ECLI:NL:RBDHA:2026:26767

ECLI:NL:RBDHA:2026:26767

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 14-09-2026
Datum publicatie 14-09-2026
Zaaknummer NL26.51731
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Groningen

Samenvatting

volgberoep, bewaring, art. 59 eerste lid aanhef en onder a van de Vw, ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser,

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.51731

v-nummer: [v-nummer],

(gemachtigde: mr. M. Pater),

en

(gemachtigde: mr. D.J. Halbesma).

Procesverloop

1. De minister heeft op 7 augustus 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw opgelegd. De maatregel duurt nog voort.

Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.

De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.

De rechtbank heeft het beroep op 11 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de waarnemer van de gemachtigde van eiser, mr. M. Rasul, en de gemachtigde van de minister. Het onderzoek is op zitting gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 19 augustus 2026 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom staat nu alleen ter beoordeling of de maatregel van bewaring rechtmatig is sinds het sluiten van dat onderzoek op 14 augustus 2026.

3. Als de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw, dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij het beroep op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.

Wat vindt eiser?

Zicht op uitzetting

4. Eiser stelt in het beroepschrift dat de maatregel onrechtmatig is omdat eisers verzoek om een voorlopige voorziening in zijn asielzaak is toegewezen. Op de zitting heeft eiser toegelicht dat sprake was van een misverstand. Van een uitspraak op een verzoek om voorlopige voorziening is geen sprake. Wel is het zo dat eiser het beroep door een fout in de asielbeschikking in Nederland mag afwachten. De inhoudelijke behandeling van dit beroep staat volgens eiser op 20 oktober 2026 gepland. Dit betekent volgens eiser dat hij nog geruime tijd van zijn vrijheid beroofd zal blijven voordat de rechtbank inhoudelijk uitspraak doet op zijn asielverzoek. Daar komt volgens eiser nog bij dat er na de zitting nog enige tijd gemoeid zal zijn met de beoordeling van het beroep en het doen van een uitspraak. Indien het asielberoep gegrond wordt verklaard, moet de minister in beginsel een nieuwe beslissing nemen, waardoor een eventuele uitzetting nog verder in de toekomst ligt. Eiser stelt dat daarom zicht op uitzetting binnen een afzienbare termijn ontbreekt. Daarnaast stelt eiser dat zicht op uitzetting ontbreekt omdat hij voor 8 december 2026 is gedagvaard voor een strafzitting en het recht heeft om deze zitting bij te wonen. Daarnaast stelt eiser dat, indien de minister meent dat er wel zicht is op uitzetting, hij dit concreet en deugdelijk had moeten motiveren na het ontdekken van de fout in de asielbeschikking.

Voortvarend handelen

5. Ook stelt eiser dat er geen sprake is van voortvarend handelen omdat eisers asielzaak pas op 20 oktober 2026 inhoudelijk wordt behandeld. Tot die tijd zal eiser in vreemdelingenbewaring moeten verblijven, terwijl uitzetting op korte termijn niet aan de orde is en dus ook geen uitzettingshandelingen zullen worden verricht. Bovendien stelt eiser dat de minister niet voortvarend handelt omdat het OM nog niet om toestemming is gevraagd ten aanzien van de uitzetting van eiser.

Lichter middel

6. Eiser stelt dat de minister moet nagaan of met een minder ingrijpende maatregel had kunnen volstaan en dat hij dat niet heeft gedaan. Onder deze omstandigheden kan niet worden volstaan met de enkele constatering dat eiser zich aan het toezicht zou kunnen onttrekken of dat zijn beschikbaarheid voor uitzetting moet worden gewaarborgd. De minister moet volgens eiser concreet beoordelen of dat doel ook met een minder ingrijpend middel kan worden bereikt. Daarbij had de minister volgens eiser onder meer moeten betrekken dat eiser bereid is zich te melden, dat zijn asielprocedure nog aanhangig is, dat de geplande uitzetting als gevolg van de toegewezen voorlopige voorziening geen doorgang heeft gevonden en dat de mondelinge behandeling van zijn asielzaak reeds op korte termijn staat gepland.

Oordeel van de rechtbank

7. De rechtbank stelt voorop dat er geen rechterlijke uitspraak is geweest in de voorlopige voorziening procedure. Uit de brief van de minister van 20 augustus 2026 blijkt, zoals ter zitting nader toegelicht, dat in de asielbeschikking van 1 augustus 2026 per abuis staat dat eiser zijn beroep niet in Nederland mag afwachten op grond van artikel 56 van de Procedureverordening. Dit is echter onjuist omdat de aanvraag kennelijk ongegrond is verklaard. Daarom is eisers uitzetting op 20 augustus 2026 ook geannuleerd. De voorlopige voorziening is vervolgens door de asieladvocaat ingetrokken. Het feit dat de voorlopige voorziening is ingetrokken, betekent dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft in Nederland zoals bedoeld in artikel 8 onder h van de Vw. Eisers asielaanvraag is kennelijk ongegrond verklaard en dit was een opvolgende aanvraag als bedoeld in artikel 68, derde lid van de Procedureverordening. Eiser heeft dus geen rechtmatig verblijf, maar mag ook niet worden verwijderd. Dit heeft de Afdeling recent uitgelegd in de uitspraak van 3 september 2026. Uit die uitspraak volgt dat het gegeven dat een eiser op grond van artikel 68, vijfde lid, aanhef en onder d, van de Procedureverordening niet mag worden verwijderd, niet met zich meebrengt dat hij het recht heeft om op het grondgebied van de lidstaten te blijven. Uit het derde lid van die bepaling volgt immers juist dat dit niet het geval is, tenzij de voorzieningenrechter dat overeenkomstig het vierde lid heeft beslist. Tot die tijd mag een vreemdeling weliswaar niet worden verwijderd, en geldt het beginsel van non-refoulement onverminderd, maar heeft hij geen rechtmatig verblijf.

Zicht op uitzetting

8. De stelling van eiser dat er geen zicht is op uitzetting volgt de rechtbank niet. De rechtbank is allereerst van oordeel dat zicht op uitzetting naar Turkije in algemene zin niet ontbreekt. Dit volgt ook uit het feit dat er voor eiser een vlucht was geboekt. Het feit dat eisers asielprocedure op 20 oktober 2026 bij de rechtbank wordt behandeld en dat hij tot die tijd niet mag worden verwijderd, betekent niet dat er geen zicht bestaat op uitzetting. Ook het feit dat eiser is gedagvaard voor een strafzaak in december 2026 en hij deze wenst bij te wonen, betekent niet dat er geen zicht op uitzetting bestaat. Als de uitkomst van het asielberoep is dat het beroep ongegrond is, zal de minister het OM vragen of zij bezwaar heeft tegen de uitzetting van eiser. Als dat niet het geval is, kan eiser worden uitgezet. De minister heeft ter zitting toegelicht dat, mocht eiser voor de strafzitting worden uitgezet naar Turkije, er visa zijn te verkrijgen om de strafzaak alsnog bij te wonen. Verder is momenteel niet gebleken dat het OM bezwaar heeft tegen de uitzetting van eiser.

Voortvarend handelen

9. Ook de is rechtbank van oordeel dat de minister voldoende voortvarend handelt ten aanzien van de uitzetting van eiser. Er is op 11 augustus 2026 een vlucht aangevraagd voor eiser. Er is vervolgens ook daadwerkelijk een vlucht voor eiser geboekt, maar deze is geannuleerd. Daarnaast heeft er op 1 september 2026 een vertrekgesprek met eiser plaatsgevonden. Aangezien eiser op dit moment niet mag worden verwijderd, kan niet van de minister worden verwacht dat hij andere uitzettingshandelingen verricht ten aanzien van het vertrek van eiser dan het voeren van vertrekgesprekken. De rechtbank acht deze gang van zaken voldoende voortvarend.

Ten aanzien van de stelling van eiser dat de minister onvoldoende voortvarend handelt omdat bij OM nog geen toestemming is gevraagd voor de uitzetting, overweegt de rechtbank als volgt. Uit de uitspraken van de Afdeling van 20 december 2022 en van 19 april 2023 volgt dat het ontbreken van bezwaar bij het OM als voorwaarde is gesteld voor uitzetting en niet voor bewaring. De minister hoeft het OM dus pas als er een uitzettingsdatum bekend is om toestemming te vragen voor de uitzetting van eiser. Uitzetting is echter op dit moment niet aan de orde. De rechtbank ziet vanwege het enkele feit dat eiser is gedagvaard in een strafzaak, geen aanleiding voor het oordeel dat er geen zicht op uitzetting bestaat.

Lichter middel

10. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser in onderhavige procedure geen omstandigheden aangevoerd die aanleiding geven om te oordelen dat een lichter middel zou kunnen volstaan of dat het voortzetten van de vreemdelingenbewaring niet langer gerechtvaardigd zou zijn. Daarbij acht de rechtbank van belang dat, zoals in de uitspraak van 19 augustus 2026 is overwogen, de aan de maatregel ten grondslag gelegde gronden de maatregel kunnen dragen en daarmee het onderduikrisico is gegeven. Dat eiser aangeeft dat hij bereid is zich te houden aan een meldplicht, maakt dit oordeel niet anders.

11. De rechtbank ziet ook voor het overige geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring in de periode tussen het sluiten van het vorige onderzoek en het sluiten van het onderhavige onderzoek op enig moment onrechtmatig was.

Conclusie en gevolgen

12. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.J. van der Veen, rechter, in aanwezigheid van

mr. N. Wetterauw, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. L.J. van der Veen

Griffier

  • mr. N. Wetterauw

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand