vorderingen in deze procedure zowel in namens zichzelf als ten behoeve van partijen die door haar worden aangemerkt als ‘de afnemersketen’. De Staat stelt zich met juistheid op het standpunt dat IPC niet-ontvankelijk is in haar ten behoeve van een afnemersketen ingestelde vorderingen. Nog daargelaten dat IPC niet heeft gespecifieerd welke ondernemingen en/of particulieren onderdeel vormen van die afnemersketen, geldt dat deze (rechts-)personen in deze procedure geen procespartij zijn. IPC treedt – naar niet ter discussie staat – in deze procedure niet op als een collectieve belangenbehartiger in de zin van artikel 3:305a BW en evenmin heeft zij aangetoond dat zij ondernemingen en/of particulieren in de afnemersketen in deze procedure op andere wijze, bijvoorbeeld krachtens een volmacht, vertegenwoordigt. IPC is dan ook slecht ontvankelijk in de vorderingen, voor zover die strekken tot bescherming van haar eigen belangen.

Ontvankelijkheid EJA

EJA stelt in haar dagvaarding dat zij in dit geding optreedt als ‘overkoepelende belangenorganisatie in de zin van artikel 3:305a BW’. Zij stelt dat zij opkomt voor zowel de belangen van aangesloten handelsorganisaties die rechtstreeks door het Sanctiebesluit worden getroffen als de religieuze en culturele belangen van de Joodse gemeenschappen in Nederland en Europa die door het Sanctiebesluit worden geraakt.

Elke partij die als belangenorganisatie een vordering instelt die strekt tot bescherming van gelijksoortige belangen van andere personen dient te onderbouwen dat zij voldoet aan zowel alle processuele vereisten van artikel 1018c, lid 1, Rv als aan alle in artikel 3:305a lid 1 tot en met 5 BW gestelde eisen. Dat geldt ook voor EJA (die overigens geen beroep heeft gedaan op het zogenoemde lichtere regime van artikel 3:305a, lid 6 BW, op grond waarvan niet aan al deze de eisen hoeft te worden voldaan). EJA heeft echter nagelaten deze onderbouwing te verstrekken. De Staat heeft ten verwere terecht betoogd dat EJA daarom in haar vorderingen niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Daarbij is ook nog van belang dat, zoals de Staat eveneens terecht heeft betoogd, EJA als buitenlandse vereniging niet als belangenorganisatie kan optreden. Om deze redenen kan EJA niet in haar op artikel 3:305a BW gestoelde vorderingen worden ontvangen.

EJA heeft ter zitting aangevoerd dat voor zover zij niet-ontvankelijk mocht zijn in haar vorderingen ex artikel 3:305a BW, zij in deze procedure eveneens opkomt voor een eigen belang dat zij krachtens haar statuten nastreeft, te weten de bescherming van het Joodse leven in Europa. Volgens EJA frustreert het Sanctiebesluit haar in de verwezenlijking van haar statutaire doelstelling, te weten het faciliteren en coördineren van de bevoorrading van aangesloten gemeenschappen in Nederland met kosjere en religieuze goederen. De voorzieningenrechter volgt de Staat in zijn verweer dat EJA hiermee een wijziging van haar partijhoedanigheid voorstaat die ontoelaatbaar is. Vaste rechtspraak van de Hoge Raad is immers dat dat een partij noch door wijziging van eis noch anderszins in de loop van de procedure in een andere hoedanigheid kan gaan optreden dan die waarin zij haar vordering bij aanvang van de procedure heeft ingesteld. Dit vloeit voort uit de eisen van een goede procesorde. EJA heeft in de dagvaarding expliciet te kennen gegeven dat zij haar vorderingen instelt op de voet van artikel 3:305a BW en de Staat hoefde er daarmee niet op bedacht te zijn dat EJA haar vorderingen (ook) in de thans gestelde hoedanigheid beoogde in te stellen.

Overigens zouden ook als de wijziging van partijhoedanigheid wel toelaatbaar zou moeten worden geacht, de vorderingen van EJA niet toewijsbaar zijn. EJA stelt immers in de kern genomen dat de Joodse gemeenschap als gevolg van het Sanctiebesluit niet meer kan beschikken over (kosjere) producten die essentieel zijn voor de Joodse religieuze beleving en rituelen. Dit vormt volgens EJA een directe en disproportionele inbreuk op de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging. Dit betoog faalt. De Staat heeft er terecht op gewezen dat EJA niet aannemelijk heeft gemaakt dat de Joodse gemeenschap voor de gestelde (kosjere) producten in overwegende dan wel in substantiële mate afhankelijk is van de import van producten uit de Israëlische nederzettingen waarop het Sanctiebesluit betrekking heeft. Voorshands dient er bij die stand van zaken dan ook vanuit te worden gegaan dat deze voor de Joodse gemeenschap essentiële producten elders kunnen worden verkregen. Daarbij tekent de voorzieningenrechter aan dat de ter zitting namens EJA aanwezige rabbijn [naam] desgevraagd heeft toegelicht dat producten afkomstig uit het heilige land een religieuze meerwaarde hebben. Ter zitting is gebleken dat met het afkomstig zijn uit het heilige land door EJA niet slechts wordt gedoeld op afkomst uit de gebieden vermeld op de EU-postcodelijst. Niet aannemelijk is dan ook geworden dat het Sanctiebesluit de toevoer van essentiële religieuze goederen in ernstige mate zal belemmeren. Aannemelijk is geworden dat deze goederen in toereikende mate beschikbaar kunnen blijven door deze vanuit Israël te betrekken.

Vorderingen IPC

Beoordeeld moet vervolgens worden of de vorderingen van IPC ter bescherming van haar eigen belangen heeft ingesteld en die er – kort gezegd – toe strekken dat het Sanctiebesluit jegens haar buiten toepassing blijft, toewijsbaar zijn. Dit is naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet het geval. Daartoe overweegt de voorzieningenrechter als volgt.

Toetsingskader

Vooropgesteld wordt dat het Sanctiebesluit een algemene maatregel van bestuur (AMvB) is. Een AMvB betreft wetgeving in materiële zin. Volgens vaste rechtspraak dient de rechter in kort geding bij een vordering om dergelijke wetgeving buiten toepassing te verklaren strikte terughoudendheid te betrachten. Voor toewijzing van die vordering is slechts plaats indien de wettelijke regeling onmiskenbaar onverbindend is wegens strijd met wetten in formele zin, een ieder verbindende bepalingen van verdragen, besluiten van volkenrechtelijke organisaties en/of algemene rechtsbeginselen. Van onmiskenbare onverbindendheid is sprake indien die onverbindendheid buiten redelijke twijfel staat; alleen dan is het verantwoord om in kort geding in te grijpen.

In het kader van deze beoordeling wordt vooropgesteld dat de regering tot uitgangspunt mag nemen dat de bezetting door Israël van de Golanhoogvlakte, de Gazastrook en de Westelijke Jordaanoever, met inbegrip van Oost-Jeruzalem en het in die bezette gebieden door Israël gevoerde nederzettingenbeleid onrechtmatig zijn. De regering baseert zich daarbij op de in de Nota van Toelichting aangehaalde adviezen, aanbevelingen en besluiten van het IGH, de AVVN en de VNVR, waarin is opgenomen dat Israël zich met deze onrechtmatige bezetting en haar in de bezette gebieden gevoerde nederzettingenbeleid schuldig maakt aan diverse schendingen van internationaal recht. Daarbij gaat het om het verbod op het gebruik van geweld door staten vanwege de annexaties, schending van het recht op zelfbeschikking van de Palestijnse bevolking, schendingen van het humanitair oorlogsrecht en schendingen van mensenrechten. Hoewel het advies van het IGH juridisch niet bindend is, gaat hiervan onmiskenbaar juridisch en moreel gezag uit en is een advies van het IGH richtinggevend bij de uitleg en toepassing van het internationaal recht. IPC kwalificeert het advies van het IGH dan ook ten onrechte als ‘internationaal drijfzand’ en stelt daar bovendien geen inhoudelijke betwisting tegenover. Dat het advies van het IGH niet ziet op de Golanhoogvlakte, zoals IPC opmerkt, doet niet af aan voornoemd uitgangspunt van de regering. Zowel de VNVR als de AVVN hebben de strijd met het internationaal recht van het optreden van Israël op de Golanhoogvlakte in resoluties aangenomen, welke resoluties – zoals de Staat terecht opmerkt – politiek en moreel gezag hebben.

Wettelijke grondslag Sanctiebesluit

IPC stelt dat het Sanctiebesluit een deugdelijke juridische grondslag ontbeert. In die stelling kan zij niet worden gevolgd. Uit het Sanctiebesluit volgt dat de juridische grondslag wordt gevormd door artikel 2, lid 1, van de Sanctiewet 1977. Hierin is bepaald dat ter voldoening aan verdragen, besluiten of aanbevelingen van organen van volkenrechtelijke organisaties, dan wel internationale afspraken, met betrekking tot de handhaving of het herstel van de internationale vrede en veiligheid of de bevordering van de internationale rechtsorde dan wel de bestrijding van terrorisme, bij AMvB ten aanzien van de in de artikelen 3 en 4 bedoelde onderwerpen regels kunnen worden vastgesteld. Die regels kunnen op grond van artikel 3, lid 1, Sanctiewet 1977 onder meer het goederen-, diensten- en financieel verkeer betreffen en al hetgeen overigens is vereist ter voldoening aan bedoelde verdragen, besluiten, aanbevelingen en afspraken. Zowel adviezen van het IGH als resoluties van de AVVN en de VNVR zijn aanbevelingen van een volkenrechtelijke organisatie in de zin van artikel 2, lid 1, Sanctiewet 1977 en de regering kan daarom in beginsel op basis van die bepaling bij AMvB regels stellen ter voldoening aan die adviezen en resoluties. Daarbij gaat het blijkens het Sanctiebesluit meer in het bijzonder om het advies van het IGH van 19 juli 2024, de resoluties ES-10/24 en A-79/90 van de AVVN en de resoluties 465 (1980) en 497 (1981) van de VNVR. In zoverre heeft het Sanctiebesluit dus een deugdelijke juridische grondslag.

Verenigbaarheid met Unierecht

IPC stelt met juistheid dat de regering zich met het Sanctiebesluit begeeft op het terrein van de gemeenschappelijke handelspolitiek van de EU. Op grond van artikel 3, lid 1 onder e, VWEU is de Unie exclusief bevoegd op het gebied van de gemeenschappelijke handelspolitiek. Uit artikel 2, lid 1, VWEU volgt dat alleen de Unie op dit gebied wetgevend kan optreden en dat lidstaten dat slechts zelfstandig kunnen als zij daartoe door de Unie gemachtigd zijn of ter uitvoering van de handelingen van de Unie.

IPC stelt zich op het standpunt dat een machtiging van de Unie tot het nemen van het Sanctiebesluit ontbreekt en dat daarom het Sanctiebesluit strijdig is met (hoger) EU-recht. De voorzieningenrechter neemt in dit verband met partijen tot uitgangspunt dat IPC zich op deze, in feite een bevoegdheidsverdeling tussen de EU en de lidstaten betreffende bepaling kan beroepen, nu deze bevoegdheidskwestie nauw verbonden is met de direct werkende bepalingen aangaande de in beginsel vrije invoer en het vrij verkeer van goederen waarop IPC zich (ook) beroept. Het standpunt van IPC over deze kwestie is echter onjuist. Artikel 1, lid 2, van de EU-Invoerverordening bepaalt dat de invoer in de Unie van producten uit van oorsprong derde landen vrij is en dus aan geen enkele kwantitatieve beperking mag worden onderworpen. Voor textielproducten geldt een afzonderlijke verordening met specifieke invoerregels (Verordening (EU) nr. 517/94). De regering stelt blijkens de Nota van Toelichting dat zij voor wat betreft het Sanctiebesluit haar regelgevende bevoegdheid kan ontlenen aan artikel 24, lid 2 onder a, van de EU-Invoerverordening. Hierin is – voor zover thans van belang – bepaald dat de EU-Invoerverordening geen beletsel vormt voor de vaststelling of toepassing door de lidstaten van verboden, kwantitatieve beperkingen of toezichtmaatregelen die zijn ingesteld uit hoofde van de bescherming van de openbare orde.

Niet ter discussie staat dat het Sanctiebesluit heeft te gelden als een kwantitatieve beperking in de zin van de EU-Invoerverordening. Uit het arrest in de zaak Confédération Paysanne volgt dat voor een beroep op de openbare orde in de zin van de EU-Invoerverordening aansluiting kan worden gezocht bij de rechtspraak van het HvJ EU over deze eveneens in artikel 36 VWEU opgenomen grond. Uit die rechtspraak volgt dat voor een geslaagd beroep op de openbare orde sprake moet zijn van een werkelijke en voldoende ernstige bedreiging van een fundamenteel maatschappelijk belang. De specifieke omstandigheden die een beroep op de openbare orde rechtvaardigen, kunnen naar land en tijdstip verschillen. Nationale autoriteiten komt in dat verband een mate van beoordelingsruimte toe. Beslissingen van nationale autoriteiten in dat verband kunnen in rechte dan ook slechts terughoudend worden getoetst.

De regering heeft in de Nota van Toelichting op grond van eerder genoemd advies en genoemde resoluties geconcludeerd dat het Israëlisch optreden in de onrechtmatig bezette gebieden een ernstige bedreiging vormt van de internationale rechtsorde en daarmee tevens een ernstige bedreiging van een fundamenteel maatschappelijk belang in de hiervoor bedoelde zin, dat een beroep op de openbare orde kan rechtvaardigen. De redenering die de regering aan die gevolgtrekking ten grondslag legt, kan de terughoudende toets, die de voorzieningenrechter ter zake moet aanleggen, doorstaan. De regering heeft in haar afwegingen betrokken dat Israël in weerwil van het advies van het IGH van 19 juli 2024 en resoluties ES-10/24 en A-79/90 van de AVVN onverminderd in strijd blijft handelen met haar internationaalrechtelijke verplichtingen. Daarbij heeft de regering in ogenschouw genomen de verdere bezetting door Israël van Syrisch grondgebied op de Golanhoogvlakte, het besluit van Israël om nieuwe nederzettingen in het zogenoemde E1-gebied (een gebied van ongeveer 12 vierkante kilometer tussen Oost-Jeruzalem en de Israëlische nederzetting Ma’ale Adumim) toe te staan, het aan dat besluit gekoppelde infrastructurele project ‘Fabric of Life’ en het oproepen door Israël / het nemen van stappen tot annexatie van (delen van) de Westelijke Jordaanoever. Ook heeft de regering in haar besluitvorming betrokken dat uit cijfers van de VN volgt dat het aantal onrechtmatige nederzettingen in de bezette gebieden onder de huidige Israëlische regering sterk is toegenomen. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter kan op basis van dit als zodanig niet door IPC weersproken handelen van Israël – mede vanwege de daarmee gepaard gaande (dreigende) schending van mensenrechten in de bezette gebieden – een bedreiging van de internationale rechtsorde worden aangenomen. De bescherming van de internationale rechtsorde is zonder meer een fundamenteel maatschappelijk belang, dat een beroep van de Staat op de openbare orde in de zin van de EU-Invoerverordening kan rechtvaardigen. Daarbij tekent de voorzieningenrechter aan dat artikel 90 van de Grondwet de regering uitdrukkelijk verplicht de ontwikkeling van de internationale rechtsorde te bevorderen.

Daarnaast stelt de Staat met juistheid dat onder het Unierecht een beroep van een lidstaat op de openbare orde in voormelde zin (eveneens) toelaatbaar wordt geacht wanneer dit beroep (mede) wordt gedaan ter voldoening aan op die lidstaat rustende internationaalrechtelijke verplichtingen. Ook op die grondslag slaagt naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter het beroep van de Staat op de openbare orde. Het hiervoor aangehaalde IGH Advies en de resoluties van de AVVN en VNVR, roepen lidstaten immers op om aan hun verplichtingen onder het internationaal recht te voldoen door onder meer maatregelen te nemen die bijdragen aan het voorkomen van handels- of investeringsrelaties die bijdragen aan het in stand houden van de onrechtmatige situatie die door Israël in de bezette Palestijnse gebieden is gecreëerd.

IPC heeft betoogd dat de Staat in ieder geval geen beroep toekomt op artikel 24, lid 2 onder a, van de EU-Invoerverordening voor zover het gaat om agrarische producten en wijnen uit de bezette gebieden, die vallen onder de reikwijdte van de GMO-Verordening. IPC verwijst daarbij naar het arrest in de zaak Confédération Paysanne waaruit dit volgens haar volgt. De Staat stelt terecht dat die conclusie zich niet uit dit arrest laat trekken. Dit arrest heeft betrekking op het treffen van vrijwaringsmaatregelen ten aanzien waarvan in artikel 194 van de GMO-Verordening is bepaald dat uitsluitend de Europese Commissie bevoegd is om deze te nemen. Met de Staat is de voorzieningenrechter voorshands van oordeel dat het Sanctiebesluit geen vrijwaringsmaatregel is. In dat verband merkt de Staat met juistheid op dat het Sanctiebesluit niet is genomen om EU-producenten te beschermen tegen een onvoorziene forse toename van de invoer van producten uit de onrechtmatig door Israël bezette gebieden of iets dergelijks. Het Sanctiebesluit is blijkens hetgeen hiervoor is overwogen rechtmatig genomen ter bescherming van de openbare orde en ter naleving van internationale verplichtingen. Hieraan staat de GMO-Verordening niet in de weg.

Voor zover IPC zich eveneens bezighoudt met de import van textielgoederen uit de onrechtmatige nederzettingen, geldt dat deze goederen vallen onder gelding van Verordening (EU) 2015/936. Artikel 33 van deze verordening is gelijkluidend aan artikel 24, lid 2 onder a, van de EU-Invoerverordening. Dit betekent dat de regering ook voor wat betreft deze goederen bevoegd is om bij AMvB verboden, kwantitatieve beperkingen of toezichtmaatregelen in te stellen ter bescherming van de openbare orde. Hetgeen hiervoor in dat verband ten aanzien van de EU-Invoerverordening is overwogen, geldt daarmee dus eveneens voor Verordening (EU) 2015/936.

De handelsverboden in het Sanctiebesluit raken ook aan de handel tussen EU-lidstaten onderling en vallen daarmee in beginsel onder het verbod op kwantitatieve invoerbeperkingen en maatregelen van gelijke werking als bedoeld in artikel 34 VWEU. Het beroep van IPC op dit verbod kan niet slagen. Artikel 36 VWEU bepaalt immers – voor zover thans van belang – dat het bepaalde in artikel 34 geen beletsel vormt voor verboden of beperkingen van invoer, uitvoer of doorvoer, welke gerechtvaardigd zijn uit hoofde van de bescherming van de openbare orde. De Staat komt – zoals blijkt uit hetgeen hiervoor is overwogen – een beroep toe op de openbare orde ter rechtvaardiging van de middels het Sanctiebesluit opgelegde handelsverboden.

Met de Staat is de voorzieningenrechter voorts van oordeel dat het Sanctiebesluitvoldoende geschikt is om het daarmee beoogde doel te bereiken. Voorshands is niet onaannemelijk dat instandhouding van Nederlandse economische activiteiten in/met de onrechtmatige nederzettingen in de door Israël bezette gebieden bijdraagt aan de instandhouding van de onrechtmatige bezetting. Het Sanctiebesluit dient dan ook een legitiem doel en niet aannemelijk is geworden dat dit doel met andere, minder vergaande, maatregelen kan worden bereikt. De stelling van IPC dat handhaving van het Sanctiebesluit feitelijk illusoir is vanwege controle- en handhavingsproblemen ontbeert een deugdelijke onderbouwing. Het advies van de Raad van State onderschrijft – naar de Staat terecht stelt – die stelling niet. De Raad van State heeft weliswaar kanttekeningen geplaatst bij de handhaafbaarheid van het Sanctiebesluit, maar concludeert niet dat op grond daarvan van invoering zou moeten worden afgezien. Ook de FIOD, de Douane en het OM komen niet tot die conclusie. Verder is in dit verband van belang dat in de Nota van Toelichting uitvoerig is toegelicht dat in het kader van de keuze voor de in het Sanctiebesluit neergelegde handelsverboden zoveel mogelijk is aangesloten bij wat in EU-sanctieverordeningen gebruikelijk is. Ook voor wat betreft de handhaving is blijkens de Nota van Toelichting zoveel mogelijk aansluiting gezocht bij de bestaande (handhavings-)systematiek en verplichtingen, waaronder een verklaringsplicht. IPC heeft dit als zodanig ook niet weersproken. Er is daarmee evenmin voldoende aanleiding om een schending van het rechtszekerheidsbeginsel en/of het legaliteitsbeginsel te kunnen aannemen. Daarbij neemt de voorzieningenrechter mede in aanmerking dat de Staat terecht stelt dat hem de bevoegdheid toekomt om deels open normen te hanteren. Zulks klemt te meer nu de Staat heeft toegelicht dat is voorzien in diverse overheidsloketten waartoe importeurs zich bij geconstateerde onduidelijkheden inzake de uitleg of toepassing van bepalingen in het Sanctiebesluit kunnen wenden. De enkele omstandigheid dat niet valt uit te sluiten dat het Sanctiebesluit te omzeilen valt, maakt het Sanctiebesluit op voorhand niet ongeschikt voor het verwezenlijking van het daarmee beoogde doel. Daarbij tekent de voorzieningenrechter aan dat de Staat heeft toegelicht dat juist ter voorkoming van de gestelde omzeiling is gekozen voor een drietrapsraket van een invoerverbod, markttoezichtmaatregelen en een omzeilingsverbod. Voorshands is er onvoldoende aanleiding om te veronderstellen dat die combinatie van maatregelen niet kan bijdragen aan het daarmee beoogde doel.

Procedurele voorschriften

IPC betoogt tevens dat de Staat in het kader van de totstandkoming van het Sanctiebesluit procedurele voorschriften heeft geschonden. Dit betoog faalt en dit betekent dat op die grondslag evenmin aanleiding bestaat om in dit kort geding een voorziening te treffen. Wat betreft de gestelde schending van de TRIS-richtlijn geldt dat de Staat het ontwerp van het Sanctiebesluit op 5 juni 2026 ter notificatie heeft voorgelegd aan de Europese Commissie. Daarbij heeft de Staat een gemotiveerd beroep gedaan op de spoedprocedure van artikel 6, lid 7, van deze richtlijn, op grond waarvan de standstill-termijn van drie maanden niet geldt. De Staat stelt dat hij in de notificatie heeft toegelicht dat er aanleiding bestaat tot onverwijld optreden vanwege de verslechterde situatie in de door Israël bezette gebieden als gevolg van (verdergaand) optreden van Israël in strijd met het internationaal recht. Bij gebreke van een afwijzende reactie van de Europese Commissie kan in het kader van dit kort geding niet worden aangenomen dat de Staat zich ten onrechte op de spoedprocedure heeft beroepen. De Staat heeft gemotiveerd toegelicht dat er ook geen (afwijzende) reactie van de Europese Commissie meer te verwachten valt. De omstandigheid dat van de zijde van de Europese Commisie geen afwijzende reactie is gekomen, vormt overigens een indicatie dat ook de Commissie van oordeel is dat het Sanctiebesluit niet in strijd is met Europees recht.

Evenmin is er grond voor de conclusie dat de Staat ten onrechte heeft besloten om af te zien van een internetconsultatie. Op grond van het Draaiboek voor de regelegeving mag in situaties waarin de vereiste spoed zulks vereist van internetconsultatie worden afgezien. De Staat stelt dat vanwege de hiervoor besproken verslechterde situatie in de door Israël bezette gebieden sprake is van zo’n situatie en die redenering is naar het oordeel van de voorzieningenrechter voorshands niet onnavolgbaar. Daarbij tekent de voorzieningenrechter aan dat met het Sanctiebesluit uitvoering wordt gegeven aan drie moties waarin de Tweede Kamer tot het zo spoedig mogelijk opleggen van handelsverboden heeft opgeroepen.

EP EVRM/Handvest

IPC heeft verder nog aangevoerd dat met het Sanctiebesluit inbreuk wordt gemaakt op haar recht op ongestoord genot van eigendom, zoals beschermd door artikel 1 EP EVRM en artikel 17 Handvest. Tussen partijen is niet in geschil dat het Sanctiebesluit een regulering van eigendom vormt, en dat in zoverre sprake is van een inmenging in het door artikel 1 EP en artikel 17 Handvest gewaarborgde ongestoorde genot van eigendom. Deze inmenging moet volgens vaste rechtspraak van het EHRM bij wet zijn voorzien, een gerechtvaardigd algemeen belang dienen en er moet sprake zijn van een ‘fair balance’. Aan de eerste twee voorwaarden is, blijkens hetgeen hiervoor reeds is overwogen, voldaan. De derde voorwaarde behelst een proportionaliteitstoets en die houdt in dat een rechtvaardig evenwicht moet bestaan tussen de eisen van het algemeen belang en de bescherming van de fundamentele rechten van het individu. Aan de Staat komt in dit verband een ruime beoordelingsvrijheid toe.

De voorzieningenrechter is voorshands van oordeel dat ook aan dit derde vereiste is voldaan. Daartoe is van belang dat de handelsverboden uitsluitend gelden voor goederen die afkomstig zijn uit de onrechtmatige nederzettingen in de door Israël bezette gebieden. Van een algehele handelsboycot van goederen uit Israël is geen sprake. IPC heeft niet aannemelijk gemaakt dat haar import goederen betreft die uitsluitend verkrijgbaar zijn in de gebieden waarop het Sanctiebesluit betrekking heeft. Er dient in het kader van dit kort geding dan ook vanuit te worden gegaan dat IPC alternatieve legale handelskanalen ter beschikking staan. IPC heeft evenmin aannemelijk gemaakt dat zij op dit moment nog beschikt over grote voorraden geïmporteerde goederen die op grond van het Sanctiebesluit na 22 september 2026 niet meer mogen worden verhandeld/verkocht. Daarbij neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat – zoals de Staat terecht stelt – het handelsverbod voorzienbaar was en IPC hierop dus heeft kunnen en moeten anticiperen. Nederland voert immers al sinds 2006 een ontmoedigingsbeleid ten aanzien van het ontplooien van economische activiteiten die direct bijdragen aan de instandhouding van de onrechtmatige nederzettingen in de door Israël bezette gebieden. De Staat heeft er daarnaast onweersproken op gewezen dat hij dit beleid als gevolg van de verslechterde situatie in de gebieden op de Westelijke Jordaanoever sinds juli 2025 actiever is gaan uitdragen richting het bedrijfsleven. Voorts is van belang dat de Staat het Sanctiebesluit al op 10 september 2025 heeft aangekondigd. Bovendien had IPC na publicatie van het Sanctiebesluit nog tot 22 september 2026 de tijd om resterende voorraden van de hand te doen. Onder die omstandigheden valt voorshands te billijken dat in het Sanctiebesluit niet is voorzien in overgangsrecht of een compensatieregeling. Een en ander leidt tot de conclusie dat van een ongerechtvaardigde inbreuk op het recht op eigendom geen sprake is.

Conclusie

Uit al het voorgaande volgt dat de vordering van IPC op geen van de vijf aangevoerde grondslagen toewijsbaar is. Een belangenafweging kan tenslotte niet tot een ander oordeel leiden. Het belang dat met de handelsverboden in het Sanctiebesluit wordt gediend, weegt voorshands ruimschoots op tegen de belangen die daarmee volgens IPC worden geschaad.

Proceskosten

IPC en EJA zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de Staat worden begroot op:

- griffierecht € 735

- salaris advocaat € 1.177

- nakosten € 189 (plus de verhoging zoals vermeld in de

beslissing)

Totaal € 2.101

5. De beslissing

De voorzieningenrechter:

verklaart EJA in haar vorderingen niet-ontvankelijk;

wijst de vorderingen van IPC af;

veroordeelt IPC en EJA hoofdelijk in de proceskosten van de Staat ad € 2.101, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als IPC en EJA niet tijdig aan de proceskostenveroordeling voldoen en het vonnis daarna wordt betekend, dan moeten zij € 98 extra betalen, plus de kosten van betekening.

Dit vonnis is gewezen door mr. D.R. Glass en in het openbaar uitgesproken op 16 september 2026.

mw

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand