RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], eiser,
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
Samenvatting
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.52188
V-nummer: [nummer],
(gemachtigde: mr. H.J.M. Nijholt),
en
(gemachtigde: mr. D. Halbesma).
1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het opleggen van de maatregel van bewaring is niet onrechtmatig. De maatregel van bewaring voldoet aan de voorwaarden. De minister hoefde niet te kiezen voor een lichter middel. Er is dus geen reden voor het toekennen van een schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
Procesverloop
2. Met het bestreden besluit van 5 september 2026 heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 11 september 2026, met behulp van telehoren, op zitting behandeld. Eiser is verschenen op het detentiecentrum in Rotterdam. Zijn gemachtigde en een tolk zijn op de rechtbank in Groningen verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
Toetsingskader
3. De minister kan, als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in bewaring stellen. De minister stelt een vreemdeling slechts in bewaring voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast. De bewaring blijft achterwege of wordt beëindigd indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de bewaring. De vreemdeling kan in bewaring worden gesteld omdat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid dat vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.
De aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring
4. De minister heeft aan eiser de maatregel van bewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.
In de maatregel heeft de minister als gronden vermeld dat eiser:
a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;b. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;h. heeft te kennen gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan de verplichting tot terugkeer;p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;q. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
Voortraject
5. De rechtbank stelt vast dat eiser de procedure voorafgaand aan de inbewaringstelling niet heeft bestreden. De bewaring is niet op die grond onrechtmatig.
Grondslag
6. De rechtbank stelt vast dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft. De minister heeft de asielaanvraag van eiser op 17 oktober 2025 als kennelijk ongegrond afgedaan, waarbij aan eiser een terugkeerbesluit en een inreisverbod van twee jaar zijn opgelegd. Het door eiser ingestelde beroep tegen de afgewezen asielaanvraag is op 23 oktober 2025 als ongegrond afgedaan. Eiser dient Nederland onmiddellijk te verlaten. Eiser valt daarom onder de in artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw genoemde categorie vreemdelingen. De maatregel is op de juiste grondslag opgelegd.
Gronden
7. De rechtbank stelt vast dat eiser alleen de gronden p en s betwist. De rechtbank is van oordeel dat de overige aan de maatregel ten grondslag gelegde gronden al voldoende zijn om de maatregel te kunnen dragen. Hierbij wordt opgemerkt dat verweerder de motivering onder grond s, over het al dan niet begaan en plegen van eventuele misdaden bij niet vrijwillig vertrek, ter zitting heeft laten vallen. De rechtbank ziet ambtshalve toetsend verder geen aanleiding voor het oordeel dat deze gronden ten onrechte aan eiser zijn tegengeworpen. Eiser verblijft immers niet rechtmatig in Nederland, hij heeft bij besluit van 25 maart 2025 een inreisverbod opgelegd gekregen, ingegaan op 7 mei 2025 bij uitzetting naar Albanië, en is ondanks dit gegeven en de strafbaarstelling hiervan, Nederland opnieuw ingereisd. Ter volledigheid wordt overwogen dat nu de gronden de maatregel van bewaring kunnen dragen, hiermee het risico op onttrekking is gegeven. De rechtbank laat de door eiser betwiste gronden daarom verder onbesproken.
Lichter middel
8. De rechtbank is van oordeel dat de minister terecht geen aanleiding heeft gezien om aan eiser een lichter middel dan de maatregel van bewaring op te leggen. In dit kader acht de rechtbank van belang dat, zoals hiervoor is overwogen, de gronden de maatregel van bewaring kunnen dragen en dat hiermee het risico op onttrekking is gegeven. Dat eiser stelt dat hij een lichter middel opgelegd moet krijgen omdat hij min of meer een vaste woon- en of verblijfplaats heeft bij stichting INLIA en dat hij op een eerdere oproep van AVIM is verschenen, doet hier niet aan af. Hierbij wordt opgemerkt dat eisers verblijf bij stichting INLIA onder de aandacht is gebracht tijdens een ketenoverleg, dat hij aan de hand hiervan is gevorderd door AVIM om te verschijnen en dat hij zich dus niet uit eigen beweging bij de autoriteiten heeft gemeld.
9. De rechtbank is verder van oordeel dat de minister de medische omstandigheden van eiser, dat hij stress ervaart en niet goed tegen opsluiting zou kunnen, voldoende heeft betrokken bij de oplegging van de maatregel. De minister heeft eiser gewezen op de beschikbare medische faciliteiten en voorzieningen binnen het detentie- en uitzetcentrum. In dit verband heeft de minister terecht gesteld dat de medische zorgverlening binnen deze centra gelijkwaardig is aan de gezondheidszorg in de vrije maatschappij. Ter zitting heeft de minister ook gemeld dat eiser gebruik heeft gemaakt van de medische dienst.
10. Verder is de rechtbank niet gebleken van persoonlijke belangen van eiser die de bewaring voor hem onevenredig bezwarend maken en waarin de minister aanleiding had moeten zien eiser een lichter middel dan bewaring op te leggen. Dat eiser stelt mee te willen werken aan de uitzetting is onvoldoende om de maatregel van bewaring op te heffen.
Voortvarend handelen
11. De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende voortvarend werkt aan de uitzetting van eiser. Ten aanzien van eisers standpunt dat er al eerder een vlucht voor hem geregeld kon worden nu zijn verblijfplaats bij stichting INLIA bekend was, dat er al die tijd een geldig paspoort aanwezig was en dat een inbewaringstelling niet nodig was geweest, wordt als volgt overwogen. De minister heeft geen inspanningsverplichting zolang eiser zich ten tijde van zijn verblijf bij stichting INLIA in de vrije maatschappij bevond. Pas als sprake zou zijn van een strafrechtelijk traject of een inbewaringstelling komt deze verplichting aan de orde. Daarnaast heeft sinds de inbewaringstelling op 7 september 2026 een vertrekgesprek plaatsgevonden en is op 8 september 2026 een vlucht aangevraagd, waarop op 11 september 2026 is gerappelleerd. Van onvoldoende voortvarendheid is dan ook geen sprake.
Zicht op uitzetting
12. De rechtbank is van oordeel dat zicht op uitzetting naar Albanië niet ontbreekt.
Conclusie en gevolgen
13. De rechtbank ziet ook ambtshalve geen aanleiding voor het oordeel dat de maatregel onrechtmatig is.
14. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.J. van der Veen, rechter, in aanwezigheid van
E.S. Tiggelaar, griffier en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.